ONZE EREDIENST
1986-03-21
- Jaargang 30
- nummer 12
Zang en spel
Na de Reformatie is de gemeente weer een zingende gemeente geworden: Dat betekende een grote winst. Ruim duizend jaar had de gemeente niet meer gezongen.
Het is erg jammer, dat over het zingen zelf en de begeleiding door orgelspel nog al veel onenigheid geweest is in de loop der jaren.
Mijn grootvader stond aan het begin van deze eeuw in een gemeente van oud-gereformeerde signatuur. In deze gemeente zong men twee berijmingen door elkaar heen. Er was nl. geen overeenstemming te bereiken over één berijming. Daar was nog een derde groep in de gemeente, die helemaal niet zong, Omdat men bezwaar had tegen orgelbegeleiding. Toen mijn vader eens zijn vader verving, was het orgel kapot. Nu was de chaos volkomen, De derde groep ging toen op haar wijze zingen. Het klonk erbarmelijk. En dat terwijl het volk van God met zijn Heer sprak!
Waarom wilde die ene groep geen orgelbegeleiding? Daar had men "vrome" argumenten voor.
Zo bijvoorbeeld 1 Cor. 14: 9.
Ook de synode van Dordt had zich op deze tekst beroepen om orgelbegeleiding af te wijzen.
"Evenzo indien gij met uw tong geen verstaanbare volzin spreekt, hoe zal men het gesprokene begrijpen?
Gij zoudt immers in de lucht spreken?". Een vreemd tekstgebruik, want het ging in Corinthe over het uitstoten van klanken en spreken van woorden, die oningewijden niet begrepen.
Na de reformatie is er veel op het kerkorgel gescholden. Het feit, dat de R.K. Kerk wel een orgel gebruikte, was voor vele van onze voorvaders blijkbaar al voldoende om een afkeer van het orgel te hebben. Gelukkig is deze afkeer nu geheel verdwenen.
Algemeen wordt aanvaard, dat het orgelspel zeer gewenst is tot steun van de gemeentezang.
Deze steun is een goede zaak.
Jammer, dat er in veel kerken gemeenteleden zijn, die niet deelnemen aan de gemeentezang en vaak zelfs geen psalmboekje bij zich hebben. Ze vergeten, dat de gemeentezang een wezenlijk onderdeel van de eredienst is. Het is zelfs een hoogtepunt. De gemeentezang is immers het vrijwillig lofoffer van de kerk. Bij deze zang spreekt de gemeente tot God. Daarbij belijdt ze haar zonde, vraagt Gods bescherming en prijst Hem voor zijn redding.
Wanneer dit doel van de gemeentezang steeds goed in het oog was gehouden, zou er over het zingen niet zoveel onenigheid geweest zijn.
De gereformeerden zijn het erover eens, dat het zingen van psalmen een belangrijke funktie in de eredienst heeft, maar wanneer de vraag gesteld wordt, welke berijming gezongen moet worden, is het met de eenstemmigheid al weer over.
Daar zijn ook in de Ned. Geref. kerken nog velen, die de voorkeur geven aan de oude berijming.
Ze zijn deze van ouds gewend.
De woorden zijn hen in vroeger jaren vaak tot troost geweest.
Men voelt zich met die oude vertrouwde woorden verbonden, Anderen geven de voorkeur aan nieuwere meer eigentijdse berijming.
De oudere is vaak voor jongeren niet meer begrijpelijk.
Kerktaal moet verstaanbaar blijven.
Een gereformeerde kerk moet telkens weer gereformeerd worden. Dat geldt ook voor de kerktaal, zowel in spreken als in het zingen.
We moeten bewaren wat eeuwig zeker is. Modernistische progressiviteit is een onding. Maar hetzelfde geldt van een star conservatisme, dat alles bij het oude wil laten. (Deddens “Waar alles van Hem spreekt").
Sinds de Reformatie is het steeds weer moeilijk gebleken om tot een nieuwe berijming over te gaan. Al heel spoedig kwam er partijstrijd over de berijming. In 1566 is voor de berijming van Datheen gekozen. Helaas een verkeerde keus. Het gevolg was, dat we eeuwenlang een trage kerkzang kregen. Toch heeft deze berijming het enkele eeuwen uitgehouden en er zijn ook nu nog kerken waar deze berijming gezongen wordt. In 1773 kwam een nieuwe berijming tot stand, de "Statenberijming".
Hoewel tegen deze berijming ook veel bezwaren zijn in te brengen, heeft ook deze het lang uitgehouden. Prof. K. Schilder schreef in 1927 over deze berijming, dat ze tekort doet aan het geopenbaarde Woord en dat Woord soms verdringt. Onze huidige psalmberijming moet weg, zo meende hij..
In de zestiger jaren is in veel, kerken de interkerkelijke berijming ingevoerd, die nu naast de oude in onze kerken gebruikt wordt. Persoonlijk vind ik de woordkeus van de nieuwe berijming vaak te weinig eigentijds.
Ook wijkt ze wel eens onnodig van de bijbeltekst af. Neem b.v. psalm 23: 2: "Onder het oog van hen, die mij verraden richt . Gij mij toe het nachtmaal der genade". Hierin wordt afgeweken van de bijbeltekst en wordt een Nieuwtestamentische gedachte ingevoerd. Immers nachtmaal is een ouderwets woord voor het avondmaal.
Ook het zingen van gezangen is in Nederland een moeilijk probleem.
Terwijl gereformeerden in andere landen wel steeds vrije liederen zongen, is het hier vaak een twistappel geweest. Terecht heeft ds A. Hilbers op een synodevergadering van de Chr. Geref. kerken eens opgemerkt, dat het al of niet zingen van gezangen een typisch Nederlands probleem is. Het is mij niet bekend of deze nuchtere opmerking bij al zijn collega's goed gevallen is.
De Afgescheidenen hadden terecht ernstig bezwaar tegen de bundel 'Evangelische gezangen', omdat vele van deze gezangen in strijd met de Schrift waren.
Dit schijnt later een zekere afkeer tegen alle gezangen in de hand gewerkt te hebben.
Bij vergelijking tussen psalmen en gezangen moeten we oppassen niet met onzuivere argumenten te werken. Dr K. Deddens schreef daarover in "Waar alles van Hem spreekt". Hij wijst erop, dat de psalmen van Christus zingen en liederen van het verbond zijn. Aan de andere kant behoeft het Nieuwtestamentisch lied niet uit de eredienst geweerd re worden. Wie zegt: "wij mogen alleen uit de Bijbel zingen", vergist zich. Een berijming is altijd een weergave, waarin een zekere vrijheid geoorloofd is. Een vrij lied is niet verboden, mits het zich aansluit bij Gods Woord. Het moet antwoord zijn op het Woord."
In Col. 3 : 16 lezen we, dat in de gemeente psalmen, lofzangen en geestelijke liederen gezongen werden. Waarschijnlijk is Ef. 5 : 14 een deel van een van die lofzangen: "Ontwaakt gij die slaapt en staat op uit de doden en Christus zal over u lichten."
In de Ned. Geref. kerken hebben de landelijke vergaderingen van Breukelen en Enschede hun fiat gegeven aan een selectie uit het Liedboek. Door deze selectie wil men een handreiking doen aan de kerken. Daar bestaat uiteraard geen plicht om van het Liedboek gebruik te maken.
Vóór de dienst
Het karakter van de kerkdienst, ontmoeting van God met zijn volk, brengt met zich; dat wij ons tijdens de kerkdienst eerbiedig gedragen. Toch geloof ik niet, dat de diensten zo stijf behoeven te zijn als bij ons het geval is.
Het is jammer, dat elke spontaniteit ontbreekt. In vroeger tijden werd wel gelegenheid gegeven om de predikant door interrupties te onderbreken. Zou zo iets bij ons ook niet mogelijk zijn?
Begin februari bezocht ik in Washington een kerkdienst. Het viel me op, dat het er veel ongedwongener toeging.
Hier begroeten veel predikanten de gemeente. Een dwaze zaak, want bij ons moet de gemeente zwijgen. Daar mochten we echter ook antwoorden op de groet van de predikant. Als we een bepaalde opmerking erg goed vonden, kwam er applaus. Het is waar, dat dit gemakkelijk ontaarden kan, maar het maakte de dienst wel minder stijf.
Vóór de dienst zijn we natuurlijk vrijer. We zitten niet in een heilig kerkgebouw. Daar is niets tegen (integendeel) elkaar te begroeten of een rustig praatje met onze buren te houden. Natuurlijk moet het geen wanordelijke boel worden.
Een goede gewoonte ook is het, dat er voor de dienst op het orgel gespeeld wordt, al lijkt dat voor de organist niet altijd een dankbare taak.
Daar vindt echter vóór de dienst in veel kerken nog iets plaats, dat zich aan het oor en oog der gemeente onttrekt, De kerkeraad heeft zich dan 'in een ander vertrek, de consistorie, afgezonderd.
Dat woord consistorie betekent letterlijk de plaats waar je bij elkaar staat. Dat was het bediendenvertrek. Later werd het de vergadering van- de kardinalen.
In de Ned. Herv. Kerk betekent het de vergadering van de kerkeraad. Wij duiden er meestal het vertrek mee aan, waar de kerkeraad samenkomt.
Wij noemden het vroeger met de oneerbiedigheid, die veel domineeskinderen eigen is, het "bidhokje".
Dit omdat er voor de dienst gebeden werd.
Een dergelijk gebed vlak voor de dienst was in vroeger eeuwen niet gebruikelijk. Waarschijnlijk is deze gewoonte ontstaan vlak na de Afscheiding. De politie kwam nog al eens de kerkdiensten verstoren om te zien, of de samenkomsten door meer dan het toegestane aantal bezocht werd.
Wat het getal te groot dan werden de kerkgangers uiteengejaagd en proces verbaal opgemaakt.
Dit gebed werd gehouden voor de dienst om de Here te vragen, of de kerkdienst een ongehinderd verloop mocht hebben.
Vroeger duurden die gebeden nog allang.
Mijn grootvader, die zich als predikant daaraan wat ergerde, ging soms zachtjes weg, beklom de preekstoel en begon de dienst.
De dienstdoende ouderling was intussen nog aan het bidden.
Naar mijn opvatting is dit gebed in veel kerken terecht afgeschaft.
Wanneer men dit wil doen moet het als hele gemeente gebeuren, b.v, als stil gebed vóór de dienst.
Er zijn trouwens voor de dienst verschillende gebruiken geweest, die later weer veranderd werden.
In Enschede was het vroeger gewoonte, dat eerst de ouderlingen en diakenen binnenkwamen. De voorlezer deed de afkondigingen en gaf daarna een psalm op. Tijdens het zingen kwam de predikant met de dienstdoende ouderling binnen. Als kind maakte dat een vreemde indruk op me.
Als mijn vader zo onder het gezang van de gemeente binnenkwam, had ik de indruk, dat men mijn vader toezong en dat leek me toch wat overdreven.
Ook het stil gebed is in de loop der jaren verdwenen. Oorspronkelijk deed men het stil gebed bij het, innemen van zijn plaats, zoals dat nu nog in Zwitserland gebruikelijk is. Later is dit veranderd in een gelijktijdig stil gebed vlak voor de dienst.
Voor de predikanten was het een moeilijke zaak, waar men moest bidden. In de ene gemeente moest dat onder de kansel. In de andere weer bovenop de kansel.
Wee de predikant, die de foute plaats koos. Wanneer mijn vader vergeten was waar hij in een, bepaalde gemeente moest bidden, deed hij dat dan maar halverwege op de trap.
De kerkeraad komt binnen
Na het gebed van de kerkeraad plegen de kerkeraadsleden de kerkzaal binnen te komen. Een slechte gewoonte in veel gemeenten is, dat de kerkeraad nog al eens te laat binnenkomt.
Het orgel zwijgt. De predikant beklimt, na een handdruk van de dienstdoende ouderling, de preekstoel. Die handdruk is een liturgisch gebaar dat een bepaalde zin heeft. Zo zijn, er meer liturgische gebaren, zoals het opheffen van de armen bij de zegen.
In de eerste christelijke kerken kende men ook de vredeskus.
Toen de kus een meer beperkte funktie in de samenleving kreeg, nl. het teken van innige liefde, kon de vredeskus niet meer gehandhaafd blijven in de eredienst.
Hoewel de kus in de laatste tijd weer algemener is en een breder betekenis gekregen heeft, geloof ik niet, dat ze op dit moment weer als liturgisch gebaar in aanmerking komt.
We bepalen ons dus maar weer tot de handdruk. Voor veel gemeenteleden is die handdruk niet duidelijk, gezien het feit dat ze de predikant “sterkte” of “de Here zegene U” of “het beste” toewensen. Het is echter niet de bedoeling de predikant iets toe te wensen. De betekenis is, dat de predikant in medeverantwoordelijkheid van kerkeraad en gemeente de dienst des Woords verricht. Mede namens hen verkondigt de dienaar het Woord. De predikant staat daar niet alleen, maar hij wordt gesteund door de gemeente. Persoonlijk vind ik dat aparte binnenkomen van de kerkeraad geen gelukkige zaak. In sommige kerken is het gewoonte, dat de kerkeraadsleden, inclusief de predikant, evenals de gemeente voor de dienst direkt hun plaats innemen.
Als de dienst begint staat de predikant op en gaat na een handdruk van de dienstdoende ouderling naar voren om op de kansel plaats te nemen.
Dit sluit meer aan bij de gewoonte, dat Jezus zittend in de synagoge, naar voren liep en de Schrift ging
De eenheid van gemeente en kerkeraad komt hierbij ook beter uit.
Opening en groet
De dienst begint met wat wij met een latijns woord votum noemen. Bedoeld wordt opening. Alles wat daarvoor gebeurt, orgelspel, stil gebed, handdruk, zingen, afkondigen valt buiten de dienst. Het zou goed zijn dat dit gebeuren vóór de dienst ook wat sober gehouden werd.
Pas bij “votum” begint de kerkdienst. Het “votum”, “onze hulp is in de naam van de Here, die hemel en aarde gemaakt heeft”, is ontleend aan Psalm 124: 8. Dit gebruik is al zeer oud en ontleend aan de Roomse mis. Meestal gedraagt men zich alsof dit een gebed is. Ogen worden gesloten en handen gevouwen. Hier is echter sprake van een proclamatie, van de drieënige God, in wiens naam wij de dienst houden. Daarom moeten wij die wel in eerbiedige houding, maar met open ogen aanhoren.
Onmiddellijk na het votum laat de predikant de begroeting horen: “Genade zij u van God onze Vader en onze Here Jezus Christus.” Deze groet, die al in de oudste liturgie voorkomt, is aan de bijbel ontleend. We lezen er bv. Van als Boaz de maaiers tegemoet treedt en op deze wijze heeft de engel ook Maria begroet.
Bij het "votum" doet de vergadering een beroep op Christus. Bij de groet spreekt God door de ambtsdrager tot de gemeente.
Men beschouwt deze groet wel als een zegen en steekt daarom beide handen uit onder het uitspreken.
Dit is niet juist. Het zegenend gebaar komt aan het eind van de dienst.
Na de groet volgt het antwoord van de gemeente. Zij groet haar Heer van haar kant, met een amenlied, de eerste psalm die gezongen wordt. De te kiezen psalm moet daarmee dan ook in overeenstemming zijn.
Overigens zou het beter zijn, dat het amen na de groet ook door de gemeente werd uitgesproken.
Votum en groet gebeuren staande.
We groeten elkaar immers staande. Konsekwent zou zijn, dat het lied van de gemeente ook staande gezongen werd en dan in direkte aansluiting op de begroeting.
Dus zonder nadere aankondiging.
De wederzijdse begroeting heeft plaats gevonden.
Merkwaardig is, dat een ouderling, die voorgaat in een eredienst, waarin een preek gelezen wordt, de groet niet zou mogen brengen. Hij gaat toch ook voor met machtiging van de kerkeraad.
Mijn indruk is, dat de roomse eenmansbediening van de priester hier nog steeds een rol speelt.