Ex libris
1986-03-21
In "Trouw" van 27 februari had ik al gelezen dat het boekje van Hans Werkman, "Vloeken in de moderne literatuur" verschenen was. Ik heb het nu zelf ook gekregen en ik wil beginnen met te zeggen dat ik er heel wat positiever over oordeel dan Van Zweden in "Trouw". Ik vraag me zelfs af: Zou die Van Zweden het boekje wel helemaal gelezen hebben? Hij schrijft: "Het komt op de argeloze lezer van deze brochure wat onthutsend over dat in een cultuur die ooit christelijk heette maar die sinds Verdun en Auschwitz zo ongeveer honderd miljoen levens verwoestte (meestal in de naam van de goden) het gebruik van het woordje god ter sprake wordt gebracht."- Jaargang 30
- nummer 12
Maar Van Zweden heeft natuurlijk helemaal niet een ècht argeloze lezer op het oog! Integendeel, hij denkt aan lezers die zich thuis voelen bij de volgende moderne kreten: "Een cultuur die zich opmaakt om ai wat leeft te verwoesten, en die duizenden Auschwitzen opstapelt om desnoods dertig werelden op te blazen of te vergiftigen, moet niet verbaasd zijn als het woordje god dat aan de basis van dat systeem ligt, mee tuimelt". Dát schrijft Van Zweden in het christelijke Trouw. En daarmee wordt Werkman absoluut geen recht gedaan! Wie niet serieus in wil gaan op de brochure, moet er maar liever helemaal niets over zeggen.
Werkman begint met te vertellen dat "vloeken" ook al in oude literatuur voorkomen, het is echt geen verschijnsel van speciaal ónze tijd. Wat de moderne literatuur betreft, constateert Werkman dat God daar in het algemeen afwezig is, maar dat zijn naam er als een lege huid is achtergebleven. Het woord "God" betekent vaak niet meer dan: ach, au, of hé. Dat is dus, een echt ijdel, dat wil zeggen leeg, zinloos gebruik van de naam van de Allerhoogste. En nu vindt Van Zweden in Trouw het een achterhaald station om ons druk over te maken, maar Werkman schrijft terecht dat God zèlf daar anders over denkt: De Here zal niet onschuldig houden wie zijn naam ijdel gebruikt.
Het misbruik van Gods naam in de literatuur is niet alleen een ijdel gebruik, het getuigt ook van taalarmoede. Aldus Werkman.
Men sleept God bij een situatie waar men Hem niet echt bij wil hebben. Ook de vraag of vloeken in een boek funktioneel kan zijn, komt aan de orde. De zaak is ingewikkelder dan' men wel eens denkt. De schrijver die citeert wat bepaalde mensen zeggen, vloekt niet zèlf; dat doen de personen in zijn boek. Jan den Hartog b.v. geeft gesprekken tussen zeelui weer en daar passen die vloeken in. En in de bijbel komen ook vloeken en vervloekingen voor. Ik heb in Opbouw het probleem al eens aan de orde gesteld: mogen we de bijbel óók als voorbeeld gebruiken en als een norm hanteren als we ons afvragen welke taaluitingen wel of niet geoorloofd zijn?
Het is prettig te merken dat Werkman niet al van te voren zijn mening klaar had en er daarna argumenten bij is gaan zoeken. Hij durft ook uitspraken te doen die niet zo absoluut zijn.
Hij keurt het af als mensen vloeken, maar hij verwijst een boek waarin wèl gevloekt wordt, niet regelrecht naar de brandstapel.
Met instemming citeer ik bovendien het volgende: Christenen hebben overigens wel degelijk indirect gevloekt in boeken, wanneer ze snel God voor hun romankarretje spanden om het verhaal, via een ongeluk met een daarop volgende bekering of zoiets, naar een romantisch en gelukkig einde te rijden. Dit is niet alleen een ijdel gebruik van de naam van God, maar zo'n auteur probeert God zelf te misbruiken.
Ook is het mogelijk dat een boek te "room is, dat er te veel God en godsdienst .in gestopt is.
Zelfs psalmberijmingen en geestelijke liederen kunnen de naam van God ijdel gebruiken, wanneer ze "Heer" al te vlot laten rijmen op "eer" en "God" op "lot".
Kijk, zoiets is me wit het hart gegrepen. We zijn er niet klaar mee boeken alleen maar fel te veroordelen omdat erin "gevloekt" wordt, we mogen ook wel eens oog krijgen voor het heel bedenkelijke in menige zogenaamd christelijke roman of dichtbundel. Trouwens, is in de kerkgeschiedenis Gods naam ook niet dikwijls léég, ijdel, gebruikt, bijvoorbeeld als men medebroeders en -zusters volkomen ten onrechte ging schorsen of uitwerpen?
Ik ben ervan overtuigd dat de Here hen die dat deden, geenszins onschuldig zal houden.
Er staan in deze brochure dingen waarop ik misschien nog wel eens terugkom. Ik denk b.v. dat het niet zo duidelijk is wàt we onder "Vloeken" moeten verstaan.
Er zal ook verschil gemaakt moeten worden met "godslastering". En ik vraag me, eerlijk gezegd, af: betekent het overbekende Nederlandse gvd ècht een zelfvervloeking: God verdoeme mij? Het lijkt me niet uitgesloten, ook taalkundig niet, dat het om een aanvoegende wijs gaat, zonder lijdend voorwerp.
Dan is het vooral een vervloeking van een situatie of gebeurtenis.
Niet dat ik daarmee wil zeggen dat de vloek minder erg is, maar het kan wèl tot een andersoortige benadering leiden.
Voorlopig stop ik weer. De brochure van Hans Werkman heet: Vloeken in de moderne literatuur.
Zij is uitgegeven bij Buijten en Schipperheijn en kost f 5,-
Aanbevolen!