Nog eens: de Chr. Gereformeerde Kerken en onze kerken
1986-10-17
In de tijd van de Vrijmaking werd van Chr. Gereformeerde zijde aan de toenmalige "bezwaarden" gevraagd waarom zij tot kerk-instituering overgingen; lag het niet veel meer voor de hand dat aansluiting werd gezocht bij die kerken, die al in 1892 afstand namen van bepaalde leringen van A. Kuyper, zoals de veronderstelde wedergeboorte.- Jaargang 30
- nummer 40
Het is in die tijd o.a. door Prof. dr K. Schilder overwogen, maar nagelaten omdat eerst de Gereformeerde Kerken tot vrijmaking moesten worden opgeroepen. Daarna zouden de vrijgemaakte kerken contact zoeken met de Chr. Gerei. Kerken om tot vereniging te komen.
In de belijdenis wordt gesproken van de éne ware kerk, niet van een aantal meer of minder zuivere kerken en daarom moeten kerken die de merktekenen, in art 29 van de Ned. Gel. Bel. genoemd, vertonen, samenkomen naar het bevel van Christus.
Wann·eer een kerk dit weigert en in het isolement verhardt, dreigt zo'n kerk tot secte te verworden.
Zo was ongeveer het algemeen gevoelen binnen ·de vrijgemaakte kerken.
Met deze roeping tot eenheid t.a.v. de Chr. Geref. Kerken is men ernstig bezig geweest en zo kwamen er al spoedig samensprekingen niet om wat stichtelijk bezig te zijn, maar om tot vereniging te komen.
Van chr. geref. zijde heeft men de "vrijgemaakte" aandrang niet altijd recht verstaan en het steeds weer beklemtonen van de eis tot samengaan is wel eens overgekomen als een soort gedram.
Op de synode van Rotterdam-Delfshaven 1963/64 kwam de verhouding tot de Chr. Geref. Kerken in 'een uitvoerig debat opnieuw aan de orde.
Er was· 'teleurstelling dat er in al de jaren sinds 1946 zo weinig vorderingen op de weg naar eenheid waren.
De samenwerking van de kerken in Eindhoven gaf een nieuwe stimulans; een wolkje als eens mans hand. .
De "koppen" boven de verslagen van de diskussie ter synode in de pers: "Chr. Gerei. Kerken moeten kiezen tussen ons en ·de gere], gezindte", Nederl. Dagblad - "Christ. Gereformeerden moeten ja of neen zeggen", Nw. R.C. toonden aan dat verschillend en van de synodeleden aan het eind van hun geduld dreigden te geraken.
Opvallend is dat - ruim twintig jaar geleden - dezelfde onderwerpen als prediking en toeëigening van het heil de moeiten veroorzaakten, daarbij kwam in die dagen de leer over de kerk.
Wat valt hieruit nu te leren. In de eerste plaats dat onze kerken in prediking en leer in veel overeenstemming met de Geref. Kerken Vrijgemaakt; daarbij kan nog worden opgemerkt dat de prediking het eerste kenmerk van de ware kerk is!
Vervolgens moeten we constateren dat de opvatting dat de eenheid van de kerk bepaald wordt door het aanvaarden van Schrift, belijdenis en gereformeerde kerkregering en daarom kerken van éénzelfde belijden geroepen zijn aanstonds tot vereniging over te gaan, in de praktijk niet juist blijkt te zijn en daarom een zekere correctie behoeft.
Wanneer het gaat om eenheid van' kerkelijk samenleven spelen meer factoren een rol, zoals duidelijk gebleken ·is in de contacten met de Chr. Geref. Kerken van ·1946 tot heden.
Wat is namelijk het geval.
Laat ik proberen dit duidelijk te maken door een vergelijking met een gereformeerde school.
Wanneer een schoolvereniging is opgericht en in de statuten waterdicht is vastgelegd dat het onderwijs aan de kinderen zal worden gegeven in overeenstemming met de gereformeerde belijdenis, onder het gezag van Gods Woord; wanneer de leerkrachten de grondslag van harte aanvaarden en het benodigd aantal kinderen zich meldt, dan is men niet klaar met de "reformatie" van het onderwijs, maar pas aan het begin. Er zal nu gebouwd moeten worden op het vaste fundament door bestuur, onderwijzers, ouders en kinderen en hoe zal men - bouwen.
Hetzelfde geldt voor de gereformeerde kerk met belijdenis en kerkorde. Wanneer de "papieren" van de kerk in orde zijn moet het kerkelijk leven zich gaan ontplooien en gaan de merktekenen van de christenen een woordje meespreken.
Vóór de scheuring hoorde ik in de talloze gesprekken over de kerk meermalen beweren: wanneer in een plaats in de Geref. Kerk (vrijgemaakt) slechts veertig procent of minder zalig wordt en in de andere (syn.) kerk tachtig procent, dan zijn we nog de ware kerk.
Niet zo lang geleden hoorde ik deze uiteenzetting weer.
De vraag moet dan gesteld worden wat "ware" kerk inhoudt.
Het is niet alleen een zaak van de juiste papieren met strikte handhaving, maar evenzeer een zaak van waarachtige geestelijke verbondenheid aan Jezus Christus ons Hoofd.
Waar gaat het in de kerk anders om dan om rechtvaardiging en heiliging van zondaren tot eer van onze God.
De eenheid in de kerk is een verbondenheid van leer en leven in Christus. Daarom zijn er bij het streven naar eenheid b.v. tussen de Chr. Geref. Kerken en ons, meer factoren die aandacht moeten hebben.
Het is erg moeilijk om daarop een greep te krijgen.
In het C.O.G.G. zijn we voortdurend met de vragen rond eenheid en verdeeldheid bezig en dat is in alle verwarring en verdeeldheid een heel moeizame zaak.
Kort geleden hield ds C. Mak een causerie over: Spiritualiteit in de kerkelijke verdeeldheid.
Bij het woord spiritualiteit denken we aan de uitingen van geestelijk leven in geloof en verbondenheid aan Christus.
We komen veel makkelijker tot een gesprek over de kerk dan tot een gesprek over de omgang met den Here en zijn beloften.
Wat valt er te zeggen over de spiritualiteit in onze kerken en ligt daar mogelijk de moeite met onze chr. geref. broeders en zusters.
In de Vrijmaking was aan de orde de vraag hoe We de gedoopte kinderen moesten beschouwen. Waren ze al dan niet wedergeboren?
Het is voor het leven van het geloof en bij de opvoeding van de kinderen een belangrijke vraag of zij echt tot het verbond behoren en de hand mogen leggen op Gods beloften.
Verwonderlijk is echter dat bij alle strijd in die dagen er in de praktijk van het christelijk leven niet zoveel verschil was. In de Geref. Kerken (syn.) werd niet minder 'dan onder ons vastgehouden aan wat de Dordtse Leerregels ons voorhouden over jong gestorven kinderen. Ook al waren er die hieruit de conclusie trokken dat het jonggestorven kind dus wedergeboren was en dus de gedoopte kinderen voor wedergeboren gehouden moeten worden; bij de opvoeding werd het kind gewezen op Gods beloften en de roeping die aan te nemen. , In de vrijgemaakte kerken werden broeders en zusters die "het houden voor wedergeboren" aanvaardden aanvankelijk van harte opgenomen, wanneer ze "kerkrechtelijk" of anderszins bezwaard waren.
Het dogmatisch conflict van die jaren heeft niet zo veel invloed gehad op het geestelijk leven in gezin en kerk.
Het is anders geworden in de vrijgemaakte kerken toen gedachten: over de doorgaande reformatie, die moest opbloeien uit de schoot van de ware kerk via prediking en pers (Het Gereformeerd Gezinsblad) breed ·gepropageerd werden.
Nu hebben alle vrijgemaakten gemeen dat wanneer ze elkaar ontmoeten het gesprek al gauw op de kerk komt.
Er kwam langzamerhand een verandering in de kerken die van invloed was op het geestelijk leven, In mijn eerste gemeente ben ik indertijd geschrokken van het feit dat voor sommigen en later voor velen het eerste en grote gebod was: de vrijmaking en het tweede daaraan gelijk: de doorgaande reformatie.
Men was goed-vrijgemaakt, wanneer de vrijmaking een werk des Heren, een uitleiding van zijn volk werd genoemd én men voorts voorstander was van het G.P.V. en het hele pakket vrijgemaakte organisaties.
Al kwamen de mensen trouw naar de kerk, leefden ze hartelijk mee, wanneer - ze niet voor de doorgaande reformatie waren werden ze gezien als kerkelijke randfiguren en als ze bladen als "de Roeper"
en "Contact" lazen was het een foute boel.
Dit heeft het kerkelijk en geestelijk leven in die jaren gestempeld en zo ontwikkelde zich actieve gemeenten, die van alles organiseerden, aangemoedigd en gevoed door de prediking (niet van allen!).
Samenwerking met andere christenen was taboe geworden en het gezinsblad riep dagelijks op tot de strijd.
De( gesprekken vlotten niet zo erg wanneer het ging om bet persoonlijk geloof, de band aan Christus, het werk van de Geest om maar niet te spreken van het bevindelijk leven; men sprak al. gauw van mystiek.
In onze Nederl. Geref. Kerken werken de invloeden van deze beweging nog steeds door. Wanneer we nu even naar de Chr.
Geref. Kerken zien valt op dat men daar geen moeite heeft als het gaat om samenwerking met gelovigen van andere kerken. ' Men bleef daar over het algemeen trouw aan de christelijke organisaties en hoe hartelijk werkt men samen bij de evangelische omroep onder voorzitterschap van een gereformeerd man als ds J. H. Velema.
Ui ervaring weet ik dat men ook in de evangelisatie de samenwerking met anderen niet schuwt.
De verschillen in deze kerken liggen anders.
In het geestelijk leven is aandacht voor de bevinding en ten aanzien van de gedoopte kinderen wordt sterke nadruk gelegd op de eis van wedergeboorte en bekering.
Het wil mij voorkomen dat -wanneer we meer aandacht geven aan het verschil in spiritualiteit we mogelijk ontdekken wat ons toch ontbreekt om nader tot elkaar te komen.
Er zou nog veel te zeggen zijn, maar de ruimte is op.