ONZE EREDIENST

1986-03-28
  • Jaargang 30
  • nummer 13

De wetslezing
Bij de eerste christelijke gemeenten moest men zich thuis op de dienst voorbereiden. In de "Didachè" of "Leer der Twaalf Apostelen", een geschrift van ongeveer 100 na Christus lezen we: “belijdt tevoren uw zonden; opdat uw offer heilig zij."
In later tijd is de schuldbelijdenis in de dienst zelf opgenomen. Ook Calvijn heeft deze schuldbelijdenis overgenomen. Na de schuldbelijdenis kwam de genadeverkondiging en tenslotte werd als loflied de wet gezongen. Overigens liet Calvijn het zingen van de wet ook wel eens na en verving dit door een gebed. In veel buitenlandse kerken heeft men de schuldbelijdenis en genadeverkondiging gehandhaafd, maar het lezeri van de wet afgeschaft. In de Ned. Herv. kerken kreeg de schuldbelijdenis in 1955 weer een plaats, maar later zijn daar weer bezwaren tegen gerezen. Bij ons is alleen de wet gehandhaafd.

Bij een kerkdienst, die een ontmoeting moet zijn van God en zijn volk, moeten wij niet slechts bepaald worden bij de waarheid, maar ook bij de waarheid van onze zonde. Men kan zeggen dat dit vooraf thuis gebeuren moet, maar de praktijk leert dat daarvan niet veel terecht komt.
Bij de liturgie van Calvijn komt het leven des geloofs, zoals de catechismus dat onderscheidt in ellende, verlossing en dankbaarheid, ook beter uit.
Daar is verschil over de vraag of elke zondag de wet uit Mozes of Deuteronomium dient gelezen te worden.
Nu moet in de eerste plaats opgemerkt worden, dat we in onze kerkdiensten eigenlijk niet de wet lezen. We lezen om het in meer bijbelse termen te zeggen de tien woorden of wel de tien verbondswoorden.
De wet, dat zijn alle boeken van Mozes.
Daar tegenover wordt ook wel gesteld, dat hetgeen God nu onder het nieuwe verbond van ons verlangt, veel duidelijker ons voorgehouden wordt in schriftgedeelten als Efeze 4 en Collo 5.
Zo heeft prof. Oosterhof eens opgemerkt, dat de decaloog wel een eigen plaats en bijzondere betekenis heeft, maar dat men deze toch niet als op zichzelf staande moet beschouwen en 'afscheiden van andere wetten, de burgerlijke en de ceremoniële, zodat men de laatste als vervallen, maar de decaloog voor eeuwig geldend verklaart. Volgens deze opvatting is het eenzijdig om wel de decaloog, maar b.v.
niet Deutr. 4, 5, 6, 7, 8 en 9 of gedeelten 'uit de Bergrede of brieven van Paulus te lellen.
Naar mijn opvatting heeft prof. Oosterhof gelijk. De eenzijdige nadruk op de decaloog heeft voor onze ethiek ook nadelige gevolgen gehad. Men kan dat bemerken, om slechts één voorbeeld te noemen, aan de wijze waarop het gebod van de sabbath vaak mishandeld is. De barmhartigheid die hierin gepredikt wordt is aan velen totaal voorbijgegaan.
Waarom lezen we op zondagmorgen de decaloog? Vaak wordt gesteld, dat dit gebeurt om tot kennis van ellende te komen.
Calvijn is een andere mening toegedaan. Hij laat de schuldbelijdenis en de genadeverkondiging dan ook voorafgaan en daarna volgt als regel der dankbaarheid het zingen van de wet.
Calvijn en ook Kuyper zijn van oordeel, dat de wetslezing alleen dienst kan doen als regel der dankbaarheid en niet als kenbron der ellende.
Misschien is dat laatste iets te sterk: uitgedrukt. We onderscheiden wel ellende, verlossing en dankbaarheid, maar we mogen ze niet scheiden. Wel is waar, dacht ik, dat het hier primair gaat om de dankbaarheid. Zoals ook in de catechismus de decaloog een plaats heeft bij de dankbaarheid.
Er zijn dus wel enkele meningsverschillen over de decaloog.
Voor ons is nu de vraag wat de meest praktische oplossing is gezien de nogal uiteenlopende opvattingen over de plaatsen de funktie van de decaloog.
Het is in dit geval verstandig zo goed mogelijk rekening te houden met de verschillende opvattingen bij een regeling van de liturgie.
Naar mijn opvatting zou het goed zijn, dat naar de regels die Calvijn opstelde, na de schuldbelijdenis en genadeverkondiging lezing uit de wet plaats vindt.
Daarbij dient de decaloog een belangrijke plaats in te nemen.
Aan de andere kant is verwaarlozing van. andere gedeelten van de Schrift, waarin de wet van God tot ons komt, niet juist.
Om aan de gevoelens van alle gemeenteleden tegemoet te komen en tevens om het element van sleur en daardoor van niet bewust meedoen te voorkomen, zou afwisselend de ene keer de decaloog uit Exodus of Deuteronomium gelezen kunnen worden, terwijl de andere keer de zogenaamde hoofdsom van de wet wordt gelezen, gevolgd door een gedeelte uit de Schrift, dat een deel van de wet behandelt. Bij de viering van het H. Avondmaal zou men zich kunnen beperken tot de hoofdsom van de wet.
Dit lijkt een soort kompromisoplossing.
Het zij zo, maar men kan er toch moeilijk een Schriftuurlijk bezwaar tegen maken.
Ook in de kerk moeren we rekening houden met de gevoelens van andere broeders en zusters, ook al delen we zelf die gevoelens niet ten volle, Dat is naar hetgeen Christus ons zegt over de verhouding tot de naaste, die we moeten liefhebben als onszelf.
En dat gebod geldt wederzijds.
Ik denk dan aan het bekende antwoord van de oude ds Gispen. Toen men hem eens vroeg, waarom hij op zondag, als hij naar een ver gelegen kerk moest, niet van de tram gebruik maakte, antwoordde: dat mag wel van mijn Vader maar niet van mijn broeders.
Zo moeten we ook met betrekking tot liturgische vragen met elkaar omgaan.
Tenslotte, het lezen uit de wet wordt door de gemeente beantwoord door het zingen van een amenlied. Het meest gewenst is een loflied, waarmede wij de wet beamen. Staande houding is hierbij wel aan te bevelen.

Woordverkondiging
Wanneer men aan een gereformeerd mens de vraag stelt wat nu het hoofdmoment van de eredienst is, zal in veel gevallen het antwoord zijn: de preek. Dit antwoord is niet onbegrijpelijk. Men was vroeger erg bang om voor andere gedeelten van de eredienst meer tijd in te ruimen.
De volle nadruk moest op de preek gelegd worden.
Volgens Milo (Zangers en Speelieden, blz. 130) had in de dertiger jaren de predikant de gewoonte voor preek en gebed gemiddeld 6 maal zoveel tijd te nemen als de gemeente voor haar zang krijgt toebedeeld. En dat in een eredienst van mondige profeten, priesters en koningen.
Milo deelt ook mee, dat bij Calvijn de preek 15 tot 20 minuten duurde.
In de jaren, dat de preek zoveel tijd vroeg werd de kerkdienst bij velen alleen goed bevonden als een welsprekend kanselredenaar zijn gehoor minstens een uur lang wist te boeien door zijn oratische talenten. Men had dan ook de neiging het Woord van God te identificeren met de preek van de dienaar.
Hier klopte iets niet. Het is juist op te komen voor de kracht van Gods Woord, maar het is niet juist alle aspekten van Gods Woord op te sluiten in de preek.
Het hoogtepunt van de eredienst moet de Schriftlezing zijn. Dat is immers het moment, om de woorden van dr H. Jonker te gebruiken, waarop God zelf, door zijn profeten, psalmisten en apostelen en door zijn Zoon Jezus Christus rechtstreeks tot ons spreekt. Er wordt wel eens de indruk gewekt, dat de Schriftlezing maar een bijkomstigheid is. De Schriftlezing is, en nu spreek ik Milo na, een op zich zelf staand deel van de eredienst, die niet mag worden verwaarloosd, zoals wel geschiedt.
Schriftlezing en prediking vormen samen de Woordverkondiging.
Het is gewenst, dat deze Schriftlezing volgt na het gebed om de verlichting met de Heilige Geest.
Het is ook gewenst, dat Schriftlezing en prediking, omdat ze beide tot de Woordverkondiging behoren, Zo dicht mogelijk bij elkaar liggen.
De prediking is in de loop der jaren nog al wat van karakter veranderd.
De eerste christenen kenden onze preekdiensten niet. Na de Schriftlezing kwam er een bespreking, uitleg en toepassing van het voorgelezen Schriftgedeelte.
Het was dus meer een Bijbellezing, waarin de Schrift verklaard werd om zo de geloofskennis te vermeerderen en de geloofsbeleving te bevorderen, In later tijd, toen de kerk staatskerk werd en men de beschikking kreeg over grote kerkgebouwen kwam de preek als rede in zwang. We kregen kanselredenaars.
De prediking werd "leerrede" en de gemeente werd "hoorgemeente". De kerkdienst kreeg het karakter van een Iezingachtige samenkomst van sprekers en hoorders. De kerkgang betekende niet anders dan het luisteren naar de preek en het eventueel beoordelen van de theologische inzichten van de prediker, waarbij ter afwisseling ook nog werd gezongen en gebeden.
Prof. dr C. Trimp stelt in "Woord, water en wijn" dat God een hoorreligie geboden heeft, maar dat is in elk geval nog al eenzijdig.
De boven geschetste ontwikkeling wijkt ook sterk af van de oorspronkelijke bedoeling van de samenkomsten van de eerste christelijke gemeenten, die ook een veel spontaner, karakter droegen.
Zo waren de kerkgangers, bij een preek van Augustinus veel meer betrokken. Men betoonde luid bijval. Men onderbrak de prediker met interrupties en vragen. Nu lijkt me een dialoogprediking niet goed mogelijk, maar er zijn toch wel andere manieren om de kerkgangers er meer bij te betrekken.
Zelf maakte ik het begin februari in een dienst in Washington mee, dat de hoorders af en toe luid applaudiseerden, wanneer een opmerking van de predikant hen bijzonder trof.
Het maakte het geheel in elk geval wat levendiger.
Het is ook niet zo vreemd, dat in onze tijd de preek nog al in discussie is. Het woord heeft aan kracht ingeboet. Men is meer visueel ingesteld. Daar komt nog bij, dat de moderne communicatiemedia de mensen heeft verleerd lange monologen aan te horen.
Al moet de onmisbaarheid van de woordverkondiging gehandhaafd worden, er zal wel gerekend moeten worden met het feit, dat een doorsnee kerkganger eenvoudig niet in staat iseen preek van 45 minuten aan te horen en te volgen. Het is verstandig de preek niet langer te maken dan 20 tot 25 minuten.
Dat is ook geen ramp. Veel preken worden nog altijd ontsierd door onnodige herhalingen. Waren wij vroeger wel in staat een preek van een uur aan te horen?
Het was dan nodig de preek te onderbreken met het zingen van een psalmvers. In die tijd werd naar mijn ervaring ook veel meer in de kerk geslapen.
Verder mag niet voorbij gezien worden, dat we opgeroepen worden te reageren op de verkondiging van Gods Woord. We zijn niet slechts luisteraars. We zijn mede verantwoordelijk. We moeten meedoen. Daarvoor schept de liturgie de mogelijkheid.
Woordverkondiging en liturgie behoren bij elkaar.
Zo was het ook bij de liturgie van Calvijn. Er was een heen en weergaande beweging tussen kansel en gemeente waardoor er duidelijk een samenspraak ontstond tussen God en zijn volk.
De gemeente krijgt door de liturgie de gelegenheid te reageren op het Woord Gods door schuldbelijdenis, aanbidding, lofprijzing, offerande en dienstbetoon in en buiten de samenkomst der gemeente.
De prediking moet er dan ook op gericht zijn de gemeente te betrekken in de samenspraak van God en mens.

Na de preek
Wanneer de preek beëindigd is, zegt de predikant "amen". Dit woord is een antwoord op wat een ander heeft gezegd. Een verklaring, dat men het gehoorde ter harte zal nemen. Het is dus wat vreemd, dat de predikant dit amen laat horen. De gemeente behoort amen te zeggen op de prediking. Uiteraard kan er ook een amenlied gezongen worden.
Onjuist lijkt me een gewoonte, die in onze kerken steeds meer ingang vindt, nl. dat telkens weer een versje gezongen wordt, Het zingen wordt dan als een soort garnering gebruikt. Beter is het om in navolging van Calvijn niet te vaak te laten zingen, maar wel hele psalmen of aansluitende verzen.
In de middagdienst kan men het beste na de prediking de geloofsbelijdenis zingen. Dat is dan het lied van instemming op de aangehoorde Evangelieverkondiging. En dan bij voorkeur de apostolische geloofsbelijdenis.
De geloofsbelijdenis van Nicea is, om met Calvijn te spreken, nogal pronkerig in de woordkeus.
Ook het kollekteren behoort tot de eredienst.
Dat was in het begin van de Reformatie niet het geval. Kollekteren was toen ook erg moeilijk, omdat de kerkmensen wanordelijk door elkaar zaten.
Terecht wordt nu echter gesteld, dat de kollekten een wezenlijk onderdeel van de eredienst zijn.
Ze zijn evenals het gebed en het gezang een reaktie op Gods Woord. Het zijn symbolen van ons rentmeesterschap over de goederen van Christus. Het is daarom ook goed, dat aan de kollekte aandacht besteed wordt, bv. door een korte toelichting op het doel van de kollekte.
Deze mag geen sleur zijn.
Er behoort als regel slechts 1 collecte gehouden te worden, anders wordt deze in kwalitatieve zin uitgehold.
Aan het eind van de dienst plegen we, terecht, te zingen. Dat zal als regel een lofzang zijn.
Daarna spreekt de predikant de zegen uit: "De genade van de Here Jezus Christus en de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen."
Sommige predikanten laten hierbij het werkwoord weg. Blijkbaar, omdat dit in het Grieks niet voorkomt. Vergeten wordt, dat dit geen goed Nederlands is.
Op de kansel behoort geen Grieks, maar Nederlands gesproken te worden.
Bij deze zegen maakt de predikant een zegenend gebaar. Dit moet een sober gebaar zijn, waarbij de handen niet hoger dan op schouderhoogte komen.
Merkwaardig is, dat de dienaar des Woords ook weer het amen uitspreekt. Dat zou de gemeente moeten doen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief