Het Liedboek
1986-03-28
- Jaargang 30
- nummer 13
Lied 339
De aanvang van de eerste 3 strofen: "wie ingaat tot dit water" en van de 4e strofe: "en opstaand uit dit water" brengt o.i. de beperking mee dat dit Lied gezongen wordt bij de volwassendoop en dan nog bij voorkeur door onderdompeling. Opmerkelijk in dit verband is dat. Deze dichter bij het volgende lied (340) schrijft: "bij de opgenomen doopliederen was er niet één, dat op de doop van volwassenen was afgestemd"
(Comp. p. 772).
De liefde van God de Vader, de genade van de Zoon en de gemeenschap van de H. Geest krijgen successievelijk in de strofen 1 t/m 3 accent, terwijl in de 4e strofe het effect van de wedergeboorte wordt aangeduid. Enig bezwaar voor het gebruik is dat de tekst niet in alle opzichten even duidelijk is.
De melodie is goed, maar niet gemakkelijk, al zegt de componist: "ze voegt zich geheel naar de tekst; ze laat zich zonder moeite in een veerkrachtig tempo zingen."
Tekst: 2; melodie: 2.
Lied 340
Bij de beoordeling van het voorafgaande is reeds iets gezegd over de plaats van dit Lied in de liturgie. Vergelijking van beide doet ons de voorkeur uitspreken voor het eerste lied (339). Dit vanwege de tamelijk zwakke tekst en de weinig bemoedigende woorden: "Heer, zie ons aarzelend staan" (strofe 1) en "wij moeten kiezen voor U" (strofe 2). De geloofskeuze spreekt hier toch te terughoudend.
De melodie is tamelijk moeilijk.
Tekst: 2; melodie: 2.
Lied 341
Een goed, schriftuurlijk Lied bestemd voor de zondag waarin de belijdenis van' doopledencentraal staat, waarbij het gelovig spreken verbonden wordt met het volbrengen van goede werken.
De inhoud is zo geformuleerd dat duidelijk tot uiting komt wat de bijbel zegt over woord en daad en de verhouding tussen die beide. "Met een kerkelijke versie van 'geen woorden maar daden' is naar mijn mening niemand gebaat, maar ik hoop wèl met een lied als dit", aldus de dichter.
De voortreffelijke melodie is I ook gebruikt voor lied 90.
Tekst: 3; melodie: 3.
Lied 342
Hoewel bij het lezen van de tekst van dit Lied niet aanstonds de conclusie voor de hand ligt.
dat we hier te maken hebben met een "dooplied", is dit volgens de dichter zelf toch wel de bedoeling geweest: "Het is duidelijk een dooplied en de gemeente en haar (volwassen) dopelingen geven door het zingen van dit lied uiting aan hun verlangen te mogen staan in de traditie van de Schrift (strofe 1) en de getuigen (strofe 2) en het koninkrijk te vieren (strofe 3) en te verkondigen (strofe 4)". (Comp. p. 775).
Overigens munt de tekst o.i. niet uit door duidelijkheid en is de zinsconstructie niet eenvoudig.
De vraagstelling in strofe 3 lijkt verder de vastigheid van strofe 1 wat in de sfeer van onzekerheid te trekken . . .
De melodie geeft wat moeilijkheden in combinatie met de tekst Tekst: 2; melodie: 2.
Lied 343
"Als dooplied is dit Lied bedoeld.
Daarbij is speciaal gedacht aan de doopsgezinde praktijk van doop op persoonlijk beleden geloof. Dit geloof als blijk van wedergeboorte en bekering geldt daar als enige legitieme voorwaarde, waarop gedoopt mag worden.
De tekst van gezang 343 beweegt zich tussen de polen, of Liever de brandpunten, waaraan vanouds het dopers gevoelen ten aanzien van de doop zich vasthield: de notie van de wedergeboorte uit Johannes 3 en de Paulinische doopleer uit Rom. 6”, zo verduidelijkt de dichter zelf dit lied (Comp. p. 776).
Dit neemt niet weg dat de tekst in verschillende opzichten nogal onduidelijk is, zoals b.v. de zinsconstructie in strofe 2. En is het juist om te spreken van "een nieuwe mens, die voortaan vrij mag leven, bevrijd van zonde"? (strofe 3).
Wat de melodie betreft: onbekend, maar niet moeilijk. "Soepel en licht gezongen komt de melodie uiteraard het meest tot haar recht", zegt de componist.
Tekst: 2; melodie: 3.
Lied 344
Het gaat in dit Lied om "de rechtvaardiging uit het geloof, niet uit de werken der wet, en om de bevrijding van de mens uit de dodelijke geconcentreerdheid van zijn zondig ik". (Comp. p. 778).
Het oorspronkelijke lied telde 14 strofen en is thans in een gecomprimeerde vorm vrij weergegeven in de 5 strofen van dit lied.
De melodie is zeer algemeen verbreid geweest en komt o.m. voor in Valerius' Gedenckklanck.
"Ze moet vooral niet te snel worden gezongen".
Tekst: 3; melodie: 3.
Lied 345
Dit Lied "heeft iets van een leerdicht, het mediteert als een rabbijn over de verhalen uit de Schrift, het rijgt de beelden tot een snoer" (Comp. p. 780). Het lied draagt een enigszins speels karakter, maar vanwege de door elkaar en over elkaar vallende beelden, komt de onderlinge samenhang wel wat in 't gedrang en is het verband vaak moeilijk te vatten.
Afgezien hiervan is de tekst op zich ook niet duidelijk: Wat is de zin van de laatste regels van strofe 3: "Gij doet wonder boven wonder, draag ons naar de overkant" en wie wordt bedoeld met de woorden "die als Jona in het water ... " (strofe 4).
We achten het inhoudelijk naar stijl en woordkeus niet geschikt voor de gemeentezang.
De melodie vereist wel enige oefening vooraf.
Tekst: 2; melodie: 3.
Lied 346
Waarschijnlijk moeten we voor het antwoord op de vraag naar inhoud en functie van dit Lied terug naar de 6e eeuw. "Het grote thema van het lied is de vergelijking van de uittocht uit Egypte met de bevrijding teweeggebracht door Christus' lijden en opstanding" (Comp. p. 781). Het draagt een merkwaardig apart karakter en is niet alleen uitzonderlijk in zijn liturgische functie, maar ook in zijn taalgebruik, dat toch enigszins rooms aandoet. Vanwege deze kenmerken is het dan ook moeilijk in onze liturgie in te passen.
Wat de melodie aangaat: het is duidelijk dat die van psalm 104 hieraan is ontleend.
Tekst: 1; melodie: 3.
A. t.a.v. de tekst der liederen: het cijfer 1 bij niet voluit Schriftuurlijke tekst, b.v. vanwege het humanistisch karakter of door een sterke piëtistische inslag; het cijfer 2 bij een weliswaar Schriftuurlijke, maar niet direct begrijpelijke, en aanspreekbare tekst; het cijfer 3 als de tekst volkomen Schriftuurlijk en zonder meer verstaanbaar is.
B. t.a.v. de melodie. der liederen: bet cijfer 1 voor een niet-aanvaardbare melodie; het cijfer 2 voor een onbekende melodie die na enige oefening, eventueel met behulp van een koor, door de gemeente wel te zingen is en voorts ook voor een melodie die niet bepaald tot "de beste" behoort; het cijfer 3 voor "een goede" melodie, geschikt voor de gemeentezang.