Geloven: vrede met God
1985-07-05
Als we in de gemeente eens zouden rondvragen: wat is geloven?zouden de antwoorden variëren. De een zou zijn hart leggen in een weergave van antw. 21 van de catechismus ; een ander zou Hebr. 11: 1 citeren; een derde zal zeggen: geloven betekent voor mij dat ik alles aanneem wat in de bijbel staat; letter voor letter; een vierde misschien: heel die bijbel letterlijk nemen gaat me te ver, maar ik leer uit die bijbel wel dat de Here altijd voor me wil zorgen. De eerste twee antwoorden tenderen naar een definitie de beide andere naar de weergave van een uitgangspunt voor het leven. - Jaargang 29
- nummer 27
Nu gaat het er niet om, alle mogelijke antwoorden op de vraag: wat is geloven? te analyseren, om tenslotte met een omschrijving te komen, die alle aspecten van geloven omvat. Ik denk niet, dat zo'n poging zou slagen. Geloven is n.l. een manier van leven en daarom, net zo min als het leven zelf, te vangen in een definitie of omschrijving. Over die manier van leven willen we deze maand iets uit de Schrift naar voren halen.
Geloven is een manier van leven, omdat de gelovende mens heel zijn doen en laten ziet in relatie tot God, Hij weet zich verantwoordelijk tegenover de God, die hij uit de Bijbel kent als zijn Schepper en als, zijn Vader in Christus. De gelovige mens zegt met de apostel Paulus: wij ... hebben vrede met God ... Dat is de hoofdzin in Romeinen 5: 1.
Vrede tussen God en mensen is er niet vanzelf. Dat maakt de tekst duidelijk door de toevoeging: wij, die gerechtvaardigd zijn uit het geloof. De vrede tussen God en mensen is een herstelde vrede; ze houdt in, dat aan Gods kant de toorn geweken is, en aan onze kant het verzet opgegeven. Wij spreken van herstelde vrede omdat ze er aan het begin ook was. De Here schiep de man naar Zijn beeld en gelijkenis. Hij gaf de mens macht over al het geschapene en ging vriendschappelijk met hem om. God en mens waren bondgenoten. De zondeval maakte aan die vrede een einde. Ze betekende: opstand van de mens tegen zijn God, vijandschap. Sindsdien moet van de mens gezegd worden, dat zijn gezindheid, de richting van ar zijn denken en gevoelen, vijandschap is tegen God (Romeinen 8:7).
De Vijandschap betekende ook dat de mens zich afsloot voor de kennis van God. Met het erkennen van de Here verdween ook het kennen. Dat schreef Paulus in Romeinen 1:18 e.v.: God heeft alles wat van Hem gekend kan worden, bekend gemaakt maar mensen houden de waarheid in gerechtigheid ten onder. Ze kenden God, maar hebben Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, Hun overleggingen, zijn op niets uitgelopen en het is duister geworden in hun onverstandig, hart. God heeft, zegt Paulus op de Areopagus in Athene (Handelingen 17: 26), de mensen gemaakt om op aarde te wonen en Hij heeft de hun toegemeten woonplaatsen bepaald, opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten.. De mens zonder God werd een hulpeloze zoeker: hij vermag de vrede niet te vinden, hij tast rond in het duister, vervreemd van het leven Gods. Zonder hoop en zonder God in de wereld (Efeze 2: 12,4 : 18).
In Christus zoekt God de verdwaalde mens op.
Romeinen 5, 6 zegt: Christus is, toen wij nog zwak waren, voor goddelozen, gestorven. Vers 8: Christus IS voor ons gestorven; toen wij nog zondaren waren.
Vers 10: we zijn met, God verzoend, door de dood van Zijn Zoon, toen wij nog vijanden, waren.
Zwak –goddelozen - zondaren - vijanden: voor zulke mensen stierf de Here Jezus Christus. Zo bracht Hij de verzoening tot stand. Door te sterven (vss 7 en 8 attenderen op het grote wonder van Gods liefde daarin) haalde Christus' weg wat de goede verhouding tussen God en mens blokkeerde: onze schuld. Zijn dood bracht vrede. Gods eigen Zoon nam' onze plaats in: Hij werd een tweede Adam, Over Hem ontlaadde zich de toorn van God, tot inde dood.
Als de apostel over de dood van Christus gesproken heeft,gaat hij onmiddellijk verder met diens leven.. Zo doet hij' dat ook in 8 : 34 en 4 : 25, resp: Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte ... en: die is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging.
Zijn 'we met' God, verzoend door de dood van Zijn Zoon, wat moet diens leven dan. wel niét voor ons betekenen? Niets, minder dan behoud. We worden gered uit de toorn van God. Jezus' Christus droeg die, en kwam er door. Dat is één van de betekenissen van Zijn opstanding. Daarom is in het heilswerk van de Here Jezus Christus die opstanding ook onmisbaar, evenals trouwens: Zijn hemelvaart en Zijn heerlijkheid en Zijn wederkomst, We zouden aan de liefde van Gord -en aan de grootheid van Christus' werk tekort doen, als we sprekend en zingend van de verlossing, zouden ophouden bij Zijn dood aan het kruis. Op het paasfeest zingen de kinderen bij ons in de kerk nog a:l eens een paaslied, waarin ook de regels staan: "maar wat heeft men aan een Heiland die in 't graf is neergelegd?" Een dode Christus kan niets doen voor ons behoud. Zo hebben we vrede met God door onze Here Jezus Christus.
Die vrede schenkt God ons in het geloof. Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God.
Het geloof is de band, die ons Met Christus verbindt, waardoor Zijn werk telt als het Onze. De Here rekent het ons toe. Hij spreekt vrij wie uit het geloof in Jezus is (Romeinen 3 : 26). Zo kwamen we in een nieuwe levenssfeer: de genade, waarin we staan (vs 2). De vrede is een geschenk dat toegankelijk geworden is door het geloof. Een geschenk dat genade heet. We hebben het niet verworven - we kunnen het alleen aanvaarden met een dankbaar hart. Daarom maakt geloven een mens zo blij… En dat niet alleen omdat voor het moment de relatie met de Here goed is. Ook omdat die relatie perspectieven biedt, die tot in de eeuwigheid reiken. Omdat we vrede hebben met God, roemen we ook in de hoop op de heerlijkheid Gods.
Wat die hoop op de heerlijkheid Gods betekent, kunnen we het best verstaan aan de hand van Romeinen 8: 18-30. In dat gedeelte is zo duidelijk te merken, dat een bestaan zonder hoop nauwelijks mogelijk is. We leven in een schepping die aan de vruchteloosheid onderworpen is. Die vruchteloosheid ligt als een doem over al het geschapene: het zucht er onder. Maar: het is een zuchten in barensnood: er komt nieuw leven: De scheppingzucht in hoop. Ze zal bevrijd worden tot de vrij1hefd van "de heerlijkheid de kinderen Gods.
Die· kinderen Gods zuchten in deze wereld ook. Ook, zij zijn schepselen en als zodanig sinds de zondeval onderworpen aan de vruchteloosheid. Daarom staat er bij, dat ook wij zuchten in de verwachting van het zoonschap, de verlossing van ons lichaam.
Dat lichaam is nu onderworpen aan veroudering, ziekte, slijtage, afbraak Tenslotte zal de mens tot stof wederkeren. De vergankelijkheid, waaronder de schepping, inclusief de. mens; zucht, geeft vaak aanleiding tot angstige vragen tot opstandige vragen ook. De vergankelijkheid spreekt van verstoorde vrede. De vergankelijkheid kwam, toen God na de zondeval tot de mens sprak: de aarde zij Uwentwil vervloekt... Al wat leeft is onderworpen aan de dood.
In de dood van Christus heeft God deze vijand overwonnen. Dat houdt in dat God vast van plan is alle tranen te drogen. Maar: dat is een zaak van hoop. En hopen is uitzien náar wat we nu nog niet voor ogen hebben. De opstandig vragende mens heeft er moeite mee, te leven van de hoop. Hij kan geen vrede vinden bij en met een God, die niet onmiddellijk en duidelijk zichtbaar de vloek van de, vergankelijkheid opheft. Wie door Christus vrede heeft met God, is niet van zijn zuchten af. Dat zuchten omvat heel de problematiek van lijden en verdriet, die dagelijks op ons af komt. De gelovige laat dat ook niet allemaal gelaten en lijdelijk over zich heen komen. Maar hij is in zijn worsteling met die problemen toch vol van Gods liefde. Die liefde geeft hem troost en moed, zodat hij het zijn bijbel na kan zeggen: wij roemen ook in de verdrukkingen, omdat wij weten dat de verdrukking volharding uitwerkt, en de volharding beproefdheid, en de beproefdheid hoop, en de hoop maakt niet beschaamd omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest… Hij wacht met de volharding van Psalm 73: nu blijf ik bij U, voor altijd.