'Clair' en 'obscur' in onze verhouding tot God (1)
1985-07-05
Laat ik beginnen met de tekst te noemen waarover ik op het laatste kerstfeest in de gemeente van Amsterdam-Centrum gepreekt heb. Dat was het woord uit Psalm 97: 2: Rondom Hem (de Here God) zijn wolken en donkerheid: gerechtigheid en recht zijn de grondslagen van zijn troon". Met deze boodschap wilde ik de suggestie afbreken als zou het kerstevangelie ons menselijke leven zo helder en doorschijnend maken als glas. Kerstfeest is het feest van het licht, zeker, maar: van het licht in de duisternis. Veel blijft verborgen. Alleen het belangrijkste wordt opgehelderd. Natuurlijk heb ik toen bij de uitleg van dat psalmwoord gewezen op' de prachtige woorden uit het Nieuwe Testament, waar onze God de Vader daar licht genoemd wordt (Jakobus 1) en waar gezegd wordt dat hij een ontoegankelijk licht bewoont' (1 Timotheüs 6). Hoeerhouden zich zulke woorden nu met dat psalmwoord. "Rondom Hem zijn wolken en donkerheid"?- Jaargang 29
- nummer 27
Ik heb toen een vergelijking gebruikt. De oorlogstijd was de tijd van de verduistering. Alle huizen en straten moesten ’s nachts donker zijn om verborgen te blijven voor de Engelse vliegtuigen. Men bracht toen schermpjes in de handel die je over de koplamp van je fiets kon spannen. Zwart karton verduisterde het grootste deel van de voorzijde van de lantaarn. Slechts een smalle gleuf in het papier liet de lichtbundel door. De lamp zelf gaf genoeg licht, maar toch was er donkerheid rondom het lichtvenster. Zo zijn er nu ook rondom de Here God wolken en donkerheid. Die zijn niet van de Here zelf, maar daar zorgen wij voor. Dat duister maakt dat wij veel van de Here God niet kunnen begrijpen...Op veel gestelde vragen krijgen wij geen antwoord. Dat moet ons in ons geloof bescheiden houden, Niet. negatief bescheiden, niet mokkend bescheiden,O nee! Wij zijn met het evangelie ontzettend blij. Maar wij kunnen het toch niet oppervlakkig weg aanprijzen als de oplossing van al onze problemen. Dat wekt verwachtingen die door het evangelie niet worden waargemaakt.
Onze grote vreugde om het evangelie is er echter vanwege die smalle streep van helder en betrouwbaar licht: "Recht en gerechtigheid vormen de grondslag van Gods troon". 'Recht en gerechtigheid' - dat ziet in de eerste plaats op wat Godin Christus voor. ons heeft gedaan, volgens bijvoorbeeld het woord van Ps. 103 : 6: "De HERE doet gerechtigheid en recht aan alle verdrukten", en 'recht en gerechtigheid', dat ziet vervolgens ook op wat wij in Christus voor de eer van God en voor het heil van de naaste mogen doen, volgens bijvoorbeeld het woord van Psalm 119: 121: '"Ik heb recht en gerechtigheid gedaan": De grondslag van Gods troon bestaat, dus uit wat de Here God zelf in Christus gedaan heeft, samen met wat Christus Geest in ons bewerkt. Psalm 22: 4 zegt hetzelfde nog weer even anders; "God troont op de lofzangen van Israël", dat wil zeggen: op dat wat bezongen wordt (en dat zijn Gods werken in Christus) èn op het lied dat de Here door zijn Geest daarover bij ons doet loskomen.
Wel, genoeg nu om de titel van mijn causerie te verduidelijken: 'clair' en 'obscur' in onze vevhouding tot Gdd. 'Olair - obscur'je komt dat woord-paar nogal eens tegen als het over de schilderijen van Rembrandt gaat. Die wist daar zo meesterlijk mee te werken, met dat 'clair' en 'obscur', met dat licht en donker. En daar valt nu ook mee te werken in onze verhouding tot God. Want daarin is enerzijds het 'obscur', de wolken en de donkerheid, het onbegrijpelijke van Gods doen waar wij geen vat op krijgen. Maar daarin is- anderzijds ook het 'clair'. Want als er gezegd wordt dat gerechtigheid en recht de grondslag van Gods troon vormen, dan weten wij zeer klaar en duidelijk waar we met· de Here aan toe zijn. Dan gaat het erom dat wij zijn recht en gerechtigheid, zoals Hij die in het verzoeningswerk van Christus tentoongesteld heeft (Romeinen 3 : 25, 26), gelovig aanvaarden en vervolgens daaruit en daarnaar nu ook zelf leven (Mattheüs 5 : 20).
Wat nu opvalt in de Schrift is dat deze twee, het ‘clair' en het 'obscur’, zo steeds in onderling verband voorkomen, Zoals trouwens ook bij Rembrandt het licht en het donker bepalen elkaar wederzijds bij hem. En wat. de Bijbel betreft: niet hele gedeelten die duister zijn, en andere lange stukken die ononderbroken licht uitstralen, maar 'clair en obscur' zijn zo bijeen dat ze, zoals in die Psalm 97, elkaar als het ware in balanshouden, Zodat wanneer we op iets duisters in God stuiten, we tegelijk iets toegankelijksin handen krijgen. Daardoor leren we telkens ons te verheugen met beving en raken we. gewend aan een belangrijke zin voor ons geloof: ik begrijp U niet, Here God, maar ik vertrouw U wel. Laat ik daar nu een paar voorbeelden van geven.
In 2 Timotheüs 2 : 19 lezen we: "En toch staat ongeschokt het hechte fundament Gods met deze inscriptie: de Here kent degenen die van Hem zijn, en: een ieder die de naam des Heren noemt, breke met de ongerechtigheid". 'De Here kent degenen die van Hem zijn', daarmee staan we voor het raadsel van de voorbeschikking en de verkiezing. De zin komt via de Griekse vertaling van het Oude Testament uit Numeri 16, waar het over de verkiezing van Aäron tot priester gaat. Over de term ‘kennen’ wijst naar het woordveld van de goddelijke verkiezing, getuige de bekende uitspraak bij de profeet Amos: “U alleen (Israël) heb Ik gekend uit alle geslachten van de aardbodem”(3:2). Dat is ‘verkiezend kennen’, er hangt majesteit omheen. Zoals dat ook het geval is bij de geheimenisvolle woorden ‘degenen die van Hem zijn’. Mensen kunnen zich vergissen bij de vraag wie de ware gelovigen zijn, maar de Here God niet. Hij weet en kent. Het adagium dat Paulus aan Timotheüs voorhoudt mogen we in verband brengen met wat we Christus zelf horen zeggen ten aanzien van zijn apostelen: “Ik weet wie Ik heb uitgekozen” (Johannes 13:18). Ook dit is een duidelijk verkiezingswoord. Beide woorden hebben naar ons toe een toegeslotenheid: wij kennen die van de Here God zijn en wij weten niet op eigen kracht wie de Here Christus voor zijn werk bestemt. Het zijn majesteitelijke woorden en ze leggen ons een grote bescheidenheld op in ons spreken over degenen die behouden zullen worden. Ik ontken niet dat wie gelooft in Paulus' eerste inscriptie een lief geheim beluistert, maar onze menselijke nieuwsgierigheid wordt er toch duidelijk mee op grote afstand gehouden. ingegraveerd op het fundament, weten wij ook dat Gods voorkeur voor deze boven gene geen willekeur is. De Here God maakt keuzes waar wij weliswaar verstandelijk (of wel meer algemeen: menselijk) geen vat op kunnen krijgen, maar waar wij niettemin het grootste vertrouwen in kunnen hebben. Wij moeten dus beide woorden op het fundament Gods, dé grondsteen van de gemeente, laten staan en er goed voor oppassen dat we het ene woord niet met behulp van het andere ontledigen. En deze waarschuwing geldt naar twee kanten.
Dus: maak van Gods voorkeur geen willekeur, maar ook: denk niet dat je met dat tweede adagium, dat ethisch zo toegankelijk is," God kunt narekenen "of Hem op de kiezende handen kunt kijken .Het eerste woord is om zo te zeggen 'obscur', het tweede is 'clàir',en ze staan bij elkaar, ze bepalen elkaar wederzijds. Maar er zijn nog meer voorbeelden.