Het misversrand van de verdeling

1985-07-05
  • Jaargang 29
  • nummer 27
In "Trouw" schrijft Prof. W. Albeda, oud-minister van Sociale Zaken in het eerste kabinet Van Agt en thans hoogleraar economie aan R.U. Limburg te Maastricht af en toe artikelen, die het lezen waard zijn. Eén daarvan was te lezen in genoemd dagblad van 1 februari j.l. onder gemelde titel. Albeda is in het verleden altijd voorstander geweest van de (collectieve) overlegeconomie; hij heeft daarmee ook de nodige ervaring opgedaan als minister van Sociale Zaken, maar hij plaatst bij deze vorm van economische ordening thans nogal wat vraagtekens en heeft met name kritiek op de verzorgingsstaat. Albeda van vroeger is Albeda van nu niet meer. Naar mijn mening pleit dat voor de man en ik schrijf dat niet alleen, omdat Allbeda van nu opvattingen huldigt, die meer de mijne zijn, maar vooral omdat hij een zeer belezen man .is, die weet waar hij het over heeft en die daarbij ook nog een uitgebreide politieke ervaring heeft. Intussen kruipt ook het bloed van Albeda, waar het niet gaan kan. Hij wil namelijk gaarne de verzorgingsstaat overeind houden, maar hij is voldoende econoom om te weten, dat dat bij de huidige verhoudingen eenvoudig niet gaat. Oe. verzorgingsstaat wordt naar mijn mening per definitie een peperdure aangelegenheid omdat pressiegroepen naar de ervaring leert meestal uitsluitend de eigen belangen nastreven zonder (voldoende) rekening te houden met de belangen van anderen; althans, die pressiegroepen (zoals bij voorbeeld de vakbeweging en de organisaties van werkgevers), die door hun optreden of door hun aanwezigheid macht uitoefenen en door middel van deze macht invloed hebben in hun voordeel 'op de verdeling van de nationale koek buiten het daadwerkelijke ruilproces in de economie om, zij verstoren op deze wijze veelal dat ruilproces; deze pressiegroepen jagen meestal niet alleen de lonen, de inkomens op tot boven de arbeidsproductiviteit, maar ook de voorzieningen en de uitkeringen "Zolang op 'tot de belastingen en de sociale premies dermate hoog moeten zijn, dat de economie ontregeld wordt en de arbeid zo duur wordt, dat het zich uit de markt prijst. In geval van collectieve loononderhandelingen praten de sociale partners (lees: de pressiegroepen) wel over de hoogte van het loon zonder daarbij echter de hoeveelheid arbeid, die tewerkgesteld moet worden te betrekken. Dat kan op dat niveau ook niet anders, omdat op het centrale of macroniveau wel gepraat; maar niet daadwerkelijk geruild wordt. Dat geschiedt namelijk op het (micro-) niveau van de ondernemingen; daarom moet naar mijn mening ook op dat niveau over lonen, prijzen en hoeveelheden simultaan onderhandeld worden. Pressiegroepen hebben voor hun daden geen verantwoording af te leggen. Op het ogenblik betekent een netto loonstijging van de modale werknemer van f 1,- een bruto loonstijging van f 3,50. Elke gulden loonstijging van deze werknemer kost de werkgever dus f 3,50. f 2,50 gaat van het bruto loon in dit geval af aan belastingen en sociale premies.

In tegenstelling met bijvoorbeeld 10 jaar geleden is het nu nationaal en internationaal "in" om tegen de verzorgingsstaat te zijn. Albeda weet dat ook wel en daarmee heeft hij toch enige moeite.
Dat is natuurlijk best te begrijpen. Hij heeft in het eerste kabinet-Van Agt zijn best gedaan voor het tot standk omen van een zgn. raamwet Inkomensvorming, dié een samenhangend en compleet inkomensbeleid (inclusief centraal overleg over alle inkomens, ook die van de zgn. vrije beroepen) van de gehele samenleving van Overheid, werkgevers en werknemers mogelijk moest maken. Deze raamwet is echter nimmer tot stand gekomen, omdat het politieke getij inmiddels keerde en het kabinet-Lubbers er van afzag een dergelijke (ontwerp }wet bij de Tweede Kamer in te dienen. Het is namelijk niet meer "in" om te pleiten voor de mogelijkheid van overheidsingrijpen inde loonvorming, anders dan in geval van calamiteiten. Voor Albeda is dat natuurlijk een teleurstelling, al begrijpt hij best, dat deze tijd van werkloosheid niet het geschiktste moment is voor een raamwet inkomensvorming. Eén van de doelstellingen van het kabinet-Lubbers is de versterking van de marktsector ten koste van de collectieve sector in de samenleving. Er is aanzienlijk meer. waardering gekomen de laatste 10 jaren zowel nationaal als internationaal voor de markteconomie en deze vorm van economische ordening verdraagt zich in beginsel niet met de verzorgingsstaat.
Wanneer men systematisch de sterken opzadelt met alle (en zelfs met meer dan dat) denkbare problemen van de zwakken in de samenleving dan werkt dat op den duur niet meer. De sterken geven daar de brui aan op den duur en de economie zakt in problemen, waarin het nu in ons land terecht gekomen is. Een poging om de verzorgingsstaat overeind te houden vindt men, op het ogenblik in die opvattingen over het zgn. basisinkomen voor iedereen, ongeacht of men werkt of niet. Albeda bepleit dat ook in zijn in 1984 bij Kok, Kampen verschenen boekje "De crisis van de werkgelegenheid in de verzorgingsstaat; analyse en perspectief'. Prijs f.14,90.
Hij overtuigt naar mijn mening echter niet, omdat het probleem van de hoge belastingen ook hier opdoemt en zelfs nog veel erger wordt.

Indien thans alle 10 miljoen Nederlanders boven de 18 jaar de AOW-uitkering van ongehuwden gelijke als basisinkomen zouden ontvangen, dan is daarmee jaarlijks een bedrag gemoeid van f 127,5 miljard. Dit bedrag is ongeveer gelijk aan de totale kosten van onze verzorgingsstaat op het ogenblik wat sociale uitkeringen, voorzieningen, subsidies etc. betreft (ongeveer 35%van ons huidig nationaal inkomen). Ook deze (overdrachts)inkomens (de basisinkomens dus) moeten echter verdiend worden en dat geeft zeer hoge belastingtarieven. Het zou onder meer betekenen een hoog BTW-tarief van 100% en een laag BTW-tarief van 24%. Verder zal, naar is berekend, de inkomstenbelasting te maken krijgen met marginale drukpercentages van 49% voor de minima en 90 % vanaf twee keer modaal. Er is weinig fantasie voor nodig om te weten waar dat op uitloopt. Haast niemand wil op den duur meer werken; terwijl daar naast hetbasisinkomen voor vele echte hulpbehoevenden ook nog te laag zat zijn. Stelt men het basisinkomen nog lager dan de AOW-uitkering voor ongehuwden, dan schiet het zijn doel echter voorbij.
Het basisinkomen versus de huidige financiering van ons sociale verzekeringsstelsel is dus lood om oud ijzer; de huidige economische problemen worden met het basisinkomen niet wezenlijk opgelost naar mijn mening. De bedoeling van het basisinkomen is dus dat allen die werken zowel als die niet werken boven de 18 jaar dit ontvangen. Wil men over meer inkomen beschikken dan moet men dat er zelf bijverdienen. Alle huidige sociale uitkeringen komen dan te vervallen; dus geen uitkering bij ziekte, werkloosheid of invaliditeit. Men is uiteraard vrij op particuliere basis zich (bij) te verzekeren tegen de geldelijke gevolgen van ziekte en invaliditeit, Er wordt bij het basisinkomen met persoonlijke omstandigheden dus geen rekening gehouden. Administratie erg aantrekkelijk, maar ik ben bang, dat toch gedifferentieerd zal moeten worden naar persoonlijke omstandigheden. Niet iedereen (bij voorbeeld als gevolg van invaliditeit) zal in staat zijn nog iets bij te verdienen; anderen hebben het basisinkomen echter helemaal niet nodig. De inkomensongelijkheid zal echter wel weer, groter worden dan thans het geval is. Op de bodem van deze problematiek liggen allerlei vraagstukken die nimmer goed zijn uitgepraat, ook niet in christelijke kring. Zo onder meer het denken over de verzorgingsstaat en over de ongelijke verdeling van de aardse goederen in de wereld over rijk en arm. Over dit laatste gaat Albeda's artikel in "Trouw" van 1 febr. jl. Wat het probleem van de verzorgingsstaat betreft is in christelijke kring altijd gesteld, dat hulp aan de zwakken in de samenleving primair een zaak van de kerk en het particulier initiatief is. De christelijke charitas-gedachte heeft nimmer willen wijken voor de onpersoonlijke staatszorg. De principiële weerstand tegen de verzorgingsstaat is bij vele Christenen echter steeds meer afgenomen. Ook in gereformeerde kring heeft men zich bij de verzorgingsstaat min of meer neergelegd. In een verklaring van de Raad van Kerken over herziening van het sociale zekerheidsstelsel wordt zelfs gesteld, dat “de doelstelling van· sociale zekerheid hierin is gelegen, dat de mens vrij van vrees moet kunnen Ieven". In NRC-Handelsblad van 1 dec. 1983 noemt Prof. A, van Doorn (VU) dit een "opzienbarende stellingname". Hij daagt in dat artikel de christenheid uit te leggen waarom traditioneel christelijke beginselen als christelijke naastenliefde en christelijke gerechtigheid worden ingeruild voor respectievelijk sociale solidariteit en een socialistische zekerheidstaat. Deze nieuwe beginselen komen namelijk neer op dwang van de zijde van de Overheid.

2. Productiviteit versus verdeling. De taak van het rijke Westen
Wat nu het artikel van Albeda betreft het volgende; Het is helder geschreven en omdat op het terrein van de verdeling van de welvaart in de wereld nog altijd een hardnekkig misverstand bestaat, dat ook in de christenheld voorkomt, laat ik het artikel van Albeda hieronder volgen. Niet de ongelijke verdeling van aardse goederen over rijke en arme landen is het grote probleem, maar de ongelijke productiemogelijkheden in de verschillende landen. Wanneer wij het in het rijke Westen beter hebben dan de mensen in de ontwikkelingelanden dan komt dat niet in de eerste plaats omdat wij ontwikkelingslanden uitbuiten, maar omdat de productiviteit per hoofd van de bevolking in het rijke Westen aanzienlijk hoger is dan in de arme landen. Aan een hogere productiviteit kan het rijke Westen de ontwikkelingslanden echter wel helpen. Een land als Japan bij voorbeeld heeft laten zien, dat door middel van steun van het Westen maar wel op basis vaneen normaal ruilverkeer vergroting van de productiviteit mogelijk is. Door middel .van geldleningen onder meer in het Westen heeft Japan zich opgewerkt tot een moderne industriële samenleving en zich op deze wijze onttrokken aan de zwaartekracht van de armoede. Gewoon via de weg van een normaal ruilverkeer. Iets soortgelijks wordt in de arme landen thans ook wel gedaan door middel van de Wereldbank. Steun verlening op commerciële' basis via het ruilverkeer werkt beter dan de acties van alle goedbedoelde hulpverleners bij elkaar. Wat is deze laatste steun op den duur waard, indien men in de arme landen de geleende kapitalen niet rendabel weet te maken? De economische basis is daar voor wel degelijk aanwezig. Albeda schrijft het volgende: Een misverstand kan mooier zijn en nobeler klinken dan de werkelijkheid. Soms hechten mensen daarom aan hun misverstand. Ik heb de indruk dat het zo ongeveer ligt met wat ik zou willen noemen, het misverstand van de verdeling.

Mensen kijken naar de enorme verschillen in welvaart in de wereld, Nederland heeft een inkomen per hoofd van 30.000 gulden per jaar. Veel ontwikkelingslanden komen. nauwelijks aan 500 gulden. De wereldwelvaart is slecht verdeeld zeggen we dan. En iedereen voelt dat één of twee procent van het nationaal inkomen voor ontwikkelingssamenwerking uit een oogpunt van herverdeling niets voorstelt.
Kijken we naar de verschillen in welvaart binnen Nederland, dan ziet het er een stuk redelijker uit, Uitgaande van het modale inkomen, thans ca. 36,000 gulden bruto per jaar, kunnen we vaststellen dat:
- 40%,van de mensen modaal of minder heeft;
- 84% van de mensen anderhalf maal modaal of minder heeft;
- 95% van de mensen tweemaal modaal of minder heeft.

Maar toch. Wij hebben medeburgers - al zijn het er maar weinig - met een inkomen van een ton per jaar, terwijl anderen nog niet aan een kwart komen. Ook rekening houdend met de belasting heeft de een toch wel twee keer zoveel als de ander, en sommigen nog meer. Is dat aanvaardbaar? We kijken naar het werk. Achthonderdduizend mensen hebben geen baan; zeker nog eens vierhonderdduizend mensen staan niet als werkloos geregistreerd, maar hadden best een baan willen hebben. Anderen werken 38 uren, en ik neem aan dat directeuren van NV's en ministers regelmatig op 70 uren per week komen. Een slechte verdeling.

Het is niet moeilijk nog meer van zulke voorbeelden te geven. Introduceerde niet het roemruchte kabinet-Den Uyl de slogan 'herverdeling van macht, inkomen en kennis'? Stel je eens 'voor dat het vaderland of de wereld een gezin was, en dat de kinderen het brood toegedeeld 'zouden krijgen zoals de wereldbevolking dat onderling verdeeld krijgt. Iedereen zou inzien dat we zitten met een levensgroot verdelingsvraagstuk. De vraag van de verdeling komt dan ook telkens weernaar voren; Toch kan dat gemakkelijk tot het misverstand' van de verdeling leiden. Bij verdeling denk je aan een koek die wordt verdeeld. Wat de één meer krijgt, moet de ander minder krijgen. Iemand met een inkomen van vier- of vijfmaal modaal; kan zoveel verdienen omdat anderen minder toucheren. Wij, inwoners van de rijke landen, trekken zoveel wereldinkomen naar ons zelf toe, dat de mensen elders arm zijn: Al die mensen, die overuren' maken, die 's zaterdags werk mee naar huis nemen en die niet willen denken over arbeidstijdverkorting, trekken teveel van de beschikbare arbeid naar zich toe. Het denken in, termen van verdeling is in vele gevallen statisch denken, Statisch denken is vaak misleidend, Het vraagstuk van de wereldarmoede is niet in de eerste plaats een verdelingsvraagstuk, maar een productieprobleem. Het voorbeeld is overbekend: een arme is niet zozeer gediend met een maaltje vis als wel met een manier om vissen te vangen, De arme landen zijn maar zeer tijdelijk geholpen met voedselgiften. Ze hebben meer aan een bakkerij dan aan brood, Er is niet een gegeven wereldproductie die' fatsoenlijker verdeeld moet, worden over de wereld.
Er is een schrijnend verschil in productief vermogen tussen rijke en arme landen. De wereldproductie, en dus het inkomen van de arme landen, zou veel hoger kunnen zijn bij een opheffing van dat verschil. We zitten meer met een productieprobleem dan met een verdelingsvraagstuk.
In wezen is er ook zoiets aan de hand met de Inkomensverdeling binnen Nederland, De nationale, koek is geen gegeven grootheid. Het heeft niet zoveel zin over de verdeling te praten, zonder ook de productie aan de orde te stellen, vooral ook omdat de verdeling invloed heeft op de productie; Evenmin is er zoiets als een gegeven hoeveelheid werk in de samenleving, die wat beter verdeeld moet worden . Als we het werk herverdelen zonder rekening te houden met: de kosten van die herverdeling, dan kan de hoeveelheid werk in de samenleving per saldo wel eens afnemen. Het is niet uitgesloten dat een grotere inspanning per hoofd, en dus Iangere werktijden de hoeveelheid werk in een samenleving zou kunnen vergroten.

Natuurlijk kan het best zin hebben te praten over verdeling en herverdeling. Het streven naar een aanvaardbare inkomensverdeling is een goede zaak. Maar als econoom heb ik. een groot vooroordeel tegen die uitspraken over de verdeling, die los staan van de te verdelen grootheid (productie, inkomen of werk). " Het alleen maar denken in termen van verdelingkan er gemakkelijk toe lelden, dat het probleem waar het eigenlijk over gaat, maar half gesteld wordt. Door de wereldarmoede alleen te benaderen als een verdelingsprobleem worden wij, bewoners van de rijke landen, opgezadeld met een schuldbesef dat we niet echt kwijt kunnen, en waar niemand echt mee geholpen is. Ons probleem of liever: hun probleem, is niet gelegen in onwil of onvermogen om onze rijkdom weg te schenken aan de arme landen. Ons probleem is veeleer gelegen in de hinderpalen, die onze economische instellingen aan een ontwikkeling van de productie in de arme landen opleggen. Een permanente herverdeling tussen rijke en arme landen zou de. ontwikkeling in de arme landen juist in hoge mate verstoren: De lokale productie zou gewoon niet van de grond komen. Ik denk dat men de economische kant van de problemen onderbelicht door alleen maar te 'redeneren vanuit de verdeling. Problemen van rijkdom en armoede, van werk en geen werk, hebben nu eenmaal naast het aspect van de verdelende rechtvaardigheid het aspect van de welvaartsvergrotende doelmatigheid. Van een individu mag je, zoals het Evangelie, ons leert, vragen dat hij of zijn rijkdom met de armen deelt. Voor een samenleving geldt dat men moet produceren voor er aan verdeling gedacht kan worden. Daarom zijn er niet zoveel samenlevingen die deze twee van elkaar loskoppelen. Eigenlijk doet alleen de verzorgingsstaat dat – en terecht – voor bepaalde zwakkere groepen in de samenleving. Als algemeen beginsel durft men die loskoppeling meestal niet aan.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief