Gereformeerde zede

1985-07-05
  • Jaargang 29
  • nummer 27
Over Cornelius ging de preek, de hoofdman van de zogenaamde Italiaanse afdeling; wij komen hem tegen in Hand. 10, En op de preek volgden enkele gesprekken.
Als Petrus het huis van Cornelius is binnengegaan, zegt hij: "Gij weet, hoe het een Jood verboden is zich, te voegen bij of te gaan tot een niet-Jood."
Je vraagt je af, waar Petrus dat gebod vandaan haalt. De HERE heeft inde wetten de Israëliet verboden een verbond te sluiten met de heidenen die in het beloofde land woonden en in dezelfde lijn ligt het verbod om zoon of dochter te laten huwen met iemand van de heidenen. Maar dat is wat anders dan elk contact met een heiden te mijden: Men heeft, n.a.v. Hand. 11,: 3 gedacht, dat het verbod, dat Petrus noemt, gebaseerd is op de verontreiniging, die het gevolg, zal zijn van het omgaan met een heiden. Het voedsel dat door de heiden wordt opgediend zal van onreine dieren zijn of het is met onreine handen bereid. Hoe het ook wezen mag, Petrus heeft het over een gebod dat God zó niet gegeven had. En hoe zal Israël werfkracht hebben onder de , volken, als het zich op deze manier isoleert? In de gesprekken na de preek ging het toen als vanzelf over het kerkelijk isolationisme, dat wij allen gekend hebben of nóg kennen. Het begon in het midden van de jaren veertig met: "Ik kan met jou niet meer bidden, want kerkelijk zijn we niet één". Logisch gevolg van deze stelling was, dat je op geen enkel terrein kon werken met mensen die met jou "geen Avondmaalgemeenschap" hadden. Maar wat bleef er toen over van de werfkracht van de kerk. Petrus noemt dat bekende verbod wel, maar hij staat er niet meer achter. Hij heeft zijn les geleerd. Hij zegt: "Inderdaad, bemerk ik dat er bij God geen aanneming des persoons is". Dat is een term uit de rechtspraak.
De rechter moet onpartijdig zijn. Hij mag geen voorkeuren hebben. Uit Hand.10:35 blijkt duidelijk, dat nu bedoeld is, dat God geen voorkeur meer heeft voor een bepaald volk. In dit geval Israël. Wat later ook Paulus gezegd heeft: Er is geen onderscheid tussen Griek en Jood (Kol. 3: 11). Hoe moeilijk Petrus het ermee gehad heeft om afstand te doen van het oude voorrecht als Jood, weten we (Gal. 2,' 11-14), maar hij heeft de les geleerd. Inde gesprekken na de preek maakte iemand de opmerking, dat het voor wie van buitenaf naar onze kerkelijke kring komt, toch ook wel moeilijk kan zijn.
Als je alleen al denkt aan de praktijk van de zondagsviering. Accepteren we iemand die "uit de wereld" komt en het niet opbrengen kan om elke zondag; naar de kerk te gaan, laat staan twee keer? En die zijn oude gewoonte aanhoudt om naar het voetballen te gaan kijken of wat baantjes te trekken in het zwembad?
Zeggen wij dan tegen hem, dat áls hij werkelijk zijn leven aan Jezus gegeven beeft, hij ook déze dingen moet doen of laten, net als wij? Dan wordt dat tóch weer een lastigvallen waarover gesproken wordt in Hand. 15: 19.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief