Geloven: delen in Gods toekomst

1985-07-12
  • Jaargang 29
  • nummer 28
Alle uiteenzettingen in de brief aan de Hebreeën zoals die over het offer en het priesterschap van de Here Jezus en die over het oude en nieuwe verbond hebben de strekking de lezers van deze brief te helpen het geloof in Jezus Christus vast te houden.

Op verschillende p1aatsen in de brief blijkt, dat die lezers gevaar lopen het geloof te verliezen. Om er enkele te noemen:
2: 1 Wij moeten aandacht Schenken aan hetgeen wij gehoord hebben, opdat wij niet afdrijven.
3 :12 Ziet toe broeders, dat bij niemand uwer een boos, ongelovig hart zij, door af te vallen van de levende God ...
4: 1 Laat niemand de indruk wekken, achter de blijven
4 : 14 Laten we aan de belijdenis vasthouden...
5 : 11 U bent traag geworden in het horen ...
6: 12 Wordt niet traag ...

Na de dan volgende uiteenzettingen in de hoofdstukken 7-10 komen de aansporingen terug:
10 : 23 Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen 'onwankelbaar vasthouden - laten we op elkaar acht geven.
10: 35 Geeft Uw vrijmoedigheid niet prijs - U hebt volharding nodig.

Hoe komt het, dat deze mensen de aansporing: U hebt volharding nodig, zo op het hart gebonden moet worden. De naam van de brief zegt al, dat de lezers joodse christenen zijn. Laten we (met ds C. Vonk, De Voorzeide Leer, p. 392 e.v. en dr. C. v. d. Waal, Sola Scriptura 11) maar aannemen dat de brief geschreven :is aan joodse christenen in Palestina, mogelijk zelfs in de stad Jeruzalem, en wel vóór de verwoesting van de tempel dn het jaar 70 na Ohr. Deze mensen of hun ouders in de periode van een kleine 40 jaar .tussen het pinksterfeest van Handelingen 2 en de ondergang van Jeruzalem in 70 'komt immers een nieuwe generatie op hebben om de belijdenis dat Jezus van N azareth de beloof1de Messias is, heel wat doorstaan. In 10: 32 Iezen we: Herinnert U de dagen van weleer, toen gij, na verlicht te zijn, zo menigmaal lijden doorworsteld hebt, hetzij zelf een schouwspel van smaad en verdrukking, hetzij deelnemende aan het lot van hen, die in zulk een toestand verkeerden..
Want gij hebt met de gevangenen mede geleden en de roof van U bezit blijmoedig aanvaard."
Die woorden herinneren aan de druk, waarvan we lezen in het boek Handelingen (8: 1, 9: 1)., Onder die druk zijn ze niet bezweken. Zij aanvaardden b.v. de roof van hun bezittingen omdat ze wisten een beter en blijvend bezit te hebben (10 : 34). De hoop deed hen volhouden. Maar hun volharding wankelt.. Ze voelen zich vreemden tussen hun eigen ,volksgenoten. Die houden,de tradities van de Mozaïsche offerwet in ere en de dienst in de synagoges. Jezus van Nazareth is voor hen een verschijnsel uit het verleden, zoals er zoveel sectarische drijvers zijn geweest. Voor die volksgenoten betekende de' leer van Jezus een breken met de wet van Mozes en daarom een ketterij. Het is daarom niet zonder reden, dat in Hebreeën 3 Mozes en Jezus met elkaar worden vergeleken, De Hebreeuwse christenen hadden geleerd, tegen de opinie van hunomgeving in, vol te houden. Die positie is de christenen van alle tijden niet vreemd. Daarom: ze hebben volharding nodig.

"Die volharding is nodig," omdat we anders niet krijgen wat God beloofd heeft (10: 36). En het zal niet lang meer duren, of de Here komt het beloofde brengen. AIs de Here dan komt zal de rechtvaardige uit (als resultaat van) geloof Iéven, terwijl de goddeloze zal ondergaan. En niet alleen de goddeloze van ver weg, maar ook de nalatige. In het kader van de aansporing tot volharding is de tegenstelling geloofnalatigheid veelzeggend. Wie nalatig wordt zet zijn' leven op het spel. Hij zal delen in het lot van de goddelozen, terwijl de rechtvaardige, die met volharding hoopt op hetgeen hij niet ziet, door zijn geloof zal leven.

Die volharding is gegeven met de aard van het geloof. Want dat geloof -is de zekerheid van de dingen die men hoopt en het bewijs van de dingen die men niet ziet. Die woorden zijn niet bedoeld als definitie van geloof, maar ze bevatten, in aansluiting bij 10 : 39, een antwoord' op de vraag: hoe houd ik het vol, in déze wereld te geloven in God en in de Here Jezus Christus?
Dat antwoord is: U houdt het vol, omdat geloof 'de zekerheid is van wat U hoopt. Het komt ons wel eens wat vreemd voor: zekerheid is immers in ons spraakgebruik meestal een gevoel, een overtuiging; het tweede woord uit Hebreeën 11 : 1, het woord bewijs, spreekt voor ons van een rationele zekerheid, We hebben het bewijs voor een stelling als er sprake is van een onomstotelijke redenering, die leidt tot een niet voorbestrijding vatbare conclusie. Dat lijkt ons het tegengestelde van geloof. Zekerheid en hopen, bewijs en niet zien, zijn voor ons gevoel tegenstrijdige begrippen.

Dat gevoel van tegenstrijdigheid wordt aanzienlijk minder, als we het woord zekerheid gebruiken in een andere betekenis, n.l. die van onderpand, waarborg, garantie.
Als een bank geld leent, vraagt ze een onderpand, b.v. bij een hypotheek. Dat onderpand is de zekerheid van de bank. Als de lener niet aflost, wordt zijn huis verkocht en zo komt de bank aan haar trekken. Op die manier is ons geloof een zekerheid voor wat wij hopen en een bewijs voor wat we niet zien. Het gaat niet om een gevoel dat we hebben en een bewijs, dat voor 'ons verstand geleverd is, maar om een waarborg die de Here ons geeft. een garantiebewijs dat Hij ons uitreikt. Het geloof, als een gave van God, is een bewijs van aandeel in Zijn toekomst. Een eigendomsbewijs van het blijvende bezit, waarvan 10 : 34 sprak. In 11: 10 en 16 komt dat terug als de blijvende stad, die Abraham verwachtte.

Het meest direct aansprekende voorbeeld voor de gedachte, dat geloof is: aandeel in de toekomst die God geeft, is misschien dat van Noach. Noach heeft, zegt 11 : 7. een godsspraak ontvangen over iets, dat nog niet gezien werd, de zondvloed. Noach heeft toen eerbiedig de ark toebereid, tot redding van zijn huisgezin. Zo werd hij erfgenaam van de gerechtigheid, die aan het 'geloof beantwoordt, In zijn geval betekende dat, dat de nieuwe wereld, die na de zondvloed kwam, voor hem was en voor zijn kinderen, Degenen die zijn werk wel gezien en zijn boodschap wel gehoord hadden, maar daaraan geen ge: loof schonken, kwamen om in de vloed .. Terwijl ze Noach bezig zagen, haalde niemand het in zijn hoofd aan Noach te vragen, of hij, ook mee mocht helpen bij het bouwen van de ark en of hij ook aan 'boord mocht. Ieder keek' wat meewarig toe: zo'n dwaze Noach .toch, die voortbouwde op wat 'hij meende gehoord te hebben, maar waar niemand ook maar enig voorteken van waarnam. Ik denk in dit verband aan wat de Here Jezus zegt in Mattheüs 24: 36-40: bij de komst van de Zoon des mensen zal her zijn. als in de dagen van Noach. Niemand merkte iets. Ze aten en dronken, huwden en gaven ten huwelijk, tot op de dag waarop Noach in de ark ging. Het geloof van de christen vandaag is voor de wereld even dwaas ais dat van Noach. Een interessante geestelijke stroming misschien, wat folkloristisch, maar maatschappelijk niet zo van belang en volkomen geantiqueerd. Wie zal er tegen de kerk en de christenen zeggen: mag ik ook mee? Maar: de uitkomst stelde Noach in het gelijk. Zo heeft hij door het geloof de wereld veroordeeld.
Deze rechtvaardige bleef door zijn geloof in leven.

Nu kun je van Noach zeggen: hij heeft inderdaad iets bereikt met zijn geloof. Hij werd erfgenaam van een nieuwe wereld. Maar al die anderen? Hebreeën 11 noemt een lange reeks. Wat hebben zij bereikt? Ze zijn allen gestorven zonder de belofte verkregen te hebben. Slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en ze hebben beleden dat ze vreemdelingen en bijwoners waren op de aarde. Ze wisten zich op weg naar een beter, een hemels vaderland. God wilde wachten tot wij er ook bij waren. Ze hebben moeten wachten in hoop – zonder te zien. Ze hebben moeten wachten met volharding. We wachten nog steeds… Hoe is dat uit te houden?
Op de manier van 12: 1,2: het oog gericht houden op Jezus, de Leidsman en Voleinder des geloofs, die om de vreugde welke voor Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is aan de rechterzijde van de troon Gods. Vestigt Uw aandacht dan op Hem, die zulk een tegenspraak van zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet door matheid van ziel verslapt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief