Het leiden van de kerkzang
1985-07-12
Vroeger dachten kerkgangers, waaronder kerkenraadsleden. dat het orgel de gemeentezang had te begeleiden. Constantijn Huygens, langzamerhand kind aan huis, sprak in zijn pleidooi over "de zang vergezelschappen".- Jaargang 29
- nummer 28
Dus orgel en gemeente begonnen tegelijk en vonden elkaar aan het slot terug, elk op eigen kompas. Dat is in 'de 17e eeuw misschien al heel wat geweest - maar het ligt niet op het niveau van de oudtestamentische tempeldienst. De zangers en speellieden van David en Salomo, allen meesters in de kunst, gaven de toon aan; het volk viel in met "amen" en "halleluja",
In de loop der eeuwen is het orgel, is de organist, is de orgelkunst ver voor de massazang uit gelopen. Het woord "begeleiden" mag rustig worden vervangen door leiden. Want in bijbelse zin is de organist leider, zangleider, zangmeester, zo niet opperzangmeester. Er is dus een hiërarchie van goed tot beier tot best. En kerkgangers, die (niet naar hun 'organist luisterend) zelf tempo en inzet voor hun rekening nemen,zouden wellicht beter kunnen zwijgen, en nadenken.
We zagen al, dat de organist de gemeente dient, door haar de melodie in herinnering te brengen, de inhoud van het lied muzikaal samen te vatten, en de juiste toonhoogte "aan te reiken. Maar hij doet natuurlijk meer. Ook het moment van de inzet ligt in zijn macht, want hij geeft het startsein.
Dat startsein komt nooit onverwacht. Het voorspel gaf, voor het slotakkoord, een vertraging.
Daarop volgde een kleine pauze, goed voor diep ademhalen. Onmiddellijk daarop speelde de organist het eerste akkoord: en dit is het startsein, waarbij niemand te laat moet invallen.
Een kleine uitweiding als -u het goed vindt; als u het niet goed vindt kunt u twee alinea's overslaan. Toen ik kort voor de oorlog op de Veluwe kwam te wonen en als organist werd aangewezen, bestond daar een mystiek Veluws gebruik: om zich uiterst schuchter tot het lofoffer te begeven. Zoals men zich ook uiterst schuchter tot het avondmaal begaf - of daar van wegbleef. Tot mijn verbazing merkte ik, dat –de eerste regel van een psalm door vrijwel niemand werd meegezongen: Pas in de tweede regel kwam enige bijval. Tegen het midden was de ket1k op dreef en tegen, het eind kon niets haar zanglust meer deren. Er waren zelfs puike zangers bij, maar het Veluws gebruik was ontstellend taai.
We hebben er wat op gevonden, door de nood gedreven. Gesprekken met goede zangers leidden tot het vormen van een kerkelijk koortje, dat een tiende van de gemeente bevatte en elke maandagavond op de orgelgalerij kwam zingen. Psalmzangkoren zijn op de Veluwe nog veel aanwezig en staan buiten elke kerkelijke verdenking.
We hardden dus vrij spel. En gebruikten de zangavonden om vertrouwd te raken met de psalmteksten en psalmwijzen. Ook om vertrouwd te worden met ons aandeel in het wekelijks Iofoffer . Ook om elke schuchterheid, die toch niet meer dan een valse pose was bij nader inzicht te overwinnen. Vooral: om elke psalm, op het juiste moment, zonder vrees en beving in te zetten. En deze kennis werd in praktijk omgezet. Voortaan zong een op de tien kerkgangers volop met het orgel mee.. zodra de organist 'de zang had voorbereid en inzette. En ieder 'sleepte in zijn omgeving negen onthutste kerkgangers mee. In korte tijd werd de kerkzang bewust, overtuigd, eerbiedig en zelfs min of meer schoon; Na een jaar kwam een oude wijkzuster met haar gereformeerde nichtje onze kerk bezoeken: ze vroeg verbaasd: wat hebt u met die kerkzang uitgevoerd? Dit noem ik werkelijk zingen!
Ik vertel u dit verhaal niet omdat ik daarin een rolletje speelde. Maar omdat een beetje samenspel, kennis van de liturgie, plus een beetje goede wil een slapende gemeente wakker kunnen maken. Ook om nog een andere reden.
Omdat een kerkkoor (of de leden, nu' bij elkaar zitten; dan wel verspreid in de kerk; of het nu in kleurige gewaden optreedt, dan wel incognito) omdat een kerk!koor zulk een krachtige stimulans voor de gemeente betekent. Een moeilijke melodie? Het, koor sleept u er door heen. Een onbekende tekst? Het koor geeft u moed om mee te doen. Zo'n koor, dat wekelijks enkele uren aan de komende eredienst wijdt, vormt' een' verbindingsschakel, een relais, tussen organist en gemeente. Zo'n koor wordt een koor van zangmeesters! Het vangt wrijvingen op, strijkt rimpels glad en baant de weg tot vernieuwing van het 'kerkelijk lofoffer. Tot die vernieuwing zou kunnen behoren: het zingen van de tekst voor de preek, of het zingen van een beurtzang daarna, Nieuwigheden zegt u? Psalm 136 is het meest bekende voorbeeld van een beurtzang tussen zangers en gemeente.
Het zal u duidelijk zijn geworden, dat een organist meer doet dan het "vergezelschappen" van een losgeslagen gemeentezang. Hij brengt die gemeentezang tot het peil, dat bij geestelijke offers past. Hij leidt haar, is haar zangmeester. Is hij goed opgeleid (en waarom eigenlijk niet?) dan zal hij beschikken over een arsenaal van middelen om de gemeentezang op te voeren, van goed tot beter tot best. Tot dit arsenaal behoren: het kiezen van de juiste toonhoogte, voor jong en oud bereikbaar: het 'kiezen van .de juiste klanksterkte. door ieder te horen en niemand overheersend; het kiezen van de juiste klankkleur, die past bij de tekst van het lied; het beheersen van het juiste tempo, waarin trage en spontane kerkzangers zich kunnen vinden; het gebruiken van de akkoord en stemvoeringen, welke aan de kerktonale ladders ontspringen; maar ook het kennen van alle kleine suggestieve wijzigingen, welke de tekst naar voren brengen; eveneens het voeren van een betrouwbare, rustige en welluidende bas, waarop de hele zang rust; soms ook het versieren van de zang door een juichende tegenstem.
Maar we raken nu aan de werkplaats van de organist - en dat is geen open huis. Het is voldoende te weten, dat de organist talloze middelen heeft geleerd van J. S. Bach. Weinig organisten immers hebben het verband tussen woord en toon zo zuiver aangevoeld en tot klank gebracht gis deze grootmeester aller tijden. Er bestaat een boek met 371 koraal, harmonisaties van Bach: elke organist moest dit boek, samen met de tekst der liederen, stelselmatig bestuderen! (Deze raad is niet van mij maar van Schweitzer en Widor,)
Nog even over het tempo van de samenzang., Mag het? Daarover is de Iaatste jaren zelfs onder organisten veel te doen geweest. Er is een grammofoonplaat over gemaakt. Sommigen meenden dat, waar de antieke hele en halve noten vervangen waren door kwarten en achtsten, de kerkzang ook 4 x zo snel mocht gaan als voorheen. Dat is natuurlijk een misvatting; of een tekst nu uit gewone, uit cursieve of uit kapitale letters is gezet, daar blijft ze dezelfde om. Zo is de schrijfwijze der kerkliederen. in moderne trant, geen vrijbrief om de kerkzang rusteloos op te ja, gen.
Toch is het tempo in onze kerken onrustbarend versneld. Als ik het waag hierover iets te zeggen, is dat in de wetenschap dat er veel persoonlijke voorkeur mogelijk blijft; dat karakters verschillen; dat jong en oud niet precies gelijk op gaan; dat de ene psalm een frisser tempo vraagt dan de andere.
Maar er zijn enkele vaste punten, waaraan we ons kunnen oriënteren:. De gemiddelde leeftijd van een kerkgemeenschap speelt stellig een rol. De lokaliteit en (dus) het aantal kerkgangers telt ook mee; hoe massaler, hoe trager. Een kathedraal doet langzamer zingen dan een omgebouwd koffiehuis. En de vele kleine kerken onder .ons hebben (Maastricht uitgezonderd?) geen matiging van een grootse akoestiek ondergaan.
Toch is er nog een andere norm. Dat is de eerbied, welke in Gods huis past. Dat huis is een huis des gebeds, we moeten er maar geen instuif van maken. Calvijn schreef: de psalmwijzen moeten "poids et majesté" hebben. Fords is: gewicht, lading, klem. Majesté is: verhevenheid; grote deftigheid, statigheid, zegt mijn woordenboek. Die normen - dat hebt II wel begrepen - legt uw schrijver niet aan, maar Calvijn, die bij de psalmzang en de psalmwijzen zo zeer betrokken is geweest.
Ik vrees dat onze lagere scholen veel kwaad hebben berokkend in dezen. Uit ervaring weet 'ik dat onze kinderen daar leerden snel, ham en onnadenkend te zingen. Och arme. Dan denk Ik aan Luther, die dreigde: een schoolmeester die niet kan zingen, die kijk ik niet aan! Aan Calvijn, die de schoolmeesters vroeg hun kinderen de kerkzang bij te brengen! Zouden we van onze Christelijke Scholen niet meer mogen vragen dan een snelle, harde, gedachteloze kerkzang?
U zult gemerkt hebben, dat we niet over muziek - maar over zaken van de eredienst spreken. Bent u zich wat meer bewust van de heiligheid van het, kerklied? Dat is - nog eens gezegd - geen aangelegenheid van een muzikale uitblinker, maar van de totale bruidskerk van onze Heer en Heiland. Hij luistert er graag naar, daar kunnen we amen op zeggen.