"Psychologie" (een christelijke kijk op het mentale leven)

1985-07-12
  • Jaargang 29
  • nummer 28
Dl' W. J. Ouweneel, "Psychologie" (een christelijke kijk op het mentale leven) Uitg. Buijten en Schipperheijn, Amsterdam, 1984, 376 blz., f 69,59.

Ouweneel schreef dit boek vooral als discussiestuk voor christenpsychologen en -hulpverleners.
Doel is een ontwerp te geven voor een' christelijke psychologie en psychotherapie, Bij de bespreking van dit omvangrijke boek beperk ik me tot de hoofdlijnen.
Het boek bevat 4 hoofdonderwerpen:
1. de grondslagen. van de psychologie.
2. overzicht van de seculiere psychologie.
3. persoonlijkheidsleer, toegespitst op de psychopathologie.
4. de mentale therapie.

Ad 1.
Ouweneel vult een forse lacune op die bestond onder christenpsychologen, door de psychologie haar plaats te geven (en deze uit te werken) binnen het kader van de Wijsbegeerte der Wetsidee. Het doel van de WdW, met haar grondleggers de christenfilosofen H. Dooyeweerd en D.H. Th. Vollenhoven. is het behandelen van de grondvragen der vakwetenschappen op een wijze die recht doet aan Gods scheppingsorde.
Ouweneel werkt dit op een heldere wijze uit voor de psychologie en verschaft zo de christenpsycholoog een uniek middel om zijn/haar vak te begrijpen vanuit een bijbelgetrouw gezichtspunt. Overigens is kennis van de grondbeginselen der WW noodzakelijk om deze waardevolle materie te begrijpen.

Ad 2.
Ouweneel geeft een overzicht van de ontstaansgeschiedenis en de huidige stand van zaken der seculiere psychologie die veel en leuk geïllustreerde informatie geeft.
Voor mensen die niet in het vak thuis zijn heel leerzaam maar voor vakmensen staat er weinig nieuws in. Zeer opvallend is dat Ouweneel het complete bouwwerk de psychologie intact laat en slechts marginaal Bijbelse kanttekeningen plaatst. Wellicht was hij bij het lezen van de lectuur verrast niet het 'Sodom en Gomorra' aan te treffen dat in sommige evangelische kringen in de psychologie wordt gezien. De onbevangenheid waarmee hij naar dit valkgebied kijkt waardeer ik temeer omdat Ouweneel juist in die kringen veel waardering krijgt.

Ad 3.
Ouweneel geeft hier een overzicht Van de seculiere opvattingen inzake mentale structuren, de normale en abnormale persoonlijkheid. Ook hier blijft het bouwwerk in feite, recht overeind, al pretendeert hij een belangrijke wijziging door de mens in zijn ziek zijn verantwoordelijk te stelten. Hij gaat er dan ten onrechte van uit dat deze opvatting in de seculiere psychologie afwezig is.
Bovendien is de relatie zondeziekte verantwoordelijkheid veel gecompliceerder dan hij voorstelt.
Verder kom ik ook bij hem het telkens weer opduikende fabeltje tegen' als zou Freud de immoraliteit hebben willen aanmoedigen door te stellen dat problemen ontstaan doordat de menselijke driften verdrongen worden: " ...de meest immorele mensen zouden volgens Preud de gezondste moeten zijn.." (blz. 114). Freud echter benadrukte juist het onoplosbare dilemma van de mens door te stellen dat de mens, om te kunnen overleven, ook, zijn driften in bedwang moet houden met zijn geweten. Dit lijkt, zonder dat dit Freuds bedoeling zal zijn geweest, op Paulus' noodkreet in Rom. 7: 15: “...want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik ...". Ouweneel zou overigens' gelijk hebben wanneer hij had gesteld dat veel mensen het hebben opgevat als een aanmoediging tot immoraliteit.

Ad 4:
Ouweneel begint met een overzicht van de seculiere psychotherapieën dat zeer onvolledig (3 blz.!) en weinig actueel is. Vervolgens behandelt hij op soortgelijke wijze de effectiviteit van de psychotherapie en haar curatieve (genezende) factoren. Op grond daarvan komt hij tot de conclusie "...dat de (aspirant) christenhulpverlener geen' psychologie zou hoeven studeren...omdat...afgestudeerde psychologen het immers niet veel beter doen dan amateurs". (blz. 343). Behalve dat nooit iemand heeft beweerd dat je psychologie gestudeerd -zou moeten hebben om een goed therapeut te zijn (want dat moeten we blijkbaar uit deze zin lezen) is het ook nog onzorgvuldig geformuleerd' en slecht onderbouwd.
Waarom hij deze conclusie nodig heeft wordt pas duidelijk als Ouweneel toekomt aan zijn eigen visie op christelijke hulpverlening. Die komt in het kort hierop neer. Ouweneel erkent het nut van psychotherapie, maar het werken aan psychische structuren alléén is onvoldoende. Therapie moet gericht zijn op de relatie van de mens tot God en kan er nooit mee tevreden zijn mensen van hun stress, angst, verslavingen etc. af te helpen, zonder hun hart te taken. Kortom: hulpverlening zonder evangelisatie is slechts lapwerk.' Hiervoor is nodig een bijbels toegeruste therapeut die moet beschikken over de eigenschappen van oudsten en opzieners in de gemeente en over enige christelijk-psychologische kennis. Hiervoor is dus een Bijbelgetrouwe opleiding nodig.

'Psychotherapie' op zichzelf" (dat kan blijkbaar bestaan volgens Ouweneel) staat vijandig tegenover God zegt hij (blz. 353) en brengt de te helpen mens juist systematisch verder van God af (blz. 334). Het bestaansrecht van christelijke hulpverlening zoekt Ouweneel dus in de koppeling Van evangelisatie aan psychotherapie.

Hij haalt evangelisatie naar de spreekkamer. , En ~it je eenmaal op dat spoor dan is' het verband tussen het hebben van psychische problemen en de kwaliteit van het geestelijk leven gauw gelegd. Ik citeer: (blz. 346) "Iedere zielzorger kent uit de praktijk het verschil tussen buitenkant- en binnenkant-christenen, " De zielzorger weet maar al te goed hoeveel stoornissen juist vóórkomen bij mensen voor wie het christen zijn niet (veel) meer inhoudt dan (onregelmatig)kerkbezoek en een traditionele, starre; dogmatische, wettische mentaliteit, en een irrationeel superioriteitsgevoel ten aanzien van de eigen kerk of geloofsgemeenschap.
Zulke mensen vallen in het leven steeds weer met hun geloof door de mand...". Je moet het maar durven zeggen!

Laten we dit citaat eens bekijken vanuit de bijbelse optiek die Ouweneel zelf aanbeveelt. Buitenkant-christenen zijn volgens Ouweneel christenen die op eigenbelang en sociale status uit zijn; binnenkant-christenen daarentegen dienen· de werkelijke God van hun hart. Ouweneel denkt dus te kunnen beoordelen tot welke categorie iemand behoort. Maar hoe moet ik dat nu rijmen met wat Paulus schrijft in 1 Cor. 2 : 15: "Maar de geestelijke mens 'beoordeelt alle dingen, zelf echter wordt hij door niemand beoordeelt. Want wie kent de zin des Heren dat hij Hem zou voorlichten?" En voor een beoordeling van de rest van het citaat kunnen we alweer Paulus aan het woord laten: Rom. 7 : 13-26 o.a.: ”Want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik". Dus ook Paulus heeft blijkbaar het gevoel (of sterker nog: de zekerheid) dat hij 'dagelijks met zijn, geloof door de mand valt'. Dat betreft dus niet. vooral mensen met stoornissen, zoals Ouweneel veronderstelt. Nee, wanneer Ouweneel's ontwerp van' een christelijke hulpverleningswetenschap (boëthologie noemt hij dit) hierop neer komt dat de hulpverlener 'mensen in nood' geestelijk de maat moet nemen, dan houd ik me liever bij de seculiere psychotherapie. Behalve dat het op mijn eigen vakgebied ligt, besteed ik ook zoveel aandacht aan deze zaak omdat hier telkens het knelpunt ligt binnen de christelijke hulpverlening (en b.v. ook in de chr. politiek): deze is pas christelijk wanneer je mensen tot het geloof brengt, menen sommigen.

Concluderend moet ik zeggen dat dit boek twee gezichten heeft; Daar waar Ouweneel theoretisch blijft (de grondslagen van de psychologie) is hij zeer leerzaam en kan ik iedere christenpsycholoog aanbevelen 'hem te lezen. Maar als hij toekomt aan het formuleren van zijn 'Boëthologie' wordt . hij onzorgvuldig en vind ik hem minder bijbelgetrouw dan wellicht zijn bedoeling zal zijn geweest.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief