Geloven: samen doen
1985-07-26
Heb je om te geloven de kerk nodig?- Jaargang 29
- nummer 29
Veel mensen zeggen: nee. Sommigen zelfs: integendeel. We kunnen mensen tegenkomen) die zeggen: ik geloof wel....en ze menen dat ook oprecht, ze zijn ook veel met hun bijbel bezig - maar de kerk hoeft voor hen niet meer. Vaak hebben deze mensen negatieve ervaringen opgedaan in een kerk; met de dominee, met een ouderling) een koster) een bakker of een kruidenier.
Toch: het antwoord op de vraag of je nu echt de kerk nodig hebt om te geloven en bij het geloof te blijven, moet niet. worden gezocht in de ervaring van mensen. Niet in de negatieve ervaringen, maar ook niet in de positieve. De belangrijkste vraag (en dat is een van de aanstootgevende kanten van het geloof en van de bijbel voor de mens van deze· tijd) is n.l. niet: wat vinden wij? De belangrijkste vraag is vindt de Here het nodig? Wijst Hij ons die weg? We gaan eens kijken, hoe de Here ons die weg wijst in Hebr. 10: 23, 25.
In de twee vorige nummers van deze maand 'hebben we al gezien, dat de hoop in het geloof een belangrijke plaats inneemt. Omdat geloof is: een aandeel in Gods toekomst..Hebreeën 11 : 1) hoort daarbij: volharding (Romeinen 5 : 3, 8 :.25). De hoop is in de bijbel nooit iets onzekers, niet afwachten of er ooit betere tijden komen, maar zekerheid: naar .de betere tijden die God beloofd heeft, toe leven. Die hoop is zekerheid, omdat de Here trouw is. Van het begin tot het einde is de bijbel vol van die trouw Van de Here. Hij is trouw aan de schepping, trouw aan de mens, trouw aan Zijn volk. Daarom gaf Hij Zijn eigen Zoon, de Here Jezus. Christus. En Christus geeft ons uitzicht op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, de stad die fundamenten heeft. Daarheen zijn we op weg.
Samen op weg. Daarom staat er in de tekst niet: laten we de hoop vasthouden, maar: laten we de belijdenis van wat wij hopen 'vasthouden. In dat woord belijdenis zit iets gezamenlijks. Belijden is: samen een uitspraak doen: Natuurlijk: iedere gelovige spreekt voor zichzelf over de hoop, die hem bezielt. Ieder voor zich kan zeggen, wat zijn geloof inhoudt en waarop hij het baseert. Maar tegelijk zit er iets gemeenschappelijks in, iets waar we in de kerk samen mee bezig zijn.
Bij de Hebreeën begon het gevoel van de gezamenlijkheid te tanen. Sommigen van hen waren er niet meer zo zeker van, dat ze het met hun geloof in Jezus als de beloofde Christus bij het rechte eind hadden. Er waren er, die terugverlangden naar hun vroegere manier van: leven en denken, de manier van de mozaïsche wet, zoals hun volksgenoten leefden, die de eredienst in, tempel en synagoge voortzetten alsof er nooit een Jezus van Nazareth was geweest. De schrijver van de brief aan de Hebreeën heeft geprobeerd, de twijfelaars een steun in de rug te geven, door heel breedvoerig te laten zien, dat God in Jezus de vervulling had gebracht Van heel die vroegere eredienst; dat Hij nu het beloofde nieuwe verbond tot stand gebracht had. Hij heeft aangetoond, dat de Here juist zó Zijn trouw betoonde. Op die trouw van de Here rust de hoop van Zijn volk. Vasthouden aan die hoop is echt iets, om sámen te doen. Heel de brief door vinden we dat. In 3 :13 lezen we met het. oog op het gevaar van afval: vermaant elkander dagelijks, zolang men nog van een heden kan spreken, opdat niemand van U zich verharde door de misleiding der zonde. In 4 : 1 de waarschuwing, dat niemand mag achterblijven, En achterblijven is: de gemeenschap kwijtraken, los raken van de broederschap. En zo ook de Here, die Zijn kudde bijeen wil houden.
De roeping' om elkaar vast te houden, wordt in vs 24 zo onder woorden gebracht: laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken. De woorden die de auteur hier gebruikt, zijn geen prettige woorden. In het eerste woord (acht geven) zit iets van bespioneren, beloeren. Met argusogen toekijken. En het tweede woord (aanvuren) heeft vaak te maken met verbittering. Letterlijk is het: aanscherpen.
En bij dat woord aanscherpen denken we in onze tijd aan polariseren. Het aanscherpen van tegenstellingen. De schrijver zal deze woorden, die zo'n negatieve klank hebben, ontlenen aan de manier waarop de Hebreeën met elkaar omgingen. Het lijkt me niet uitgesloten, dat de broeders en zusters wat kritisch naar: elkaar keken: moet je eens zien wat ze nu toch weer doen - het is maar niets bij ons in de gemeente. Zo zijn mensen vaak bezig die voor zichzelf een argument zoeken om weg te gaan. Die werken zichzelf toe naar het moment waarop ze kunnen zeggen: jullie zien me hier niet meer. Ze verbitteren zichzelf en anderen, en scherpen de gevoelens van onbehagen aan . De schrijver pakt die woorden op om er een positieve draai aan te geven. Hij zegt: gebruik Uw scherpe ogen nu eens niet, om Kritisch te kijken én onlust aan te scherpen, maar gebruik je oplettendheid om de liefde aan te scherpen. 'Om te kijken, waar je iets goeds kunt doen en de ander helpen kunt. Het komt voor dat mensen, vooral jongeren, die eens wat anders willen, het gevoel krijgen dat ze kritisch worden bekeken. Van de weeromstuit gaan ze dan kritisch terugkijken. En wie dat doet, vindt heel wat verkeerde dingen.
Als we kijken naar onze broeders en zusters in de gemeente, en ook als we kijken naar onszelf(!), moeten we maar bedenken dat de Here alle zonden en gebreken nog veel en veel scherper ziet dan wij. Hij weet veel meer van mij dan mijn broeders en zusters. Hij weet veel meer van mijn broeders en zusters dan ik. Wie dat bedenkt, is nergens meer met Zijn kritische blikken, als die alleen maar kritisch zijn, zonder liefde; De Here, die ons zo goed ziet, is een God van liefde en genade; de God die ons niet naar onze ongerechtigheden vergeldt, maar onze schuld heeft uitgewist (Ps. 103). Zoals Hij naar mij kijkt, als .Ik mijn knieën voor Hem buig, kijkt Hij ook naar mijn broeder en zuster. Dat is het belangrijkste dat je van elkaar kunt weten in de kerk: samen biddende mensen te zijn. En als je op elkaar let, zul je dat doen met een gebed in je hart. Je kijkt niet uit bemoeizucht of om praatstof op te doen, maar uit liefde en om te helpen.
Met het oog op die liefdevolle omgang met elkaar zegt de tekst verder: wij moeten. onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkaar aansporen...Dat betekent: je mag de gemeente niet in de steek laten. Ook niet als ze bij elkaar komt.
We zijn gewend deze tekst te citeren als argument om ongeregelde kerkbezoekers te vermanen.
Niet ten onrechte. Maar vaak citeren we de tekst toch verkeerd. Dan gebruiken we het meervoud: bijeenkomsten. Maar er staat een enkelvoud: bijeenkomst. Dat betekent: gemeente. Met een accent op het feit, dat zo'n gemeente regelmatig samenkomt. Juist in dat samenkomen toont zij zich gemeente. Aan de andere kant: zo'n samenzijn is niet een samenzijn van mensen die elkaar aardig vinden en een gemeenschappelijke belangstelling hebben; het is een bijeenkomst van de gemeente van de Here Jezus Christus.
Dat samenkomen is echt een daad van de gemeente.
Veel mensen hebben de gedachte, dat een kerkdienst net zoiets is als een voorstelling of een uitvoering. Je kunt er heen, je kunt ook thuis blijven. Als je er heen gaat, ben je vertier nogal passief, maximaal ben je als consument aanwezig: je neemt de preek van de voorganger tot je, en verder gaat het je niet zo veel aan. Die gedachte wordt enigszins in de hand gewerkt door de vorm, waarin we veelal onze eredienst houden: de preek en de samenstelling van de Iiturgie zijn in de regel het werk van één man. Maar die man heeft ook ja gezegd, bij zijn bevestiging, op de vraag of hij wel wist 'dat pij wettig door, de gemeente geroepen was. Ik wil maar zeggen: ook in de huidige 'vorm is de eredienst een dienst van de gemeente. En uit die samenkomende gemeente moet je niet deserteren - dat betekent het Griekse woord eigenlijk: En dat met name, omdat de dag dichterbij komt, Die dag is de dag van de Here Jezus Christus. De dag, waarop Hij al Zijn schapen bij elkaar zal brengen tot één gemeenschap. Israël zong in de eredienst: bij U te wonen, Heer, is goed. De gemeente van het nieuwe verbond mag dat lied overnemen. Het was en is een vooruitlopen op het samenzijn in het nieuwe Jeruzalem. Juist daarom zingen we - niet op ons eentje, maar in de gemeente:
Hoe lieflijk, hoe goed, is mij,
Heer,
het huis waar Gij Uw naam
en eer
hebt laten wonen bij de
mensen