'Clair' en 'obscur' in onze verhouding tot God (3)

1985-07-26
  • Jaargang 29
  • nummer 29
Een nieuw voorbeeld van het 'toegankelijke' en het 'ontoegankelijke' en hoe dicht de Schrift die twee bij elkaar houdt, vinden we in het gedeelte Jeremia 18 : 1-12. Ik lees dat eerst weer voor ....

In deze. passage speelt het beeld van de pottenbakker een belangrijke rol. 11kbegin met de zin in vs 6b: "Zie,. als het leem in de hand van 'de pottenbakker zo zijn jullie in mijn hand, huis Israëls".
Daarmee staan we voor de toepassing van dit beeld zoals die het meest gebruikelijk 1S bij de profeten (Jesaja 29 : 16; 45 : 9, 64:8) en zoals we die ook bij Paulus tegenkomen in de bekende tekst van Romeinen 9:20 v.: “Maar gij o mens, wie zijt gij dat gij God zoudt tegenspreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: waarom hebt gij mij zo gemaakt? Of heeft de pottenbakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol en het andere tot alledaags gebruik?”. Het beeld van de pottenbakker stelt zo gebruikt het vrijmachtig handelen van God in het licht.

Maar nu iets eigenaardigs: in Jeremia's passage functioneert dat pottenbakkersbeeld op deze wijze eigenlijk niet. Het aangehaalde vers 6b bevindt zich als een vreemd voorwerp in het geheel van dit stuk. Vooral, in vs 6a, lezen we (letterlijk vertaald) de zin: ”Kan ik ten aanzien van jullie niet doen, huis Israëls, als deze pottenbakker?” en deze zin geeft de strekking van de hele passage goed weer. Want daarin is niet zozeer Israël zelf het maaksel van de pottenbakker, maar datgene wat Israël van Godswege treft als straf voor z’n slechte gedrag. Dat blijkt uit het vervolg, de verzen 7-10, en op z’n allerduidelijkst uit vs 11: “Zo zegt de HERE: Ik boetseer (beter dan: Ik 'bereid) rampspoedover jullie en Ik beraameen plan tegen jullie. Bekeert jetoch, een ieder van zijn bozeweg en betert :je handel en wandel".. Het is duidelijk dat hier aan 'het bekende beeld een ethische wending is gegeven. Als we hier nog van een voorbeschikking willen spreken, dan is die niet meer persoonlijk ('Ik boetseer jou ') , maar zakelijk ('Ik boetseer iets voor jou'). En in die zakelijke voorbeschikking 'krijgt de mens met zijn verantwoordelijkheid een zeer duidelijke plaats.

Toch staat dat eerder aangehaalde vs er niet voor niets in de tekst. Het herinnert aan het gangbare gebruik van het pottenbakkersbeeld in de Schrift en het laat zo de waarschuwing horen dat we d'r ethisch niet geheel uitkomen. Tweeërlei gebruik van het beeld komen we derhalve in de bijbel tegen. Enerzijds: God boetseert in zijn vrijmacht mensen, de een tot eervolle, de ander tot oneervolle 'bestemming. En anderzijds: God boetseert goed en kwaad als loon en straf in reactie op menselijk gedrag. De mens beïnvloedt daarbij Gods handelen. Dit tweeërlei gebruik moet naar vermogen bij elkaar gehouden worden. In het ene spreken is de Schrift strikt religieus, in het andere ethisch-religieus (of religieus-ethisch). En de Here God spreekt zo in zijn Woord opdat wij voor zijn aangezicht vrezen en vertrouwen en onze verantwoordelijkheid nakomen.

Van dit bekende beeld van de pottenbakker stap ik over op een nog veel bekender tekst uit Paulus’ brief aan de Romeinen die de voorbeschikking tot inhoud heeft, Romeinen 8 : 29: "Want die Hij tevoren gekend heeft dezen heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broeders". Er zou een hele boel over deze tekst te zeggen zijn. Er is veel over gedacht en er is nog veel meer over geschreven.
De tekst bevat inwendig al een spanning tussen 'clair' en 'obscur', tussen ontoegankelijk en toegankelijk. Het valt toch op hoe dicht hier de gestalte van de Zoon wordt aangeschoven tegen het begin van de goddelijke voorbeschikking.
De tekst die zich kenmerkt door geslotenheid krijgt daardoor toch een opmerkelijke openheid mee, want deze Zoon wil de eerstgeborene onder vele broeders zijn. Juist dat 'vele' doorbreekt de gedachte van een 'numerus clausus' ('gesloten getal') die overigens duidelijk in dit woord 'van Paulus zit opgesloten. 'Velen' staat in de Schrift zelfs open naar 'allen' (zie b.v. Romeinen 5: 18, 19) waardoor het 'God wil' dat alle mensen zalig worden' hier zachtjes meeklinkt. De bekende tekst vertoont dus een mengeling van geslotenheid en openheid. Duidelijk worstelt de apostel hier om de voorbeschikking uit de sfeer van de willekeur weg te houden.

Toch heb ik met het aanhalen van deze tekst eigenlijk een ander doel. Ik wil er een tweede woord van de apostel Paulus dat evenzeer de voorbeschikking tot inhoud heeft, naast zetten, te weten 1 Korinthiërs 2 : 7: " ...maar wat wij spreken, als een geheimenis is de verborgen wijsheid Gods, die God reeds 'van eeuwigheid heeft voorbeschikt tot onze heerlijkheid". Tweeërlei voorbeschikking treffen wij in deze woorden die we nu naast elkaar gezet hebben aan: een persoonlijke en een zakelijke. De eerste maal zijn het mensen die God heeft voorbeschikt tot de zaligheid, de tweede !keer is het de wijsheid Gods, je mag zeggen: de weg van het evangelie en het geloof daarin, die God heeft voorbeschikt. Gods voorbeschikking van mensen !blijft ons duister. Allen 'kennen wij het pijnlijke raadsel waarom God de ene mens met het evangelie in aanraking brengt en de andere. niet, de ene mens doet geloven en de andere niet. Maar die tweede, die' zakelijke voorbeschikking ontsteekt licht in deze duisternis. De wijsheid Gods van eeuwigheid af is geweest dat de mens, ieder mens, tot de Zaligmaker Jezus Christus mag komen. "En die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen", zegt Jezus (Johannes 6: 37). Beide voorbeschikkingen zijn om Zo te zeggen even eeuwig. We mogen ze niet tegen elkaar uitspelen. We mogen de een ook niet met behulp van de andere ontledigen. We moeten ze eerbiedig naast elkaar laten staan en ze beiden laten gelden.

De Remonstranten, tegen wie de Dordtse Leerregels zich keren, hielden het enkel op de zakelijke voorbeschikking. Zij leerden “dat de wil van God om zalig te maken degenen die zouden geloven en in het geloof en de gehoorzaamheid van het geloof zouden volharden, het ganse en gehele besluit van de verkiezing ter zaligheid is, en dat er niets anders van dit besluit in het Woord Gods is geopenbaard” (Dordtse Leerregels I, verwerping der dwalingen §1). Ze zeiden dus: Korinthiërs 2, dat is alles. En daarmee drukten zij Romeinen 8 opzij. Van een persoonlijke naast een zakelijke voorbeschikking wilden ze niet weten. Wij moeten niet uit reactie 'het omgekeerde doen en het laten voorkomen alsof Paulus van niets anders dan de persoonlijke voorbeschikking weet. Wij mogen het 'obscur' van Romeinen 8 aanvullen met het 'clair' van I Korinthiërs 2.

Ik wil nog eens zeggen dat als ik het woord 'obscur' of 'ontoegankelijk' gebruik, ik dat niet in murmurerende of klagerige zin bedoel. De apostel zegt van 'de Here God dat Hij 'een ontoegankelijk licht bewoont' (I Timotheüs 6 : 16). Dat is iets anders dan dat er gezegd zou zijn dat Hij een ontoegankelijk duister bewoont. Dat laatste zou te dubbelop zijn en als kwaadsprekerij van de Allerhoogste kunnen worden uitgelegd. Maar een ‘ontoegankelijk licht’ – daar kan een mens goede vrede mee hebben, al zet deze uitdrukking hem ook op z’n plaats. Het obscur in God is niet een kwaadaardig obscur. Ik heb er alleen de lieve grens mee proberen aan te duiden die er tussen God en zijn (gevallen) schepping loopt. Als er in het woord ‘duister’ (dat de Schrift zelf in verband met God gebruikt , zie Psalm 97) iets negatiefs zit, wijst dat naar ons. Op ons maakt de lichtsterkte van God de indruk van donkerte.

Het 'obscur' van Romeinen 8 mogen we dus aanvullen met het 'clair' van I Korinthiërs 2. Er is een persoonlijke verkiezing waarbij God in zijn majesteit zegt: die en die en die mag tot Mij komen. Deze verkiezing is voor ons ontoegankelijk. En er is een zakelijke verkiezing waarbij God in zijn liefde zegt: zo en zo en zo mag ieder tot Mij komen. Dezeverkiezing is voor ons toegankelijk. Wij kunnen die zelfs beamen door ook zelf te verkiezen wat Hem behaagt (zie Jesaja 56:, 4 en 65 : 12).

Ook de Dordtse Leerregels spreken met de twee woorden van I Korinthiërs 2 en Romeinen 8: "De Schrift getuigt dat God niet alleen degenen 'die geloven zullen wil zalig maken, maar dat Hij ook enige bepaalde personen van eeuwigheid heeft uitverkoren" (D.L. I, v.d.d. § 1). Met dit niet alleen - maar ook leveren de Leerregels een prachtig stuk uiterst genuanceerde theologie, die haar kracht niet zoekt in het slijtend krijgen van de dingen maar in het luisterend naspreken van Gods Woord. Maar de meeste mensen is deze en-en-theologie onverdragelijk. Ze stappen over op een of-of-denken, hetzij naar de ene (remonstrantse) kant, hetzij naar de andere (fatalistische) zijde. Begrijpelijk is dat wel, maar toch vraag ik me af of dit en-en-denken: (eigenlijk een verlegenheids-denken!) niet een goed, medicijn zou kunnen wezen tegen onze gereformeerde zucht om de dingen verstandelijk helemaal rond te krijgen: Het feit dat de Dordtse vaders de boven aangehaalde denkonmogelijkheid uit hun pen gewrongen hebben gekregen, laat zien dat zij niet de rationalisten zijn waarvoor men ze altijd weer houdt. Zouden wij als we hen in deze denkverlegenheid volgen, niet veel minder star kunnen worden en veelmeer open komen te staan voor 's levens vele vele raadselachtigheden en onoplosbaarheden?

(slot volgt)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief