Aandacht voor de Heilige Geest (2)
1986-04-11
Wat gelooft u aangaande de Heilige Geest?- Jaargang 30
- nummer 15
Ten eerste dat Hij tezamen met de Vader en de Zoon waarachtig en eeuwig God is.
Ten tweede dat Hij ook mij gegeven is om mij door een echt geloof deel te doen hebben aan Christus en al Zijn weldaden, mij bij te staan en eeuwig bij mij te blijven.
Na de uitvoerige bespreking die de Catechismus wijdt aan de persoon van de Here Jezus (de zondagen 11 t/m 19, dat zijn 24 vragen en antwoorden), lijkt zondag 20 met maar één vraag en antwoord niet bepaald een bevestiging te zijn van de stelling, dat er uit onze traditie schatten zijn op te delven als het gaat, over de Heilige Geest. Heel anders wordt het beeld echter, wanneer alle vragen en antwoorden worden meegeteld waarin aandacht geschonken wordt aan de Heilige Geest: dat zijn er 31 van de 129! Dat is kenmerkend voor de Reformatie: niet vaak beziet zij de Heilige Geest op zichzelf, maar er is nauwelijks een onderwerp waarbij zij Hem niet ter sprake brengt. Bij het nagaan van, al die Catechismus-uitspraken springt één thema in het oog: steeds weer wordt tot uitdrukking gebracht, dat de Heilige Geest de relatie tussen Christus en ons tot stand brengt. Volgens de hierboven geciteerde zondag 20 behoort, dat tot het centrale van wat wij aangaande de Geest geloven: Hij doet ons deelhebben aan Christus en al Zijn weldaden.
Soortgelijke uitspraken zijn te vinden in de zondagen over Doop en Avondmaal. Zo zegt antw. 70 dat de Geest ons heiligt tot leden van Christus.
In antw. 76 wordt aan de Geest onze vereniging met Christus toegeschreven, die zo intens is dat wij vlees van Christus' vlees en been van Zijn been worden genoemd (vgl. Ef, 5:29-32). Volgens antw. 79 krijgen wij door de werking van de Heilige Geest deel aan Christus' lichaam en bloed. Antw. 80 tenslotte spreekt over de inlijving in Christus, door de Heilige Geest. Al deze termen (deelhebben aan Christus, lid zijn van Christus, vereniging met Christus, inlijving in Christus) wijzen erop, dat de Geest een zeer nauwe band wil leggen tussen Christus en de gelovigen.
Het is op dit punt dat de invloed van Calvijn op de Catechismus merkbaar is. In het derde boek van zijn Institutie stelt hij de noodzaak van de persoonlijke relatie tot Christus aan de orde. Ik citeer: "In de eerste plaats moeten wij weten, dat al wat Christus tot , zaligheid van het menselijk geslacht geleden en gedaan heeft, voor ons zonder nut en van geen gewicht is, zolang Christus buiten ons is, van wij van Hem gescheiden zijn.” (Inst. III 1:1)
Met een beroep op Gal. 3:27 en Rom. 11:17 verklaart hij vervolgens, dat Christus slechts als Verlosser functioneert wanneer mensen ‘hem aandoen’ en ‘als takken zijn geënt op hem de stam’. Wij moeten met Hem één worden, wil Zijn verzoening ons leven raken. Alleen als Hij de onze wordt en in ons woont, plukken we de vruchten van Christus’ kruisiging en opstanding. Hoe komt die gemeenschap met Christus, waarbij Hij en wij tot een eenheid samengroeien, nu tot stand? Calvijn geeft als het beslissende antwoord: door de Heilige Geest. “Hierop komt de hoofdzaak neer, dat de Heilige Geest de band is, waardoor Christus ons krachtdadig aan Zich verbindt.” (Inst. III, 1.1) De Geest is het, die de relatie tussen Christus en de gemeente tot stand brengt zonder welke er van christelijk leven geen sprake kan zijn. Calvijn durft te zeggen, “dat Christus in zekere zin werkeloos ternederligt, totdat onze harten gericht zijn op de Geest; want vóór dien aanschouwen wij Christus slechts onverschillig buiten ons en daarom ver van ons.” (Inst. III, 1.1) Kruis en opstanding worden pas dan levende en verlossende werkelijkheid voor ons.
Wanneer de Geest ons brengt tot de gemeenschap waarin Christus en wij elkaar als man en vrouw toebehoren, Ef.5: 31, 32.
Hoewel Calvijn hiermee voortborduurt op het patroon van Augustinus – zoals prof. Dr. J. Veenhof aanwijst in een artikel met de veelzeggende titel De Geest als relatiestichter – is het natuurlijk voor alles de bijbel zelf die hem inspireert tot deze gedachtegang. De uitspraak van Paulus in Rom. 8:9 is hier maatgevend: “Indien iemand de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe.”
Letterlijk staat er: “Indien iemand de Geest van Christus niet heeft, is hij niet van Hem.”
Kennelijk is de gemeenschap met Christus onbestaanbaar zonder het hebben van de Heilige Geest. Dat blijkt ook uit 1 Cor. 6: 15-17, waar Paulus het hechten aan de Here beschrijft als een één Geest zijn (met Hem). Niet minder sprekend is 1 Cor. 12:12,13. “Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook Christus; want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt.”
Het gaat in dit verband om de saamhorigheid van de gemeenteleden die met elkaar één lichaam vormen; de Geest sticht de relatie tussen hen onderling. Maar die relatie berust op hun gemeenschappelijke relatie tot Christus: het is zijn lichaam waarvan ieder voor zijn deel lid is, 1 Cor. 12:27, vgl. 1 Cor. 10:17. Zo schrijft de apostel ook hier de gemeenschap die christenen met hun Heer hebben en daarom ook onderling hebben, toe aan de Heilige Geest. Niet voor niets spreekt hij in zijn zegengroet van ‘de gemeenschap van de Heilige Geest’
(2 Cor. 13:13); daarmee denkt hij ongetwijfeld aan de gemeenschap van broeders en zusters die de Geest tot stand brengt (Fil. 2:1,2), maar niet minder aan de gemeenschap met de Here Jezus zelf (1 Cor. 1: 9).
Dit motief van de gemeenschap met Christus die door de Geest wordt geschonken, heeft Calvijn na aan het hart gelegen.
Hij moet niets hebben van een geloofsleven, waarbij mensen op afstandelijke wijze van het offer van Christus redding verwachten, als zou het voldoende zijn om tot de 'theoretische aanvaarding te komen van het sterven van Christus in onze plaats.
Voor Calvijn gaat het evangelie, " dat Christus de straf gedragen heeft die ons de vrede aanbrengt, pas op wanneer er van een werkelijke verbondenheid met Christus sprake is, "Wij bezien Hem dus niet van verre buiten ons, opdat zijn rechtvaardigheid ons toegerekend worde; maar, omdat wij Hem aangedaan hebben, en wij in zijn lichaam ingelijfd zijn, en Hij eindelijk ons waardig gekeurd heeft om ons met zich één te maken, daarom roemen wij, dat wij gemeenschap der rechtvaardigheid 'met Hem hebben." (Inst. nr, 11, 10) Het is niet toevallig, dat dit gedachtegoed door de Catechismus met name in de zondagen over het Avondmaal verwerkt is. Een van de grote strijdvragen van de 16e eeuw was, hoe de gemeenschap met Christus aan het Avondmaal (I Cor. 10 : 16) tot stand komt. Volgens de klassieke RK-e leer verandert het brood door het wijdingswoord van de priester op wonderlijke wijze in het lichaam van Christus, zodat het eten, aan het Avondmaal als zodanig gemeenschap met Christus tot stand brengt. In de praktijk heeft deze zgn. transsubstantiatie-leer ertoe geleid, dat de RK-e gelovigen van dat enkele eten van die mysterieuze substantie hun heil zijn gaan verwachten.
De persoon van de gekruisigde en opgestane Christus verbleekt hier achter het materiaal, dat als een hemels medicijn wordt uitgereikt en voor de vroom levende mensen de genade van God vertegenwoordigt.
Hoe warm klinkt hier het reformatorisch protest, dat van geen heilsbetekenis van het Avondmaal wil weten dan waar de gelovigen door de Geest betrokken zijn op hun levende Heer en Heiland! Ook:de Catechismus stelt het werk van de Geest centraal, omdat hij doordrongen is van het besef dat het christelijk geloof niet opgaat in het aanhangen van leerstellingen of in het opvolgen van leefregels, maar ten diepste bestaat in de relatie met Jezus de Heer, die voor ons is gekruisigd en opgestaan.
De aktualiteit van dit accent op het gemeenschap stichtend werk van de Geest is onmiskenbaar.
Nog altijd worden wij bedreigd door de misvorming van het geloof, waarbij Christusnaar de treffende uitdrukking van Calvijn - buiten ons blijft en verre van ons staat. Hoe gauw valt het niet buiten onze leefwereld, dat Christus in liefde Zijn leven voor ons gegeven heeft en overwinnend voor ons is opgestaan? Hoe vaak wordt het niet ver weg, naar de achtergrond van ons leven gedrongen, dat Hij over ons regeert en ons leven leidt? Ontaardt niet voor we er erg in hebben het gesprek op de bijbelkring in een afstandelijk spreken óver Christus in plaats van dat er gesproken wordt vanuit de band mèt Christus? Staat zelfs het gebed niet bloot aan het gevaar, dat de levende omgang met de Here stolt tot een aantal formules?
Dat deze dreiging lang niet altijd tot werkelijkheid wordt, zodat er in ons kerkelijk leven nog veel diepe gemeenschap met God en zo met elkaar is te vinden, is een feit om de Heilige Geest dankbaar voor te zijn. Die dankbaarheid mis ik nog wel eens bij hen, die in evangelische bevlogenheid ons kerkelijk leven alleen maar als teleurstellend ervaren. Het is bovendien onvruchtbaar, om in een zekere jaloezie het gevoelen te koesteren dat de Geest elders veel meer uitwerkt dan bij ons. Wie zichzelf leert oog te hebben voor de vaak heel bescheiden uitingen van het werk van de Geest, zal bij alle teleurstelling toch ook steeds weer blij verrast kunnen zijn door het ogenschijnlijk zo routinematige christendom in eigen kring. Dat neemt niet weg, dat de hierboven aangeduide verschraling van het christelijk leven keer op keer en her en der de kop op steekt. Het zou heel onbillijk zijn, de waarschuwing daartegen af te doen als ‘overgeestelijk’. Onze eigen gereformeerde voorgangers hebben het ons wel anders geleerd! Volgende week hoop ik hen opnieuw aan het woord te laten; dan zal aan de orde komen hoe de Geest ons met Christus verbindt.