Over doop en over-doop (1)

1985-01-04
  • Jaargang 29
  • nummer 1
Wat moet je zeggen, als een gewaardeerd lid van de Bijbelkring je uitnodigt, binnenkort zijn doop door onderdompeling bij te wonen?
Wat moet je zeggen, als je getrouwde dochter meedeelt dat zij en haar man overwegen de baby die op komst is niet te laten dopen?, Wat.moet je zeggen, als je verkering krijgt met iemand die iou stralend verzekert dat belijdenis-doen niet goed uitdrukt dat ie ie hart aan Jezus gegeven hebt, en dat ie rijker kunt geloven door ie als volwassene te laten dopen? Wat moet ie in zulk soort situaties zeggen?

De vraag is voor velen van ons al lang geen theoretische vraag meer voor op een diskussieavond.
Je kunt zo maar tegen het probleem aanlopen: in de familie, in de kerk, bij Youth for Christ. En in de praktijk blijkt het dan zo gemakkelijk niet te zijn, vanuit de bijbel de gereformeerde praktijk van kinderdoop overeind te houden. Hoewel, sommige oudere lezers zullen daar misschien anders over denken.
Want hebben wij ten tijde van de Vrijmaking niet een helder en diep inzicht in het bijbelse spreken over de doop ontvangen? En is het in wezen daarom niet eenvoudig om een afdoend weerwoord te geven, als ontkend wordt dat de kinderdoop de bijbelse doop is? Nu, stellig zijn er vanuit onze vrijgemaakte traditie in menige preek over Catechismus-zondag 27 zo duidelijke en bijbelse lijnen getrokken,. dat mensen die op het punt van de doop in verwarring verkeerden, een blijvend houvast gevonden hebben. Ook 'Opbouw' heeft reeds meermalen getoond hier niet met de mond vol tanden te staan. 1) Toch is er reden om op deze plaats opnieuw aan de vragen rond de doop aandacht te schenken. Niet alleen, omdat een steeds toenemend aantal mensen in onze kring niet zo gevormd is door de Vrijmaking als een vorige generatie. Maar ook, omdat de kritiek op de kinderdoop waar zij nu mee te maken krijgen, wel hier en daar verwant is aan de opvattingen die in 1944 de tegenspraak van de latere Vrijgemaakten opriepen, maar toch een heel eigen-geschiedenis en achtergrond heeft. Want laten wij ons niet vergissen: de mensen die de doop, aan hen bediend toen zij een baby waren, niet als bijbelse doop erkennen en zich daarom als volwassenen alsnog' door onderdompeling laten dopen, hebben de gereformeerde traditie op dit punt ingeruild voor een ándere traditie. 2)
Zij zijn zich dat vaak niet bewust, en menen dan oprecht dat zij tot hun nieuwe inzichten gekomen zijn door simpelweg de bijbel te lezen. Waarbij zij hen, die de kinderdoop verdedigen, vervolgens niet zelden verwijten de bijbelse klaarheid te verduisternis met ingewikkelde rederieringen over het verbond, de huis-teksten en wat niet al. ..
Misschien is dat ook wel een van de dingen waarmee de 'overdopers' indruk maken: hun ogenschijnlijk eenvoudig-bijbelse betoogtrant.
Maar echt, dat is niet meer dan ogenschijnlijk. Want aan de manier, waarop zij bijbelgegevens lezen en rangschikken, liggen uitgebreide gedachtenkomplexen ten grondslag. Het nadenken over doop en overdoop zal dáárnaar moeten doorstoten, wil het niet ontaarden in een touwtrekken om bijbelteksten.
Zo kunt u van dit en de komende artikelen een poging verwachten, de diepere verschillen in bijbelverstaan op te sporen tussen voor- en tegenstanders van de kinderdoop. Eerst zal daartoe nagegaan worden, wie er nu precies in de doop aan het woord is. Volgende week wil ik enkele opmerkingen maken over de verhouding tussen Gods keuze voor ons en onze keuze voor God. Het derde artikel zal ingaan op het thema 'doop en wedergeboorte'.
Daarna zal de reeks besloten worden met aandacht voor de vraag naar de groei in het christelijk leven.

1) Zo recent nog het artikel van H. de Jong, De vrijmaking herdacht, in 'Opbouw' van 31 augustus 1984.
2) Er zijn verschillende tradities van waaruit de kinderdoop wordt afgewezen.
Zo kwam Karl Barth langs een heel andere weg bij die afwijzing uit dan de Pinksterbeweging. In deze artikelen ,kijk ik hoofdzakelijk de kant op van die christenen, die door opwekkingsbewegingen zich tot overdoop laten motiveren.


Wie is er in de doop aan het woord?
"Wij geloven, dat de christelijke doop is het onderdompelen van een gelovige in water in de naam van de Vader, de Zoon en de 'Geest, opdat wij zo in een plechtig en mooi zinnebeeld ons geloof in een gekruisigde, begraven en opgestane Verlosser met zijn reinigende, kracht verkondigen."
Zo luidt het begin van art.
14 van de Geloofsbelijdenis van New-Hampshire, een baptistisch belijdenisgeschrift uit 1833. Het is een formulering, die een helder licht werpt op de praktijk van volwassendoop waarmee wij zo regelmatig in aanraking komen.
De doop wordt hier nl. omschreven als een menselijke belijdenis: het is een zinnebeeld, een symbool, waarin wij ons geloof in Christus verkondigen.
Omdat een daad van verkondiging alleen van volwassenen te verwachten is.. moet de konklusie zijn dat de doop per definitie niet aan baby's is te bedienen.
Alleen zij, die tot een bewust en persoonlijk geloof in de Verlosser gekomen zijn, kunnen gedoopt worden om zo aan hun geloof uitdrukking te geven.
Het opvallende in deze benadering is, dat een bewust en persoonlijk geloof niet alleen gezien wordt als voorwaarde voor de bediening van de doop, maar als inhoud van de doop zelf. Niet alleen voorafgaand aan zijn doop moet de gelovige kunnen getuigen van zijn geloof in Christus, maar zijn doop als zodánig is zo'n getuigenis! In de doop is dus een mèns aan het woord, een mens die zijn leven aan Christus heeft gegeven en dat in zijn doop tot uitdrukking brengt.
Zoals een lied uit de bundel van Johannes de Heer zingt:

Hoe zalig, verlost te zijn
door Jezus bloed!
Ik werp mij nu neer in die
heilige vloed:
van zonde en van oordeel
(ben ik nu gans vrij,
mijn Jezus geeft vrede, Hij
stierf ook voor mij. 3)

3) In de dertiende druk uit 1933 is dit lied no. 169.

Je neerwerpen in de vloed: dát is gedoopt worden. Liefst letterlijk, door onderdompeling; Als een getuigenis, een verkondiging: ik kom tot Jezus, en word zo gereinigd door Zijn Moed.
Geen wonder, dat zogezien de kinderdoop geen been heeft om op te staan. Niet alleen kan een baby niet aan de voorwaarde voldoen om gedoopt te worden; nee. een baby kan de doop als zodanig niet beleven. Een baby kan immers nooit zichzèlf in het doopwater begeven als uitdrukking van zijn geloof, en dus is kinderdoop zoiets als een vierkante cirkel. Tenminste - zolang je er van uitgaat dat de doop een zinnebeeld is, waarin de dopeling van zijn geloof getuigt.
Maar geeft de bijbel werkelijk aanleiding tot die opvatting? Zeker, in het N.T. wordt niet zelden het verband gelegd tussen de doop en een gelovige overgave aan Christus: Marcus 16: 16; Hand. 2: 38; 16: 30-34; Gal. 3: 27 enz. Maar leg daarnaast nu eens de beschrijving van het effekt van Petrus' prediking op de Pinksterdag in Hand. 2 : 41: "Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen 4) en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd."
Hier wordt van mensen die zich lieten dopen, gezegd dat er iets met hen gedaan werd: ze werden toegevoegd. en wel tot de kring van behoudenen, zoals uit vs. 47 blijkt, Dat laatste vers van Hand. 2 maakt ook duidelijk, wie die dopelingen aan de gemeente toevoegde: de Here. Het is heel opmerkelijk, dat Hand. 2, waarin het thema van behouden worden zo centraal staat (vs. 21, 40, 47), dat behouden worden uiteindelijk toeschrijft aan een aktiviteit van de Here. De overgang uit het verkeerde geslacht (vs. 40) naar de kring van hen die behouden worden, is kennelijk Zijn werk, dat áán een mens voltrokken wordt, en niet dóór een mens.

4) Ook de vertaling ‘’werden gedoopt" is mogelijk.


Nu is de doop zonder twijfel een ceremonie, die déze overgang markeert. Anders dan het avondmaal, dat bij herhaling gevierd wordt (I Cor. 11 : 26) en zo de uitoefening van de gemeenschap met Christus behelst (I Cor. 10 : 16), vindt de doop slechts éénmaal plaats, en wel als een inlijving in de gemeenschap met Christus. Want hét is de betekenis van de formule gedoopt worden in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest' (Matth. 28 : 19): binnengevoerd worden in het machtsbereik van de drieënige God, Gods naam, dat is Zijn aktieve aanwezigheid; vgl. de bede van psalm 54 : 3: 0 God, verlos mij door Uw naam. Wanneer Gods naam over je is uitgeroepen, heerst Hij over je, Jesaja 63 : 19. Daarom wordt iemand, die discipel van Christus gemaakt wordt, gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Zo iemand is immers niet meer in de macht van de boze, maar in de beschermende macht van de Vader, de verzoenende macht van de Zoon, en de vernieuwende macht van de Geest. De doop is dus eigenlijk niets anders dan de bezegeling van het toegevoegd worden aan de kring van hen die behouden worden. In oude gereformeerde termen gezegd: de doop bezegelt de opneming in het verbond met God.

Om die reden is het dan ook volledig tegen de strekking van het N.T. in, om te denken dat in de doop een mens aan het woord is. Juist omdat de overgang uit de duisternis naar het licht in heel de bijbel gekenschetst wordt als het verlossend handelen van God, is Hij in de doop aan het woord. Zo zegt Paulus veelzeggend in Ef. 5: 26, dat Christus Zijn gemeente reinigt door het waterbad met het woord, en in Titus 3: 5, dat God ons heeft gered door het, badder wedergeboorte en der vernieuwing door de Heilige Geest. Volgens de apostel overkómt de doop dus een mens als Gods reddend ingrijpen. Daarom is het niet toevallig dat in de bijbel - in tegenstelling tot, een bekend gebruik in de oudheid een mens niet zichzelf doopt.
Scherp gezegd: in de doop handelt niet een mens met God, maar God met een mens,5) Want het is Gods werk, de overplaatsing uit de macht der duisternis in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde (Col. 1: 13).
En van die overplaatsing is de doop een afspiegeling, Het behoeft geen betoog, dat nog niet alles gezegd is met de uitspraak: in de doop handelt niet een mens met God, maar God met een mens. De bijbel maakt immers duidelijk, dat het werken van God het werken van de "mens niet uitsluit (vgl. Fil.
2 : 13). Daarom zal in het volgende artikel nader moeten worden ingegaan op de verhouding tussen Gods handelen met ons en ons handelen met God, tussen Zijn roeping en ons geloof, tussen Zijn uitverkiezing en ons aanvaarden van Christus als Heer. Maar wat ook over die verhouding te zeggen valt, voorop staat dat het tot de kern van het evangelie behoort, dat een mens niet zichzelf verlost maar verlost wordt. De doop, die in I Petrus 3 : 21 met zoveel woorden als 'reddend' wordt aangeduid, wijst dan ook onmiskenbaar van de mens af, als een zinnebeeld van Góds verlossend handelen.

5) Deze stelling wordt door een onverdacht getuige bevestigd. De baptist Reiling schrijft nl. in zijn boekje Gemeenschap der heiligen, Amsterdam 1965, in onderscheid van de genoemde geloofsbelijdenis van New-Hampshire: "De doop is niet een uitbeelding van mijn bekering, maar in de doop voltrekt God aan mij Zijn heil."(77)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief