Kent de Schrift vrouwelijke diakenen? (2)
1986-04-11
1 Tim. 3:11- Jaargang 30
- nummer 15
In het meerderheidsrapport worden t.a.v. déze tekst drie mogelijke opvattingen naar voren gebracht:
a) het gaat hier over vrouwen van diakenen;
b) het gaat hier over vrouwelijke diakenen;
c) het gaat over vrouwen in een of andere (niet nader bepaalde) dienst in de gemeente, samenwerkend met de diakenen.
Over standpunt a laat het rapport zich welwillend uit: v. 12 zou dan goed aansluiten bij v. 11 (p. 5, 1-3). Intussen blijven twee grote bezwaren tegen deze opvatting onweerlegd:
1. in de tekst is sprake van 'vrouwen', niet van 'hun vrouwen';
2. moeten alleen vrouwen van diakenen aan bepaalde eisen voldoen,en niet ook die van ouderlingen? Waarom is dan in de paragraaf over de ouderlingen (vv, 2-7 van 1 Tim. 3) over hun vrouwen met geen woord gerept?
Tegen c is in te brengen de vraag: waarom wordt de derde categorie ('vrouwen') ingesloten tussen de bepalingen voor de tweede categorie ('diakenen')? De commissie-meerderheid releveert zonder tegenspraak (5, 38-41)de uitleg, dat "de hervatting van ‘diakenen... ' in vs. 12 wel wordt uitgelegd als een opmerking achteraf, waarbij diakenen die goed hun diakenambt vervullen of hebben vervuld uitzicht wordt geboden op een stapje verder: opziener worden". Hier ware toch een kritische kanttekening niet misplaatst geweest; deze nl. het uitzicht op een 'vriend, ga hogerop!', komt pas in v. 13 ter sprake. V. 12 daarentegen geeft bepalingen over het monogame huwelijk en over het regeren van gezin en personeel; bepalingen die we precies zoàantreffen in de paragraaf over de ouderlingen (vv. 2 en 4).
Wij hebben hier dus bepaald nièt te maken met 'een opmerking achteraf', na 'het slot dus' van de diaken-paragraaf; integendeel wij zitten nog midden in de opsomming van de vereisten voor diakenen, als daar die vrouwen komen binnenvallen.
Welnu, de enige zinnige reden die men m.i. bedenken kan voor het introduceren van die vrouwen is: dat Paulus, beseffend dat voor het diakenambt ook vrouwen in aanmerking kwamen, duidelijkheids- (en volledigheids)halve even heeft willen zeggen, dat de in vv, 8-10 genoemde bepalingen evenzeer gelden, wanneer het om vrouwelijke kandidaten gaat.
Ook valt dàn te verstaan, waarom hij de bepaling van v, 11 juist op dié plaats inlast: hij is met v. 10 aan het einde gekomen van de vereisten die voor mannen en vrouwen gelijkelijk gelden, en heeft alleen nog een vereiste in petto die alleen de mannen betreft (v. 12). Merkwaardigerwijze ontmoet nu uitgerekend déze oplossing bij de commissie-meerderheid twijfel.
Wij worden bestormd met een reeks vragen (5, 18-27): "als het om niet meer en niets anders zou gaan dan vrouwelijke diakenen, waarom moeten deze nog; apart genoemd? Zij vallen dan toch onder de diakenen, héten dan ook "diakonos", ze kunnen in het Grieks met dezelfde termen worden aangeduid. "Diakenen moeten waardig zijn ... " vs. 8 vv, daarin zijn dan toch, àlle begrepen, mannelijke en vrouwelijke! Waarom moet dit voor de laatsten nog eens herhaalden waarom worden zij als "vrouwen" aangeduid, ja onderscheiden van "diakenen"? In vs. 12 heet 't opnieuw "Diakenen ... ",en dan blijken dat weer zonder meer mannen te zijn!"
Ik denk, dat ik niet beter kan doen dan een passage uit de Oudtestamentische wetgeving citeren, omdat daarmee alle vragen die hier worden afgevuurd - op één na - worden beantwoord: Ik bedoel Dt. 15 : 12-18.
Dat gedeelte begint aldus: "Wanneer uw broeder .. .". En dan worden wij er aanstonds aan herinnerd; dat 'broeder' ofschoon een mannelijk woord, in het OT de benaming is voor elke volksgenoot, onverschillig of het een vrouw is of een. man. (De aanduiding 'zuster' voor een vrouwelijke deelgenote in het heil, zoals het NT die kent, vindt men in het OT zelden of nooit 9)).
Daarom volgt hier in v. 12 na dat 'broeder' de bijstelling "een Hebreeuwse man of een Hebreeuwse vrouw". De eerste paragraaf van het nu volgende wetsartikel staat dan vervolgens in de mannelijke vorm (tot het einde van v. 14).
Hij wordt besloten met een verwijzing naar de uittocht (v. 15).
Dan volgt een tweede bepaling, opnieuw in de mannelijke vorm: "Maar wanneer hij tot u zegt. .. " (v. 16); en dat gaat zo door tot het midden van v. 17: " opdat hij voor altijd uw dienstknecht zij". Maar aan hef slot van deze tweede paragraaf volgt nu de toevoeging: "En ook met uw dienstmaagd zult gij zo doen". Waarna het hele wetsartikel wordt afgesloten met de vermaning, dat de naleving ervan je niet zwaar mag vallen; opnieuw in de mannelijke vorm (“... als gij hem vrij laat weggaan, want zes jaar heeft hij ... ").
Wel, als we nu nog één keer kijken naar 1 Tim. 3, 8-12, dan zien we die passage beginnen met het woord diakonous, een woord evenals het 'broeder' in Dt. 15; 12 - van mannelijke vorm weliswaar, maar waaronder ook vrouwen begrepen zijn. Vandaar dat aan het eind van de in de mannelijke vorm gestelde algemene bepalingen - evenals dat in Dt. 15, 17 gebeurt - even wordt opgemerkt: voor vrouwen geldt hetzelfde. 10).
M.a.w. de opbouw van 1 Tim. 3; 8-12 loopt verrassend parallel, met die van Dt. 15, 12:17. En daarmee zijn de problemen die de commissiemeerderheid had met uitleg b nagenoeg alle uit de weg geruimd.
Rest nog slechts de vraag te beantwoorden "waarom worden zij als 'vrouwen' aangeduid?" Dat woord is nl. schijnbaar zo algemeen en onbepaald. Maar dan zou ik allereerst willen vragen: welk alternatief had Paulus, zolang het woord diakonissa nog niet was uitgevonden? (Deze vrouwelijke nevenvorm van 'diakonos' komt nl. pas later in zwang.) En wat de schijnbare algemeenheid van de term 'vrouwen' betreft: wel, die vindt toch als vanzelf haar beperking door de context waartussen het woord staat ingeklemd? 11)
9) . De enige plaats schijnt te zijn Hos. 1, 12. De Septuagint heeft daar echter het enkelvoud, waaraan sommige uitleggers de voorkeur geven. Deden (De kleine profeten, Roermond en Maaseik 1953) betrekt het daar gezegde op de drie kinderen van Hosea en Gomer: "Jizreël en Zonder-ontferming moeten hun broer niet meer "Niet-mijn-volk", maar "Mijn-volk" noemen; op dezelfde wijze moeten Jizrei!1 en Niet-mijn-volk hun zuster niet meer "Zonder-ontferming" noemen, maar "ontfermingvindend" (p.37)". Ik laat het aan de Oudtestamentici over uit te maken, wat hier de juiste lezing is. Hoe het ook zij, vast staat, al was het alleen maar uit Dt. 15, 12, dat onder 'broeder' ook de volksgenote kan ressorteren.
10) Paulus is t.a.v. de vrouwen iets breedvoeriger dan de schrijver van Dt: Dat hij echter bedoelt te zeggen: voor haar geldt hetzelfde als voor de mannen, blijkt m.i. zonneklaar uit zijn formulering.
Hij noemt nl. drie vereisten bij name, die corresponderen op de eerste drie eisen voor mannen, en vangt de rest onder dé afsluitende samenvatting "trouw in alles". Zo'n afsluitende samenvatting vinden we bij Paulus ook.
in 1 Cor. 9, 22, waar hij - eveneens na drie groepen met name te hebben genoemd: a) de Joden (anders gezegd: 'zij die onder de wet staan), v. 20; b) die zonder wet zijn, v. 21; c)de zwakken, v. 22 - aldus eindigt: "voor allen ben ik alles geweest, om in alle geval enigen te redden" Hij gebruikt hier een meer voorkomende rhetorische wending.
11) Ook op deze plaats wil ik mijn dank betuigen aan drs Ph. Roorda en aan mijn zoon Klaas voor de hulp die zij mij boden bij het verifiëren van de grondtekst van enkele plaatsen uit het O.T.
Corrigenda. In het voorafgaande artikel (Opbouw 30, 14) zijn enkele storende fouten geslopen: 1) blz. 107, kolom 1, laatste regel: i.p.v. "gevolgen" te lezen: "gevoelen". 2) blz. 108, kolom 2: de bovenste vijf regels te lezen in deze volgorde: 1, 4, 2, 3, 5. 3) blz. 108, kolom 4: in noot 4 is na het citaat uit Greijdanus, eindigend met " ... vanwaar Phoebe kwam" uitgevallen: Alsof dáárvoor het noemen van de plaatsnaam ("te Cenchreae") niet toereikend was!
4) Even verderop in noot 5: i.p.v.- "Echrenk" te lezen "Schrenk".