Kracht of recht
1985-08-09
Ik lees u een stukje uit de geschiedenis van Simon de Tovenaar in Handelingen 8. Er is niemand in het Nieuwe Testament die zo krachtig uitgescholden wordt als juist hij. Dat is er een teken van dat de kerk op emotionele wijze afstand van hem genomen heeft. Omdat verwarring mogelijk was tussen wat 't evangelie wil en wat die Simon beweerde: Hier volgt 't gedeelte (Handelingen, 8 :9-13): - Jaargang 29
- nummer 30
"Geef ook mij deze macht" - met deze woorden van Simon de Tovenaar staan we voor één van de grootste verzoekingen die de jonge christelijke kerk heeft moeten doorstaan en die zij altijd opnieuw zal moeten overwinnen: de' verleiding om' als kerk geestelijke macht over mensen te willen hebben. "
In de stad der Samaritanen was Philip pus de' evangelist opgetreden.
Hij had Jezus Christus als Heiland verkondigd. Hij had gedoopt. En nu waren uit Jeruzalem de apostelen Petrus en Johannes gekomen om de laatste hand aan 't werk te leggen. Zij mochten de nieuwe gelovigen de handen opleggen en 'deze ontvingen daarmee de Heilige Geest. Simon de Tovenaar stond er verbijsterd naar te kijken. Hij 'voelde zich overtroefd. Tot dan toe was hij de gevierde man in de stad geweest. Hij had de' mensen met zijn toverkunsten in verbazing gebracht. Hij hád ze ook aan zich gebonden. Maar nu Philippus was gekomen met de tekenen van het evangelie, voelde hij zich bedreigd. Wat er nu gebeurde sloeg alles. Philippus hoefde maar te preken en de wonderen geschiedden! Zonder hocus-pocus! Zonder dat het zweet van de' inspanning hem tappelings langs 't gezicht stroomde! Simon sloot zich ook aan, liet zich ook dopen. Uit nieuwsgierigheid.
Om de kunst af te kijken. Hij was sinds 't moment van zijn doop niet meer van Philippus weg te slaan.
Deze laatste bijzonderheid laat zien dat zijn bekering niet echt was. Vergelijk 't met wat verderop in dit hoofdstuk verteld wordt: de bekering van de kamerling uit Morenland. Die werd ook gedoopt, eveneens door Philippus.
En nu moet u eens opletten hoe ‘t verhaal dan verder gaat: "En toen zij uit 't water gekomen waren, nam de Geest des Heren Philippus weg en de kamerling zag hem niet meer want hij vervolgde zijn weg met blijdschap" (Handelingen 8: 39). Zo hoort 't ook! Als een mens christen wordt en hij laat zich dopen, dan wordt hij door zijn doop niet vastgeklonken aan de kerkelijke ambtsdrager maar aan de Heer der kerk, Jezus Christus. Hij is dan een mondige gelovige geworden, die zijn weg zelfstandig kan vinden, o zeker, de kerk helpt hem nog wel, maar hij is van haar niet afhankelijk.
Maar deze Simon is niet van zijn doopvader los te branden. En dat is een slecht teken. Dat zegt iets over de onzuivere bedoeling waarmee deze man het christelijk geloof is binnengeslopen. Hij is nieuwsgierig. Hij wil van Philippus de kunst afkijken. En hij is helemaal niet meer te houden als hij er getuige van is hoe Petrus en Johannes door gebed en handoplegging de Heilige Geest verlenen 'aan' de nieuwe gelovigen. Dan biedt hij geld aan en zegt: geef ook mij deze macht. Let wel: hij begeert, de Heilige Geest niet eens voor zichzelf. Hij zegt: als ik dan iemand de handen opleg. ontvangt hij de Hei, lige Geest., Zelf heeft hij voor de gaven van de Heilige Geest geen belangstelling. Hij wil een handeltje beginnen in Heilige Geest, een winkeltje openen in goddelijke kracht. Hij wil met de macht van de Heilige Geest heersen over mensen. Mensen aan zich binden in plaats van aan God.
Deze man is nooit bekeerd geweest. Vóór zijn doop zei men van hem: deze is wat je noemt de grote kracht Gods. En na zijn doop ontdekte hij de Heilige Geest en hij zei: dit is een nog grotere kracht Gods.
Maar hij kende Jezus niet echt. Jezus Christus, is immers niet onder ons gekomen. als de grote, kracht Gods. De Heiland kwam om te voldoen aan het recht Gods. Vanwege onze zonden.
Om voor ons; in en in slechte mensen die wij zijn, de deur van het koninkrijk te openen.' Daarvoor kwam Hij en daarom is zijn evangelie het woord des kruizes.
Jezus is geen krachtpatser. Ja maar Pasen dan? Opstanding? Dat is toch kracht Gods? Ja, maar wij laten het aan God over welke opstandingskrachten Hij schenkt. De ene tijd is daarin anders dan de andere. De mooiste kracht is de' Heilige Geest die ons heilig leert leven. Maar nog eens: die te schenken moet de kerk overlaten aan de Here God. Ze bidt daarom, maar zij beschikt daar niet over. Háár taak is 't zich toe te leggen op de prediking van het evangelie van het kruis en zo het recht Gods in de wereld aan de orde te stellen.
Het geschonden recht van God waaraan Christus voldaan heeft.
Dan zal ze, ook een bescheiden kerk zijn: Een kerk. die niet heerst, maar, die dient en net als Jezus de voeten wast. Een kerk die net 'als Johannes de Doper zegt: Hij moet groeien, laat mij maar minder worden. Geestelijke macht is zo'n verschrikkelijke verzoeking voor de kerk. Zonder zelf deel te hebben aan' de Heilige Geest, probeert ze dan te heersen met de Heilige Geest Over de gelovigen. En dat kan op vele manieren. Of men nu de Heilige Geest aan het ambt bindt of aan de charismatische leider, of aan de wetenschappelijke vorming of aan het politieke bewustzijn - het kan allemaal voortkomen uit een machtsdenken. En dan brengt 't de gelovigen tot onmondigheid en geestelijke afhankelijkheid. De mensen gooien hun zelfstandigheid weg en verslingeren zich aan de leider:' deze is wat je noemt de grote kracht Gods.
Petrus noemt Simon zo niet. Integendeel. Hij scheldt hem uit.
Hij zegt: jij krachtenmanipuleerder, jij kille makelaar in ontroerende goederen, jouw hárt is niet recht voor God!
Inderdaad, als wij mikken op de kracht Gods, dan wordt alles dingelijk en onpersoonlijk. Dan blijft ons hart erbuiten. Krachten zijn, zo. uiterlijk. Het recht gaat naar binnen en spreekt het hart aan. Daarom brengt Petrus terecht het hart van Simon ter sprake. Kom te voorschijn, schullevinkt Je wilt je handen gevuld hebben, maar waar blijft je hárt, waar ben je zélf? Maar Simon komt niet te voorschijn. Ook niet als hij dat schijnbaar zo vrome woord zegt: Bidt gij voor mij tot de Here dat mij niets moge overkomen van wat gij gezegd hebt.
Want dit is geen gebed om vergeving, om wegneming van de schuld, maar om opheffing van de straf. De man denkt nog helemaal in krachten. Dit is zijn overweging: als zo'n machtig man als Petrus een vloek op mij gelegd heeft, kan ook hij alleen maar die vloek van mij wegnemen.
Nog ziet hij Petrus als een krachtpatser. Dat verzoek van hem lijkt op wat we in de oude geschiedenis van Israël de farao tot Mozes horen zeggen: Bidt gij voor mij tot de Here, dat Hij de 1CiklVorsenvan mij en mijn volk wegdoe! (Exodus 8: 8). En we weten: de farao was iemand die zich verhardde! 'De verstokte farao', die zoals 't oude doopformulier zegt, in de Rode Zee verdronken is.
En zo ook de verstokte Simon. Hij is hier nog niet bekeerd maar hij heeft zich begeven op de weg van de verharding. "Geef mij die macht" - het is een vraag die hem helemaal typeert. Erg is het als we dat van een mens 'Of van een kerk moeten zeggen dat de machtshonger hem of haar tekent! Laat de kerk; laten wij toch vooral warmlopen voor het recht Gods! Het door ons geschonden recht van God waaraan Christus heeft voldaan door zijn verzoenend sterven. Dan zijn we echt kerk. En dan zal God ons wel tonen welke krachten we mogen doen. Maar eerst 't recht Gods. Pas langs de weg van het recht komt de kracht van God. Het gaat bij Christus langs goede vrijdag naar Pasen.
Zoals we 't zingen in de Psalm (72).
" Geef Heer de koning uwe
rechten
en uw gerechtigheid aan
's konings zoon
om uwe knechten te richten
met beleid".