Waarom speelt het orgel na de dienst?

1985-08-09
  • Jaargang 29
  • nummer 30
Als tegenhanger van het prelude staat het postlude, het naspelna de kerkdienst. Wat voor nut heeft het? Waarom wordt er gespeeld voor een gemeente, die de kerk verlaat?

Constantijn Huygens (hier voor de laatste maal aangehaald) voelde niets voor een prelude; dat een schandvlek voor de eredienst was. Evenmin vodde hij voor een postlude: het dekken van de tafel, wanneer men verzadigd opstaat", zegt hij. En, zoals in veel van deze wakkere figuur in de 17e eeuw zei,. er stak veel waars in.

Wanneer u niet naar een postlude wenst te horen, kan niemand u dwingen. U zou zelfs dicht bij de Uitgang 'kunnen zitten, waardoor u het probleem tot zijn minimum terugbrengt.
En als u liever een gesprek begint dan te luisteren - niemand mag het u kwalijk nemen. Er zijn dan ook organisten, die weigeren te spelen voor een weglopend gehoor. En daarmee leidt ook deze consequentie ons op een verkeerde weg.

In het land der Angelsaksen zingt het koor na de zegen nog een slotkoraal. De gemeente blijft luisteren; neuriet of zingt zacht mee. Dan staan allen op en gaan naar buiten. In Duitsland en Oostenrijk wordt soms een orgelsolo aangekondigd, waarnaar 'de gemeente met genoegen luistert. Het orgel is er immers voor, de gemeente houdt van muziek, een extra nummer doet niemand kwaad en men blijft graag nog even in het godshuis.

Maar daarmee is het postlude ook tot zijn juiste proporties teruggebracht. Het is een stemmige uitsmijter, een mooi· slotakkoord van een heerlijke kerkdienst. Uw organist doet goed dit te beseffen; nederig het weglopen van zijn gehoor te aanvaarden - dan wel af te sluiten nog voordat het kerkgebouw leeg is.

Persoonlijk gebruik ik als naspel graag een "collectespel" . Dat is een stuk muziek, dat 'tijdens de "offering" wordt verwacht. In andere kerken hoor ik wel eens een stukje "vrije" muziek bij de collecte; een werkje dat niets met de eredienst te maken heeft. Maar persoonlijk houd ik er van - geboren calvinist - om elk onderdeel 'Van de liturgie te motiveren.
Daarom speelde ik in Nederland tijdens de collecte een uitgebreid voorspel, dat bij de collectezang aansloot. Hier, waar de collecte ná de zang plaats heeft, speel ik een bewerking van het laatst gezongen lied. En zo'n collectespel leent zich natuurlijk ook. voor een postlude: een soort orgelkoraal. in plaats van een nummer koormuziek. Niet alleen Sweelinck en Bach, ook Reger en Franck hebben ons rijke voorbeelden nagelaten van wat er rnet een koraal kan worden gedaan !

Spelenderwijs kwam hier het solospel ter sprake; Calvinistische kerken kennen dit eigenlijk niet of nauwelijks. Lutherse wel: die kennen de orgelsolo niet alleen als collectespel, maar ook als afwisseling tussen -koorzang en gemeentezang in; ook als amenspel. Ieder draagt dan op zijn beurt "in alternatim" een couplet voor. Ook in de hervormde kerk wordt wel solospel gevraagd, als amen spel. Ik herinner me dat mijn leermeester de grote toccata in F van Bach op zijn psalmbriefje aantrof. Hij speelde het stuk vrij en onverveerd, als amen spel. En 'ik 'heb een hervormde organist gekend, die met zijn predikant de afspraak had: dat hij een eventueel wat korte preek met' een vrij lang orgelstuk aanvulde. Waaruit blijkt dat solospel geen sterke functie heeft in de eredienst.

Nog enkele losse opmerkingen - want u merkt wel dat we deze serie gaan afsluiten.

Het kan gebeuren dat een gastpredikant te laat arriveert. Dat is niet braaf, want de Schrift zegt dat waar twee of drie in Christus' naam vergaderd zijn, Hij in hun midden is. En waarom de Koning der kerk te laten wachten op zijn dienaar? Maar dit terzijde. In zulke gevallen stuurt de kerkenraad- soms een bode naar de organist met het verzoek, nog door te spelen tot tijd en wijle. Uw organist kan dat doen, als hij bereidwillig genoeg is. Hij kan ook tegen de ouderling zeggen: geef de gemeente maar een psalm op, ik zal wel spelen!
Een andere opmerking slaat op het verleden - laten we hopen niet op de toekomst. We hadden pas 'het ritmisch zingen der psalmen behoedzaam ingevoerd. Sommigen meenden dat nu de lange noot was afgeschaft, we wel heel wat sneller konden gaan zingen. Ze gingen jagen, vooruitzingen, eerder inzetten dan het orgel: Dat gaf naar verwachting reactie. Anderen wilden het tempo matigen en gingen daarom langzamer zingen dan het orgel. Zo werd er aan twee kanten aan de kerkzang getrokken - een verschijnsel dat ook in Huygens' dagen al opgetekend werd.

Ik heb toen organist op een zeer matig, harmonium zijnde, geen betere oplossing geweten dan: de zang met sterk afgestoten akkoorden te leiden, Het werd een derde element in de dreigende kerkscheuring, maar een element dat het volhield. Na enkele regels waren voor- en nazangers er gezamenlijk van overtuigd, dat we beter samen' met orgel het eind konden halen dan halverwege uit elkaar gescheurd te worden. De orde was hersteld. Het harmonium gaf weer de gemiddelde' snelheid van de zang aan en aller aandacht kon weer op. tekst en melodie worden gericht. Alleen de organist was fout, want die had allen tegen zich ingenomen.

U zult gemerkt hebben dat deze reeks artikelen niet voor organisten is geschreven (die weten al deze dingen heus wel) maar voor alle kerkgangers. Het gaat ons er om dat wij allen begrijpen wat er gebeurt, wanneer "het orgel speelt". We zijn er allen bij betrokken, van jong tot oud, van muzikaal tot onmuzikaal. Het gaat om ons aller lofoffer. waar geen vreemd vuur aan te' pas moet komen.

Maar dan komt de vraag van het begin terug: waar vinden wij een organist?

Iemand die een goed stuk van zijn leven geeft. voor de kerkmuziek; die getalenteerd is en met dat talent woekert; die een meester is inde kunst; die het overwicht en de tact heeft, zijn gemeente zingend te dienen; die altijd fris blijft, vol nieuwe ideeën en altijd lege accu's weet bij te laden; 'die oude en nieuwe schatten weet aan te dragen bij het lofoffer. Is hij niet een schaap met vijf poten? Nee, het zijn 5 schapen aan 1 poot!

Deze vraag, waarop wij het antwoord schuldig bleven, is niet gesteld om u in verlegenheid te brengen. Eerder om onze lezers te 'doen beseffen, dat de kerkmuziek geen aangelegenheid van een muzikaal kerklid is - maar eert levensbelang vooralle gelovigen, Wanneer een kerk een begaafd jong lid. in staat stelt, een vakopleiding te volgen, heeft zij wellicht ook het recht op een levenslang vruchtgenot. Maar weinig kerken kunnen het zich veroorloven, vrees ik.

Dan is een andere oplossing: dat onze kerken een redelijk beidrag jaarlijks uittrekken voor haar organist.
Daarmee kunnen zij een stuk opleiding afbetalen, resp. bijdragen aan de blijvende onkosten en studie-uren van het organistschap. Daarmee zouden onze kerken ook heel wat 'vrijer staan tegenover haar organist.
Ze voorkomen, dat deze opeen kwade dag wegschiet naar een andere kerk. Ze zouden eisen kunnen gaan stellen - en ook dat is geen particuliere liefhebberij maar iets dat samenhangt met de eerbied in Gods huis.
Een predikant zei eens: "ik heb u zes weken lang een thema voorgehouden, gemeente; ik deed dat met plezier, maar niet voor mijn plezier". Proeft u het verschil? Zo speelt een organist met plezier; het is hem een grote vreugde, te mogen dienen bij het lofoffer. Maar hij speelt niet voor zijn plezier. Daar acht hij de kerkdienst nu juist te goed voor. Het is de eer van de Gereformeerde Organistenvereniging, dat zij meer dan een halve eeuw het muzikale deel van de eredienst als doel in haar statuten schrijft. Niet de verbetering van de positie van haar leden is het doel. Niet een juridische regeling van rechten en verhoudingen: Gewoon: het verzorgen van het muzikale deel van de eredienst.

Kan het onze kerken ook ten goede komen, wanneer, zij van haar kant .haar organisten gaan honoreren: de eer bewijzen die deze waard zijn? De arbeider zijn loon geven? Het zal haar vermoedelijk aan goede organisten niet ontbreken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief