De diaken als bedienaar van het Woord (1)

1985-08-09
  • Jaargang 29
  • nummer 30
Nog geen jaar geleden troffen passanten,in het winkelcentrum Hoog-Catharijne een totaal uitgeputte, oude vrouw aan; zij had twee dagen en een nacht de uitgang niet meer kunnen vinden en ze had niemand uit de golvende stroom van mensen om haar heen durven vragen om hulp.

Ik neem aan, dat u dat winkelcentrum bij het Centraal station van Utrecht wel kent, Overdekte straten tussen onafzienbare wanden van spiegelend glas, flitsende lichtreclames, muziek en reclameboodschappen uitspuwende luidsprekers, schuifelende voeten van' duizenden zich voorthaastende of juist slenterende mensen, zoemende roltrappen, denderende treinen. Dit alles het oogverblindende en oorverdovende decor, waartegen de consumptiegoederen liggen uitgestald. Alles is verkrijgbaar voor iedereen: prachtige dingen, gewone dingen, nuttige zaken, troep. Een wereld, van in aanbod uitgedrukte menselijke macht, die vráág oproept. In Den Haag, heeft men een vergelijkbare gelegenheid dan ook Babylon genoemd. In die wereld' een oude vrouw, als een angstig klein vogeltje gevangen in een kooi van gespiegeld licht.
Er geen richting meer in kunnen Vinden. Er niet meer doorheen kunnen kijken. En niemand durven vragen om hulp, want de massa is anoniem. Een hulpbehoevende, omringd door overvloed. Ik weet niet, of ze lid van Gods gemeente was; de kranten vermelden zoiets niet. En, zo ze het al was, de diakenen zullen haar niet gemist hebben. Immers, één van hen zou zijn gekomen, hij zou zijn arm om haar schouders hebben geslagen en hij zou haar hebben thuisgebracht, daar waar je veilig bent. Want zo zijn diakenen: zij ontfermen zich over een mens in nood. Dat is hun ambt, opdat. wij wonen.


Armen met gebrek aan geld
U heeft mij gevraagd iets te zeggen over het ambt van diaken in een tijd van economische teruggang. Nu werd en wordt over de dienst, die de diaken heeft te vervullen uit hoofde van zijn ambt, zeer verschillend gedacht.
Dit neemt echter niet weg, dat de armenzorg steeds in het centrum heeft gestaan. Het ligt dan ook voor de hand, zeker als de koopkracht onder druk staat en - de beurs smaller wordt, te denken aan de zorg over gemeenteleden met gebrek aan geld ..Broeders en zusters die arm zijn, omdat ze niet kunnen betalen die voorzieningen, die onmisbaar geacht moeten worden. Te denken valt aan wonen, kleding, voedsel, medische hulp en opleiding. De vraag is nu, of de economische teruggang van onze tijd als gevolg zal hebben, dat het aantal armen in de, gemeente toeneemt. Zorg voor hèn die buiten zijn omdat ons onderwerp breed is, beperk ik mij tot de zorg van de diakenen 'over de eigen gemeenteleden.
Daarmee is allerminst gezegd, dat er geen diaconale zorg zou moeten wezen over en voor hen die buiten zijn. Echter; de ambtsdrager is naar de aard van zijn ambt slechts bevoegd binnen de grenzen van de eigen gemeente.
Door het diaconale ambt wordt het barmhartigheidswerk van de geihele gemeente gestructureerd. Op deze wijze kunnen diakenen betrokken zijn bij activiteiten van de gemeente ten behoeve van nabije en verre naasten: Een los van de gemeente opererend diaconaat lijkt dan ook minder juist. Alle gelovigen zullen tijden en gelegenheden moeten vinden voor een hulp, die bitter nodig is. De verzelfstandiging van het diaconaat treedt in versterkte mate op, wanneer de plaatselijke kerk ondergeschikt is gemaakt aan een hiërarchisch geaard kerkverband. De pretentie van synodes en kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders, dat het spreken der kerk uit hun mond uitgaat, vindt dan zijn pendant in het diaconale veld. Daarmee komt het semiprofessionele en gebureaucratiseerde nationale diaconale apparaat binnen handbereik. Het diaconale ambt functioneert fundamenteel ten behoeve van de eigen gemeenteleden, en die gemeenteleden, zij moeten het doen.

Macrogegevens en primaire levensbehoeften
We hebben de vraag opgeworpen, of de economische teruggang in onze tijd met zich mee zal brengen, dat gemeenteleden niet meer of onvoldoende kunnen voorzien in wat genoemd wordt, hun primaire levensbehoef ten. Hoe erg is de economische teruggang nu eigenlijk? Als 'de vraag in het algemeen wordt gesteld ligt het voor de hand allereerst te kijken naar de macro economische ontwikkeling van de laatste jaren. Onder macro-economie verstaan wij het geheel van economische relaties binnen een volkshuishouding. Zo is het b.v. mogelijk, de totale inkomensstroom te meten, die de onderscheiden inkomensdragers gedurende een bepaalde periode toevloeit uit hoofde van hun bijdragen aan het productieproces. Aan het Centraal Economisch Plan 1982 en 1985 ontleen ik enkele kerngegevens. Stellen we het nationaal inkomen in 1979 op 100, dan bedraagt dit in 1985 naar verwachting 101,5, terwijl het dieptepunt 96,5 bedroeg en 1982 en 1983. Kijken we naar het vrij beschikbaar inkomen van de modale werknemer over dezelfde jaren, dan wordt het beeld ongunstiger. Het cijfer voor 1985 bedraagt 92, terwijl het dieptepunt in 1984 was 90, een achteruitgang dus van 10%. In 1985 tekent zich een herstel af.

Onlangs werd een studie van het Centraal Bureau voor de Statistiek gepubliceerd, waarbij verder werd onderscheiden in de richting van leef- en gezinssituaties en rekening werd gehouden met trouwen, scheiden en werkloosheid, alsmede enkele tientallen verschillende inkomens- en fiscale bestanddelen. Er blijkt dan m.b.t. de koopkrachtontwikkeling een grote spreiding te bestaan binnen de als modaal aangeduide groep. Zo ging er een kwart van de bevolking er in de jaren 1979-1981 er meer dan 6% per jaar achteruit, terwijl een ander kwart in koopkracht 2% of meer per jaar gedurende die periode steeg. (Bron: Het Financieele Dagblad van 30 maart '85). Wij zijn natuurlijk, gegeven ons onderwerp, het meest geïnteresseerd in de koopkrachtontwikkeling van de laagste inkomensgroepen. We zien dan naast een vrij algemene verkrapping een ernstige teruggang in bepaalde situaties. Een massale armoede in het vlak van de eerste levensbehoeften komt uit de cijfers niet naar voren. De spanningen, die door de verkrapping worden opgeroepen, zullen diakenen zeker merken, maar het lijkt overtrokken te stellen, dat de economische teruggang hun dienst ingrijpend heeft veranderd. Dit beeld wordt bevestigd, als we micro, dat is op het niveau van onze overwegend kleine gemeenten, om ons heen kijken. Daarbij speelt ongetwijfeld de omstandigheid een rol, dat onze gemeenten niet representatief zijn voor de Nederlandse bevolking, voor wat het koopkrachtniveau betreft. De armsten van onze tijd komen onder ons weinig voor. Het percentage werklozen onder onze gemeenteleden is ook lager dan het landelijke.

Armoede, een relatief begrip
We zullen ons moeten afvragen, wat armoede in onze tijd eigenlijk is. Laat ik een voorbeeld mogen noemen. In bijna ieder gezin staat een wasmachine. Als nu een weduwe met drie kinderen geen nieuwe wasmachine kan betalen, is zij dan arm? Armoede is geen absoluut gegeven. De ervaring arm te zijn ontstaat door vergelijking van eigen levensomstandigheden met die van anderen, in de familie, in de gemeente, in het bedrijf, in de buurt. Dan is het heel menselijk en heel reëel, dat een weduwe, die geen wasmachine kan betalen zegt: ik ben arm. Zij behoort tot de achterhoede in een tijd, waarin de welvaartsgroei vele materiële behoeften van de mensen kon bevredigen en tegelijkertijd nieuwe behoeften scheppen. Niet alleen wasmachines, ook ijskasten, video-installaties, crossfietsen, buitenlandse vakanties en niet te vergeten auto's, zijn standaardbehoeften geworden. Zo hebben wij het gewild en in dat spoor, gaan we verder. De mensen moeten worden gestimuleerd in het meehollen op de weg van de "vooruitgang". Zo komen we de economische stagnatie te boven. Er wordt opnieuw geproduceerd, wat dan ook. Het is goedkoop, het in het besef buiten, de stroom te staan meekomende verdriet af te doen met de opmerking, dat alle aardse goed wordt gevreten door de mot en verteerd door de roest. Zo is het wel, maar wie meent dat te moeten zeggen tegen de achterhoede, doet goed, als een nieuw begin, zijn eigen spullen af te schaffen. Ik heb dat nog niet vaak zien doen. De samenleving, die jaagt naar welvaart als vrucht van economische groei, is wreed en diakenen balanceren op de rand van een mes.

De afgod van de groei
De moeite waarin wij gekomen zijn, vindt haar oorzaak in stagnatie van de economische groei. De geringe daling van het inkomens, en productieniveau zijn we alweer te boven.
Groei is de afgod van onze tijd. We kunnen het woord zelfs niet meer kwijt: als er sprake is van daling, spreken we van negatieve groei. Aan de groei klemmen we ons vast, tegen de klippen op.
Daarover de vermanende vinger op te heffen, is christelijk gezien zinvol, maar laten we dat dan wel doen in de richting van de voorhoede, in de hoop, de gemeenschap te hervinden met de nieuwe armen.

De staat die garandeert
De afgod van de groei heeft ook een woning: hij heeft zich genesteld in de staat. Het is de staat die het volk garandeert, wat economisch als mogelijk en haalbaar wordt gezien voor heden en toekomst. Een voorbeeld. Als ik tegen u zeg, dat u allen recht heeft op een eigen woning, dan klinkt dat prachtig, maar het betekent 'niets. Ik ben namelijk niet in een positie, om rechtsaanspraken te verlenen. Wanneer echter de overheid zegt: alle Nederlanders van achttien jaar en ouder hebben rechtop een eigen woning, dan gebeurt er wel degelijk iets: het woningtekort stijgt daarmee met tienduizenden eenheden. Het voorbeeld is aan de werkelijkheid ontleend en het kan ons helpen het gedrag van de serieuze krakers te begrijpen, die de overheid terecht verwijten, dat zij haar toezeggingen niet waar maakt.

Er is tientallen jaren een politiek bedreven, waarbij de staat; gedreven door een grenzeloos vooruitgangsoptimisme, de bevolking zeer veel heeft gegarandeerd: volledige werkgelegenheid, volledige medische hulp, gelijke kansen voor iedereen bij het onderwijs, handhaving van koopkracht bij economische teruggang, bij werkloosheid, ziekte, invaliditeit en ouderdom.Maar nu moet het volk verteld worden dat na enkele jaren van achterblijvende en soms negatieve groei, het gehele systeem onbetaalbaar wordt.

De in het vooruitgangsperspectief van staatswege verleende rechten zijn wankel geworden en dat is een grote schok. Immers, deze rechts aan spraken werden niet slechts ontleend aan het bereikte welvaartniveau. ze grepen via allerlei koppelingsmechanismen vooruit op de te verwachten economische groei. Kort gezegd: het volk kreeg recht op vooruitgang en niemand vroeg zich af of dat recht kon worden waargemaakt en zo ja, door wie. Immers, het volk verleende, als in een voltooide soevereiniteit, die rechten aan zichzelf.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief