Aandacht voor de Heilige Geest (3)

1986-04-18
  • Jaargang 30
  • nummer 16
“De poort van het hart moet van binnenuit opengedaan worden. Hij wordt niet van buitenaf – door het geweld van de prediking (…) – opengerammeld. (…) Van binnenuit moet de poort opengedaan worden. En dat door de mens zelf. Daarbij zijn enige dingen te bedenken. In de eerste plaats, dat het de Geest is, die de mens van binnenuit de poort van zijn hart doet opendoen. (…) Nu en dan moet de Geest het Woord even achter zich laten, op de een of andere manier over de muur klimmen en het huis van de mens binnendringen om de mens aan te raken, te overreden en te overwinnen; zodat de mens bereid wordt, de poort van binnenuit te openen.”

Prof. Dr. A.A. van Ruler (1908-1970)

Het is maar weinigen gegeven om met zulke speelse beeldspraak over de diepste dingen te spreken als de grote N.H,-e theoloog Van Ruler in zijn werk doet. Het hierboven gegeven citaat is afkomstig uit een lang artikel dat hij (kort voor zijn dood), schreef over de kringen die hijzelf aanduidt als de "zwarte-kousen-gemeente".
Juist zij kunnen in donkere ernst spreken over de noodzaak van de bekering, waar het echter alleen van kan komen als de Heilige Geest krachtdadig -op het hart van de verstokte zondaar inwerkt. De prediking van het evangelie blijft naar hun gevoelen iets uitwendigs; zij wachten op de innerlijke beleving en zekerheid, dat Christus inderdaad hun Verlosser is, Dat Jezus in Bethlehem geboren is, is alleen maar historie; het gaat erom, dat Hij in het hart geboren wordt. Zo is een christendom gegroeid, dat mensen leert wachten op mystieke ervaringen in het hart, zonder welke het allemaal zinloos is om naar de kerk te gaan, het evangelie te horen en gedoopt te zijn.
Van Ruler heeft op dit alles enorm veel kritiek, maar dat doet hem de ogen niet sluiten voor het waarheidsmoment in deze gedachtengang. Inderdaad is het zo, dat een mens zich open moet stellen voor Christus en dat het tot een persoonlijk gegrepen zijn door het evangelie moet komen. God wil ons als Zijn kind hebben, maar dan moeten wij ons wel aan Hem gewonnen geven. Zo bedoelt Van Ruler het beeld van de poort van het menselijk hart; buiten staat God en Hij biedt aan onze Verlosser te zijn. Dat is de evangelieprediking. Maar God dwingt ons niet open te staan voor Hem; Hij rammelit niet met grof geweld ons hart open. Hij wacht ons antwoord op het evangelie af; Hij laat het aan ons over, de poort van hèt hart te openen. Dat gaat echter niet vanzelf; van nature sluit een mens zich af voor God! Daarom moet de Geest eraan te pas komen; Hij moet een mens ertoe bewegen gehoor te geven aan het evangelie. Hij moet over de muur heen klimmen en een mens ontvankelijk maken voor de boodschap dat God ons in Christus liefheeft.
Wie in de Bijbel thuis is, zal in deze beeldspraak iets herkennen van wat Christus in Openb. 3:20 zegt: “Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij.” Voorts wordt op meer plaatsen in de bijbel aangeduid dat de evangelieprediking pas doel treft als de Heer zelf het menselijk hart ervoor opent. Heel duidelijk wordt dat in de geschiedenis van Lydia, van wie staat dat de Here haar hart opende, “zodat zij aandacht schonk aan hetgeen door Paulus gezegd werd” (Hand. 16:14). Paulus’ toespraak zou haar ‘niets gezegd’ hebben, als de Here haar aandacht niet getrokken had. Te denken valt ook aan wat Lukas schrijft over de verschijning van de opgestane Heer aan Zijn discipelen, die tot dusverre
doof en blind waren geweest voor de belofte dat Hij door lijden heen tot heerlijkheid zou komen. Toen opende Hij hun verstand, zodat zij de Schriften begrepen." (Lukas 24: 45). En bidt psalm 119 al niet: "Ontdek mijn ogen, opdat ik aanschouwe de wonderen uit Uw wet"?
Uit dit alles blijkt, dat er inderdaad iets moet gebeuren wil een mens geraakt worden door de tijding, dat God in Christus de wereld met Zich verzoenende is. Dat machtige evangelie laat ons koud, als God Zelf het niet tot ons laat doordringen.
Het is de apostel Paulus, die hierin het werk van de Geest ziet; hij noemt Hem in Ef. 1:17 '"de Geest van wijsheid en openbaring om Hem (God) recht te kennen" en schrijft Hem "verlichte ogen" van het hart toe (vs 18). Wat dat betekent wordt duidelijk uit Deut. 29: 4, waar van het tegendeel sprake is.
Mozes geeft daar de volgende verklaring voor het feit dat Israël de HERE geen vertrouwen geschonken heeft, hoewel Hij Zich zo imponerend, aan hen had doen kennen. "De HERE heeft u geen hart gegeven om te verstaan of ogen om te zien, of oren om te horen." Het machtsvertoon van de HERE raakte hun hart niet; zij bleven gereserveerd tegenover Hem staan. Wanneer God nu onder het nieuwe verbond Zijn Geest over Zijn kinderen uitstort, gaat dat veranderen: Hij is de Geest van openbaring (Ef. 1 : 17), d.w.z. Hij zal zorgen dat hun hart wèl verstaat wie God is. Hij zal licht doen vallen in hun verblinde ogen (Ef. 1 : 16), zodat zij wèl getroffen en bezield zullen worden door de hoop waartoe God hen roept.
In één samenvattende uitdrukking: de Heilige Geest is de "Geest des geloofs" (2 Cor. 4 : 13); Hij brengt mensen tot de ontdekking dat God een God is om van te houden en om in te geloven. Hij, zal mensen de ogen openen voor de heerlijke waarheid van het evangelie. In de woorden van een theoloog uit, onze tijd: de Heilige Geest brengt de overwinning op het atheïsme van het hart.

Wellicht vraagt een lezer zich na dit alles vertwijfeld af, of hij een aflevering gemist heeft: het zou deze keer toch gaan over de wijze waarop de Geest gemeenschap sticht met Christus (zie het tweede artikel in deze reeks)? Toegegeven; het wordt u niet gemakkelijk gemaakt de draad, vast te houden; ogenschijnlijk is aan het feit dat de Geest harten wil openen voor het evangelie niet zoveel te ontlenen voor de reformatorische visie op de Geest als band tussen Christus en ons. Maar leg hier nu eens Catechismuszondag 7 antw. 20 naast, waar van het geloof gezegd wordt dat wij dáárdoor bij Christus worden ingelijfd. Vorige week zagen we, dat, volgens zondag 30 antw, 80 de Heilige Géést ons bij Christus inlijft. En zegt zondag 26 antw. 70 dat de Géést ons tot leden van Christus maakt, in zondag 12 antw, 32 wordt aan het gelóóf die functie toegekend! Er is maar één konklusie mogelijk: volgens de Catechisrnus neemt de relatie, die de Heilige Geèst tussen Christus en ons sticht, de, gestalte aan van het geloof. Zo zegt zondag 20 het ook: de Geest geeft mij door waar geloof deel, aan Christus en al Zijn weldaden.
Daf is een belangrijke konklusie: kennelijk denkt de Catechismus niet aan bijzondere mystieke ervaringen als het gaat om de vraag hoe de Geest het kontakt tussen Christus en de mens legt. Door de eeuwen heen zijn er mensen geweest die het wèl in die richting zochten; voor hen werd het werk van de Geest voelbaar wanneer zij in een zekere extase tot de ervaring van de gemeenschap met Christus kwamen. Denk b.v. aan de concentratie op het innerlijk leven binnen de kloosters, die niet zelden leidde tot dermate sterke gevoelens van eenheid met Christus dat men de wonden ván Christus, in het eigen lichaam voelde. Nog altijd verwachten (of vrezen!) veel christenen van de Heilige Geest een soort bewustzijns-verruiming, waarin men het toebehoren àan de Here Jezus op bijzondere wijze beleeft, Het is typerend voor de Reformatie, dat de Catechismus niet de mystiek maar het geloof aanwijst als het middel waarmee de Geest ons brengt in de zegenende nabijheid van Christus. De mens moet, om deel te krijgen aan Chrisus, niet inkeren tot zichzelf, maar gehoor geven aan de roepstem van het evangelie!
De Heilige Geest brengt een mens niet onder het beslag van de opgestane Heer langs de weg van meditatieve bewustzijnsverruiming, maar door zijn hart te openen voor de afkondiging van Christus' overwinning. Zo komt de Catechismus ertoe, de gemeenschap met Christus stichtende aktiviteit van de Geest daarin te zien, dat Hij het gelóóf werkt in het hart van de mens, antw. 21, 65, 74. En daarover ging het in het bovenstaande: dat de Geest het geloof werkt door een mens ontvankelijk te maken voor het evangelie.
Zo heeft dus het onderwerp van deze week àlles te maken met dat van de vorige week! Nog altijd is het heel vruchtbaar om met de Reformatie van de Heilige Geest te verwachten, dat Hij de harten van mensen voor het evangelie zal openen.
Enerzijds helpt dat om nuchter afstand te bewaren tot een "ervaringschristendom", dat de werking van de Geest hoofdzakelijk zoekt in emoties én extase.
Voor menigeen die door het uitblijven van zulke ervaringen wanhoopt aan zijn band met Christus en aan de aanwezigheid van de Geest in zijn leven, kan het een enorme opluchting betekenen om te beseffen, dat de Geest ons met Christus verbindt door het geloof alleen. Echt, de Geest is aan het werk als je weliswaar niets "voelt" van verbondenheid met Jezus, maar je wel met hart en ziel vastklampt aan de beloften van het evangelie.
Maar, omgekeerd leert de Reformatie ons niet minder op onze hoede te zijn voor een "redeneer-christendom", waarbij de diepgang uit het geloof verdwijnt en men gaat volstaan met het verstandelijk aannemen van een aantal waarheden. Het zal er in het christelijk leven toch echt van moeten komen dat je geráákt wordt door het evangelie, de rijkdom van Gods genade ontdekt en Zijn liefde in Christus verwonderd opmerkt, Inderdaad - de poort van het hart moet open; een mens, gewend zich af te schermen voor de Here en Hem op een veilige afstand te houden, moet zich openstellen voor Zijn indringende roep: "Ik ben de HERE, uw God." Daarom is het fnuikend voor de gemeenschap met Christus als de aandacht voor het werk van de Geest verslapt, want hoe anders dan door Zijn verlichtende werking zullen. wij geboeid worden door Gods Woord? Het Woord Gods is wel als een zon, die toestraalt allen, aan wie het gepredikt wordt; maar het is zonder enige vrucht temidden van blinden.
En wij zijn allen van nature in dit opzicht blind; daarom kan het in ons hart niet doordringen, tenzij de inwendige leermeester, de Geest, door zijn verlichting de toegang bereidt." (Calvijn, Institutie 111, 2, 34).
Vanouds was het eerste gebed in de gereformeerde eredienst, dat voorafgaat aan de prediking, bedoeld als gebed om de verlichting van de Heilige Geest, terwijl de voorbeden pas aan de orde kwamen in het 'grote' gebed ná de preek. Dat eerste gebed mag niet in de vergetelheid raken. Het is niet alleen heel bijbels, maar ook noodzakelijk voor een rijke ontplooiing van het christelijk leven, dat de lezing van het evangelie voortdurend vergezeld gaat van vurig gebed om de Geest van wijsheid en van openbaring om God recht te kennen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief