Rondkomen in de jaren dertig
1986-04-18
Geef mij armoede noch rijkdom.- Jaargang 30
- nummer 16
Agur ben Jake
Terugblikken vanuit onze welvaartstijd naar de jaren dertig lijkt op een wetenschappelijk-verlicht terugzien op de "duistere middeleeuwen". Want vandaag kunnen we, ondanks onze onnozele bezuinigingen, vrijwel alles kopen wat we willen; en als de middelen ontbreken bieden onze banken volgaarne hun *) diensten aan. Maar in de jaren dertig maakten twee stuivers slechts 10 centen; reden waarom elk dubbeltje werd omgekeerd alvorens het uit te geven. Schulden maken was er niet bij: je dééd het niet, en kreeg er meestal de kans niet voor.
Nu we toch stilstaan bij de jaren dertig (terecht, want die jaren voor de tweede wereldoorlog waren op elk gebied belangrijk) is het wellicht ook goed, de' economie in ons blikveld te trekken, Men leert mensen pas goed kennen wanneer het geldzaken betreft, wanneer je "met iemand een erfenis hebt te delen". Vandaag dus iets over de gezinsfinancien; een volgend maal misschien iets over de nationale economie.
Ik geloof niet dat we kunnen zeggen, dat ons volk arm was in die jaren. Evenmin als we vandaag over rijke volkeren kunnen spreken. Alles is betrekkelijk.
Vandaag hebben we met grote inkomens en grote uitgaven, grote zorgen. Toen hadden we, met zeer geringe inkomens en geringe uitgaven, kleine zorgen. De marge was kleiner - maar de tevredenheid groter, Want wat is tevredenheid?
Het evenwicht tussen behoeften en derzelver bevrediging, wordt wel gezegd. Wie als een holle bolle Gijs zijn tomeloze vraatzucht koestert zal altijd honger houden. Maar wie "de tering naar de nering zet" (kostelijke oud-Hollandse uitdrukking: niet meer opmaken' dan je ontvangt) redt het, zelfs met een boterham minder en een verstellap op zijn zitvlak.
Levensvreugde is niet een zaak van rijkdom, maar van tevredenheid.
In onze jonge jaren hadden wij thuis geleerd: 1 boterham met beleg en 1 met tevredenheid" en dank God dat je 2 boterhammen krijgt. Wanneer daar fruit op tafel kwam, ging een appel in tweeën of in drieën. Een reep chocolade (5 cent) ging in zessen, overmits er vijf kerfjes in zaten; en werkelijk, een zo'n stukje smaakte precies zo als een hele reep. Had je grote broers dan bofte je, want je mocht de kleren afdragen waar zij uitgegroeid waren. Eenmaal per winter kwam in ons Friese dorp een man met "films" (we noemden dat levende lichtbeelden) en als vader niet al te benard zat mochten we daar naar toe: een emotie, waar je in dagen niet overheen kwam.
En eenmaal per jaar ging de hele familie in een paar rijtuigjes een dagje uit: naar de Friese Wouden, naar de Lauwerszee of naar het park Veenklooster. Dàt was onze zomervakantie en de herinneringen zijn best. Een paar weken werken bij de boer, voor kost en inwoning, was een buitenkansje.
Met zo'n achtergrond waren de jaren dertig best, door te komen.
Ons volk leefde algemeen in soberheid. Wie het breed had kon het wat breder laten hangen, Wie weinig had kon altijd nog "een dag met de koning meedoen". Men jaagde elkaar niet op kosten en ieder had zo zijn eigen stand op te houden.
Want standen waren er, nauwkeurig begrensde maatschappelijke kasten, waar je niet buiten sprong zonder aanzienlijke risico's. Ik heb een werkend echtp. z.k, gekend (zo heette een kinderloos koppel), dat van spaarcentjes en een erfenisje zo maar een villa in een gegoede wijk kocht. De man werd bij zijn directeur geroepen: wat hoor ik nou, ga je in die gegoede buurt wonen? - Ik kijk wel uit, was zijn antwoord, ik kocht dat villaatje alleen voor belegging.
Ook door het kerkelijk leven liepen de grenzen der standen.
Ik herinner me, dat we twee jongelingsverenigingen hadden voor boordjesmensen en twee JV's op GG voor de overalls.
Ik persoonlijk wenste dat onderscheid niet, en koos voor de Zondagse JV:, dat was een restantje, voor lui die in de weekdagen niet konden. Elke arbeider probeerde althans een enkele zoon opgeleid te krijgen (in avondschool) voor een kantoorbaan; net als, de Heer-Oom in de katholieke gezinnen. Niet dat een kantoorbetrekking beter betaald werd dan een fabrieksbaan, maar het toonde wel beter.
Mijn eerste kantoorbaan, in 1929, leverde me f300 op.
-Ja per jaar, niet per maand - wat dacht, u? Een van mijn hoogste superieuren vertelde me later, dat, hij op dezelfde datum in dezelfde boot was gestapt voor dezelfdef25 per maand. Maar hij was jurist en klom sneller op dan ik. En van die f25, droeg ik de helft aan mijn Moeder af, besteedde f10 aan kleding en studie en genoot f2,50 zakgeld; O ja, daarvan stond ik f1 aan de kerk af, Alles Vaderlijk Goedgekeurd.
Later, toen ik min of meer op eigen benen kwam te staan, verdiende ik f80 per maand (dat is te zeggen: ik verdiende, veel meer, maar kreeg het niet).
Van die f 80 leefde ik "op kamers", betaalde mijn muzieklessen en reisgeld, en had honger.
Al de orgel werken van César Franck en van Hendrik Andriessen, heb ik overgeschreven, omdat ik ze wel nodig had maar niet betalen kon; de auteurswet kan me niet meer pakken.
Toen we trouwden (het was 1935) sprak men van een crisishuwelijk, dat was een sobere plechtigheid met weglating van alle franje, die aap. onze "stand" werd toegekend, Niettemin kostte de woninginrichting plus die onvergetelijke dag evenveel als een jaarsalaris. En, je had het lef niet,met schulden te trouwen want dat zou de pret bederven. Als u dat beslist wilt weten (maar laat het onder ons blijven) was ons inkomen in dat jaarf1500 plus een bedrag van 1.300 dat ik met muzieklessen verdiende. Maar wat kon je veel van dat geld doen!
Een onderwijzer zat, indien hij niet als kwekeling-met-acta werd misbruikt, ook op 11500 tot 12200. Een mulo-leraar kon met al zijn actes tot 13000 opklimmen: man van aanzien.
Een bankdirecteur uit een fabrieksstad werd gehonoreerd metf3750 plus eenzelfde bedrag aan jaarlijkse tantième; maar die hoorde tot de upper ten. Een gewoon bankbeambte kon op niet meer dan f 2000 rekenen, na lang wachten.
Maar ... een broodje kostte 16 cent. De melk was 12 cent per liter, met een halve liter kon je ook toe. Tomaten en aardappelen waren 4-,5 cent per kilo; uien 5 pond voor een dubbeltje; de zondagse portie Brussels lof kostte 7 ct per pond. Wilde je met Sint Salarius echt royaal uitpakken, dan kocht je ongepelde pinda's (ja, gezellig) of 2 verschillende gebakjes à 6 cent, die je deelde om 2 x de pret te beleven.
Het kerkgeld - vaste bijdrage plus collecten - kwam wel wat hoger dan de 10%, welke Israël afstond aan zijn priesters: waarmee ze onderwijs, rechtspraak, binnen- en buitenlandse zaken en defensie meteen verrekend hadden. Voor deze bijkomstigheden betaalden wij onze belasting - en je was blij "in de belasting te vallen", want dan raakte je uit de kleine zorgen.
Evenals nu was het mogelijk een eigen huis te verwerven, door iets meer te betalen dan je normale huishuur. Dat deed ons christenvolk graag in woningbouwverenigingen.
je stond voor elkaar in, bouwde samen, spaarde samen, hielp elkaar een handje en bevolkte zo samen een Patrimoniumbuurt; in de wandeling een Harmoniumbuurt, want elke zondag hoorde men der vromen tent weergalmen van orgelklanken. Ja, er werd gezongen: ik zal met vreugd in het huis des Heeren gaan, en: 'k wil U o God mijn dank betalen!
De overheid mocht dat wel. Die subsidieerde toen nog niet, maar wist wel dat elk gezin, dat het tot huiseigenaar bracht, een socialist minder in het land betekende.
Vandaar dat de "rooien" (eet) geduchte volksgroep .van ontevredenen) het christenvolk kwalijk namen, als dat zich inspande voor een eigen huisje. Zij kozen voor de 1Meioptocht, waar je stil van werd en waarvoor je van de straat bleef.
Er bestond een zekere filosofie over deze betrekkelijke armoede en over de standsverschillen.
"Rijken en armen ontmoeten elkander en God heeft ze beide gemaakt", zei de Spreukendichter; waarmee de bijbel het verschil scheen te wettigen.
"Vervloek de rijken niet, zelfs niet in de slaapkamer", zei dezelfde; waarmee de gegoede stand veilig gesteld was. Onze dienstmeisjes aten in de keuken; maar werden voor het bijbellezen binnen geroepen. Dat aanvaardden ze en begrepen ze.
Totdat een Duits hongermeisje het vertikte om binnen te komen voor het bijbellezen: ik zit goed hier, zei ze. Maar die was, zei mijn Moeder, "ein Bischen rot angehaucht".
Toen mijn Vader als predikant in een provinciestad kwam te staan, maakte men hem duidelijk, met welke kerkleden (lees: kerkeraadsleden) hij kon omgaan.
Voor huisbezoek en ambtelijk gesprek waren allen gelijk, want voor God verdoemelijk.
Maar in het kiezen van vrienden en brengen van theevisites hield je je aan de richtlijnen.
Vader leerde gehoorzamen -, hij kon nog al wat aanvaarden.
Maar toen er een tweede predikant kwam koos deze, het toneel overziende, bewust voor de "kleine man". Hij was nederig en dat vond ik sympathiek En hij nam veel spanningen weg. Toen tegen het eind der jaren dertig" de werkloosheid toe- en de geldstroom afnam, was hij de eerste om een stuk honorarium prijs te geven, daar de gemeente het moeilijk kreeg. Van hem leerde ik, in mijn vrijgezellentijd de helft van mijn maal naar de keuken terug te geven; omdat mijn kostbaas werkeloos was, en een paar kleine kinderen zag hongerlijden.
Er is over dit onderwerp natuurlijk veel meer te zeggen dan deze vluchtige schets. Maar ook met plaatsruimte moeten we economisch omgaan. Daarom basta en een volgend maal over de nationale economie.
*) als ik (terecht) zou schrijven: haar diensten, zoudt u kunnen vrezen dat ik mijn moedertaal niet meer ken.