In diskussie over homosexualiteit
1986-04-18
In de afgelopen maanden zijn er diverse artikelen in Opbouw verschenen, die (het gesprek over) homosexualiteit tot onderwerp hadden inOpbouw van 21-6-'85 nam ds Mooiweer een stuk over van een artikel dat C. Huizinga schreef in Koers. Daarop reageerde de Werkgroep Homosexualiteit in Chr. Geref. en Ned. Geref. kring met een 'Ingezonden', dat door Huizinga werd verwerkt in een uitvoerig antwoord (Opbouw, 1:10-1985). Tevens werden in 'Opbouw' van 29-11-1985 nog enige kritische noten t.a.v. de Werkgroep gekraakt door ds J. Bouma.- Jaargang 30
- nummer 16
'"Een groep die ideeën huldigt als in het 'ingezonden' verwoord, is niet in staat hen (gelovige homo's) christelijk voort te helpen."
"Toch belemmert juist deze opstelling (van de Werkgroep) een gesprek over wat nu onderwerp van gesprek moet kunnen zijn."
Twee citaten van resp. Huizinga en Bouma.
Twee kritische opmerkingen aan het adres van de werkgroep, die om een antwoord vragen. Beantwoorden we inderdaad zo slecht aan ons doel?
Praten we werkelijk zover langs elkaar heen?
Wat is het toch, dat een vruchtbaar gesprek tussen homo's en hetero's in onze kerken zo vaak belemmert?
Wat wil de Werkgroep eigenlijk?
De Werkgroep Homosexualiteit in Chr. Geref. en Ned. Geref. kring wil in deze kerken het gesprek óver homosexualiteit en mèt homosexuelen stimuleren.
Daarbij bepleit zij meer ruimte in het kerkelijk denken voor de visie dat homosexuele relaties aanvaardbaar kunnen zijn in Gods ogen. Dit houdt ook in meer ruimte in het kerkelijk leven voor hen die deze keuze maken. Om het gesprek hierover te ondersteunen hebben we de brochure "Luisteren naar elkaar" uitgegeven, diskussiedagen georganiseerd, en gesprekken gevoerd met kerkeraden, bijbelkringen, jeugdverenigingen en welzijnsinstellingen.
Onderliggende motivatie voor deze aktiviteiten is de zorg voor de kwaliteit van onze kerken als gemeenschap waarin al Gods kinderen een volwaardige plaats moeten kunnen vinden.
Dáárom pleiten wij voor meer nuances in het kerkelijk spreken over homosexualiteit, zodat er ruimte komt voor een beter pastoraat.
Er is immers een groep homo’s die tot nog toe tussen wal en schip viel, en daarom onze speciale inzet nodig heeft. Namelijk zij die hun sexualiteit daadwerkelijk (willen) beleven, genormeerd door hun verantwoordelijkheid tegenover God.
Net als ieder ander hebben zij pastorale begeleiding en morele steun nodig, doch die ontbreekt veelal.
Wie kiest voor de weg der onthouding vindt de kerkelijke traditie, prof. Douma en de stichting 'Onze Weg' aan zijn zijde.
Wie van God noch gebod iets wil weten heeft de tijdgeest mee, en heeft in het homowereldje ruime keus.
Wie echter aan God èn aan zijn homosexualiteit wil vasthouden, vindt bar weinig steun.
Daarom vervreemden velen van de kerk.
Het lijkt ons belangrijk deze kloof te dichten. Hoewel we geen enkele mening willen monopoliseren, besteden we daarom vooral aandachts, aan de 'geestelijke belangen' van mensen in die positie.
Uitspraken en publikaties in 'onze kerken houden we tegen dat licht: steunt het kerkelijk meelevende homosexuelen op weg naar het Vaderhuis, of brengt het hun juist verder van huis? Waar er zo ongenuanceerd, geschreven wordt daar moeten we een protest laten horen.
Daarbij moeten we de laatste tijd vooral letten op hoe er over AIDS gesproken wordt. De aard van deze verschrikkelijke ziekte maakt haar zeer geschikt om een massa-hysterie op te roepen, die vele onschuldige slachtoffers maken kan. In de V.S., Australië en Nieuw-Zeeland bv. zien we dat. reeds gebeuren. In Nederland valt het gelukkig (nog) mee. We zijn een nuchter volkje. Voor kerkmensen ligt er echter een extra gevaar op de loer. Het is immers heel eenvoudig om AIDS te zien als een straf vim God op al die 'sodomitische losbandigheid'.
Toen AIDS nog alleen onder mannen met veel wisselende kontakten leek voor te komen was er wellicht aanleiding om zo te denken. Nu blijkt dat één keer vrijen genoeg kan zijn, en dat besmetting ook via heterosexueel verkeer en bloedtransfusies mogelijk is, kan dit zondestraf schema toch niet meer volgehouden worden.
Wie hier een direkt verband legt tussen goddeloosheid, homosexueel gedrag en AIDS doet meer kwaad dan goed.
Doet Huizinga dat dan?
Schrijft hij zo ongenuanceerd?
Wie zijn artikel in Koers (15-2-'85) er nog eens op na leest, zal moeten toegeven dat deze konklusie erg voor de hand ligt.
Het begin is veelbelovend. Maar al gauw blijkt dat het verschijnsel AIDS vooral gebruikt wordt om de traditionele leer aangaande homo sexualiteit te ondersteunen, die èlks beleving kategorisch verbiedt, Hoewel de ziekte een teken genoemd wordt van de weerloosheid van àllen die God verlaten, wordt het zoeklicht speciaal op homo's gericht, gelovig of niet.
Vandaar ons protest. Zowel omwille van het nog prille pastoraat aan mensen die aan AIDS lijden; als omwille van eerzaam levende homoparen. Uit het vóórkomen van AIDS mogen we niet tot zulke generaliserende konklusies komen.
Anders zouden we immers ook moeten vaststellen dat de lesbische liefde moreel gesproken superieur is, omdat ze het veiIigste is!
Maar gelukkig, Huizinga kreeg in Opbouw (11-10-'85) de gelegenheid uitgebreid te reageren op ons 'ingezonden'. Daarbij blijkt het allemaal een stuk genuanceerder te liggen. Het verband ziekte-zonde legt hij minder schematisch dan zijn eerste stuk suggereerde.
Temidden van een ietwat verwarrend betoog stelt Huizinga vast:
"Het leven is vol van lijden, zonder dat verband met een konkrete persoonlijke zonde aanwijsbaar is. Waar hebben we het eigenlijk over na Auschwitz?"
Goed, laten we het daarop houden.
T.a.v. AIDS past ons eenzelfde houding als t.a.v. verkeersongelukken: een mengeling van verdriet, schrik en nuchterheid.
Het is schokkend, het kan je zomaar overkomen, maar sommigen nemen wel meer risiko dan anderen.
We blijven wel degelijk verantwoordelijk voor wat we doen, Wie nu nog onderhet mom van 'verworven rechten' zonder voorzorgsmaatregelen zijn wekelijkse - slippertje maakt, die heeft een stuitende minachting voor het leven. En wie zulk gedrag niet ter diskussie wil stellen, kent zijn verantwoordelijkheden niet. Maar wie om AIDS homosex kategorisch verwerpt, ondermijnt deze verantwoordelijkheid evenzeer door alles over één kam te scheren.
Ter wille van de ruimte zullen we niet te diep ingaan op dat andere steeds weerkerende argument: de vruchtbaarheid.
We willen slechts wijzen op de konsekwentles van, Huizinga's woorden. Als het waar is, dat geslachtsgemeenschap die niet is gericht op voortplanting "onderworpen is aan de dood", dan geldt dat ook voor echtparen die aan geboortebeperking doen, En dan niet alleen. voor hen die anticonceptiemiddelen gebruiken, maar ook voor hen die aan periodieke onthouding doen!
Ook dàn is de gemeenschap immers bewust niet, op bevruchting gericht.
Wil Huizinga ook van deze echtparen zeggen dat het hen "niet anders vergaat dan een man met een hoer"?
Laten we eerlijk zijn: het is in onze kerken inmiddels toch wel aanvaard dat sexualiteit ook een uiting van liefde en genegenheid is, los van de voortplanting?
Het leven wordt er rijker door, als we onze verbondenheid met elkaar ook lichamelijk kunnen uiten.
Kunnen we deze funktie dan niet ook in het gesprek over homosexualiteit als positief en verrijkend erkennen?
Dat ondersteunt ook de moraliteit van de gelovige homosexueel; een gevoelen dat meer waarde heeft dan een drift is eenvoudiger onder het beslag van de ethiek te brengen.
Daarmee zijn o.i. twee belangrijke obstakels voor een goed gesprek over homosexualiteit uit de weg geruimd.
Toch is dit nog niet genoeg voor een diepgaande diskussie over de konkrete grenzen in het sexueel verkeer. Die diskussie is nodig, immers, voor hetero-relaties zijn de normen en waarden al lange tijd gestold in gedragscodes rond verkering, huwelijk etc. Dat wordt maatschappelijk erkend en door de kerk moreel ondersteund, Homorelaties ontberen dat, die moeten het zelf maar uitzoeken.
Beseft Bouma wel hoe ongelijk de overlevingskansen zijn tussen hetero- en homorelaties, alleen al door de maatschappelijke tegendruk? Hoe worden we verondersteld overeind te blijven, als de kerk ons daarin afvalt, en de pastores zeggen: "Je redt het toch niet"?
Het probleem bij veel gesprekken over sexuele ethiek is echter dat zij van heterozijde worden aangekaart als een soort keuring. Als je je netjes gedraagt ben je wellicht acceptabel.
Maar zodra men dan weer kennisneemt van: losbandigheid onder homosexuelen is de reaktie: "Zie je wel dat het niet goed kan zijn!" Geldt dit dan niet voor heterosex?
Als we het over de vele vluchtige relaties in de homoscene willen hebben, moeten we ook de prostitutie, de pornofilms en de peep-shows te berde brengen waar zoveel heterovraag naar is. In de praktijk blijken wij allen de neiging te vertonen sexualiteit te degraderen tot consumptie-artikel.
Maar waarom wordt dit voor homosexualiteit karakteristiek geacht, en voor heterosexualiteit als een uitwas? Zo onttrekken hetero's zich op grond van het ideaalbeeld aan de beoordeling, waaraan ze homo's op grond van de praktijk onderwerpen.
Daar komen we niets verder mee. Wie durft zich op zo'n wankele gespreksbasis kwetsbaar op te stellen?
Wie konkreet mee wil denken , moet ervan uitgaan dat homosexueel verkeer respektabel is als het in een verantwoord kader gebeurt. Die basis van vertrouwen en respekt moet er liggen.
'Dat geldt toch ook voor hetero's? Met iemand die alle sex verderfelijk vindt kun je toch ook niet zinvol praten over wat wel en niet mag als je verloofd bent?
In onze gespreksgroepen hebben we dat vartrouwen inmiddels opgebouwd; daar wordt over deze dingen wel degelijk gesproken.
Hopelijk hebben we hiermee duidelijk gemaakt dat we de diskussie bepaald niet willen ontlopen. Essentieel is wel de manier waarop die gevoerd wordt, Daarbij staat het respekt (dat is meer dan tolerantiel) centraal. En de vraag: wat heeft de gelovige homosexueel eraan?
Wordt zijn/haar moraliteit erdoor ondersteund of ondermijnd?
Wordt de kloof tussen kerkelijke leer en maatschappelijk leven groter of kleiner?
Voorlopig staan we nog voor u klaar, voor gesprekken op alle nivo's, Daardoor kan het onderling vertrouwen groeien, en de diepgang toenemen, We hopen dat dit proces in onze kerken mogelijk is.
Naschrift
In mijn Opbouw-artikel van 11 oktober 1985 heb ik gesteld, dat de HERE niet wil, dat een man ligt bij een man en geprobeerd dat verbod te helpen verstaan als onderwijzing ten leven.
Ik schreef: "Wie mij wil bestrijden moet uit de Schrift aantonen, dat de HERE zulks niet verbiedt, maar dat het Hem als onze Schepper behaagt.” Voor de christelijke kerk, die leeft bij de gratie van Gods Woord, is dat een natuurlijke voorwaarde.
De Werkgroep gaat in de bovenstaande reaktie hieraan eenvoudig voorbij, antwoordt niet op de aan de Schrift ontleende argumenten en handhaaft zonder woord, zonder wijs, zijn uitgangspunt. De Werkgroep schrijft: “Wie konkreet mee wil denken moet ervan uitgaan dat homosexueel verkeer respektabel is als het in een verantwoord kader gebeurt.” Daarmee verheft de Werkgroep zijn uitgangspunt tot imperatief voor de kerkgemeenschap; wie dit bevel niet aanvaardt, mag aan de discussie niet meer deelnemen, zelfs niet meer meedenken.
De vrijheid van de christelijke kerk is echter een te kostbaar goed, dan dat wij onder het juk van de Werkgroep door zouden gaan.
Diskussies over pastorale zorg zijn bovendien zinloos, indien wij niet bereid zijn ons samen te schikken onder Gods Woord en, bij een zo tegenstrijdig lezen en verstaan, elkaar daarop aan te spreken.
De pastor weet nu immers niet meer, wat hij zeggen moet.
In plaats van uit de Schrift te argumenteren, bedenkt de Werkgroep een tunnelredenering, waaruit zou moeten blijken, dat op mijn standpunt anticonceptie in de omgang van een man met zijn vrouw altijd, onder alle omstandigheden, zondig zou zijn. Dat is typerend: als wij wijzer willen zijn dan God ten aanzien van wat wel mag, worden we ook wijzer dan onze hemelse Vader met betrekking tot wat niet mag.
Onze eigen-wijsheid loopt op onvrijheid uit. de bescherming die Gods goede geboden ons bieden, homo- en heterosexuelen gezamenlijk en gelijkelijk, hebben we immers prijsgegeven.
Wèl ben ik van mening, dat de zedeloosheid onder heterosexuelen, in en buiten het huwelijk, en waarbij anticonceptietechnieken dikwijls een belangrijke rol spelen, het isolement en het lijden van homosexuelen onnoemelijk verzwaart. Voor ieder kind van God, hoe ook geaard, is er alle reden om eerbiedig te luisteren, naar wat zijn Schepper te zeggen heeft. Ook als het over anticonceptie gaat.
C. Huizinga