Ons geloof en de zede

1986-05-02
  • Jaargang 30
  • nummer 18
Laat ik nog eens terugkomen op de korte diskussie die ik onlangs in ons blad met dr D. P. Feenstra heb gevoerd over het onderwerp 'abortus'. Ik geloof bij nadere beschouwing niet dat ik verkeerde dingen heb gezegd, maar er zou door de kortheid van het gesprek een indruk, kunnen zijn ontstaan die ik niet bedoeld heb. Eigenlijk heb ik niet een afgeronde mening ten beste gegeven over dat wijde en kapot geprate onderwerp waar, zoveel kanten aan zitten, maar slechts over een onderdeeltje ervan en wel over de vraag of 'abortus' een mogelijkheid is in geval van zwangerschap-door-verkrachting. In dat verband heb ik een tekst ter sprake gebracht, Exodus 21 : 22-25, en het is met name daarover dat ik een misverstand wil wegnemen. Deze tekst beslist immers in genen dele over de vraag of abortus toelaatbaar is ja of nee, eenvoudig omdat hij daarover niet gaat. Niet een geval van opzettelijke maar van onopzettelijke vruchtafdrijving wordt erin behandeld.
Ikbracht deze bepaling uit Mozes' wet dan ook om een geheel andere reden ter' sprake. Om reden namelijk. dat er een onderscheid in gemaakt wordt tussen een mens en menselijk leven. Ieder kan nalezen dat het mij om dat onderscheid ging. Een onderscheid dat mij wel wat waard is.

Verruwing
En waarom hecht ik daar waarde aan? Omdat het mij een beetje begint te irriteren dat het' gesprek over 'abortus', evenals trouwens over 'euthanasie', onnodig belast gaat worden met zware woorden als 'moord'. Ik vind het verschijnsel van 'abortus' een onmiskenbaar teken van levensverruwing, evenals euthanasie, de pil, ongehuwd samenwonen, homosexueel leven en lijkverbranding. Zaken waarin de verdingelijking van het leven manifest wordt. Maar ik geloof niet dat we er iets mee opschieten wanneer we in onze wrevel daarover met kreten als 'moord!' of 'hoererij!' en zo meer wild om ons heen beginnen te slaan. Dat overkomt ons allemaal op z'n tijd, maar we moeten ermee oppassen.
Wij verruwen met mekaar! Als dat inzicht toch eens mocht doorbreken! Dan zouden wij het wel laten om vertwijfelden die in een voor hen uitzichtloze situatie naar een 'middel' als vruchtafdrijving gegrepen hebben, met het odium van 'moord' te belasten. Dan zouden wij beseffen dat zulke invektieven zich in een onvoorziene situatie heel gemakkelijk tegen onszelf kunnen keren. En daarom heb ik heel clean (met behulp van die tekst uit Exodus) geprobeerd dat woord 'moord' uit het debat te nemen en te laten zien dat de Schrift ons tot dat taalgebruik niet noodzaakt.

De Schrift en onze weg
Ik had trouwens met die Exodus-tekst nog een bijoogmerk waarvan het de moeite loont er wat breder op in te gaan. Dat betreft de vraag: hoe vinden we de wil van God over ons leven?
Dat is' niet wat de hoofdlijnen maar wel wat de details aangaat best" een probleem vandaag.
Langzaamaan begint het immers tot ons door te dringen dat de Bijbel behalve een eeuwigheidskàrakter ook een historische kant heeft. Niet alle geboden zijn door God zelf met eigen vinger op steen gegrift en in de ark gedeponeerd (Deuteronomium 10 : 4, 5), er zijn er ook die door Mozes in de natte kalk geschreven en náást de ark werden bewaard (Deuteronomium 27 : 2, 3 en 31 : 26). En ook bij Paulus lees je een enkele maal: 'dat zegt niet de Here maar ik' (1 Korinthiërs 7: 10, 12, 25). Niet alles staat voor goed vast. Dit maakt dat het nut van allerlei bepalingen in de Bijbel tamelijk indirekt is. De Schrift voert ons door een rijk gevariëerd landschap en het resultaat daarvan is bij de opmerkzame lezer dat hij gevoelig gemaakt wordt voor situaties en dat de intuïtie gescherpt wordt voor het onderscheiden van gevallen. Vandaar ook het verschil dat ik maakte tussen "Volgens de Schrift moeten we ... " en "De Schrift kent de gedachte dat ... ". Dat laatste is voorzichtiger en houdt rekening met de indirekte wijze waarop de Bijbel ons gedrag beïnvloedt, namelijk via de wijsheid van de gave des onderscheids.

Andere tijden,andere zeden
Wanneer we de Schrift historisch lezen merken we trouwens ook dat er meer tijden geweest zijn dat de zeden ruw waren.
Weer in een ander opzicht en op andere terreinen dan bij ons, maar toch. Abraham nam Hagar als bijvrouw. Wat een klap in het gezicht van Sara, al kwam die er zelf mee aan!
Toch schijnt Abraham daarin gehandeld te hebben volgens een erkend recht van die dagen.
Zoals onze tijd ruwe methodes hanteert om de kinderzegen te beperken zo was dus een andere wereld weer grof in het opvoeren van het kindertal. In beide situaties moeten Gods kinderen hun geweten zo zuiver mogelijk houden. In beide situaties zie je echter ook dat Gods kinderen door de tijdgeest niet geheel onberoerd blijven.
En God veroordeelt niet. Wel laat Hij Abraham zien dat hij langs deze weg niet ver komt, maar een experimenteer-ruimte wordt, hem toch gegund.
Dit voorbeeld leert ons tevens dat we onze stemming niet te snel eindtijdelijk mogen laten worden als we verruwing menen op te merken. Ik vind dat trouwens in het algemeen wel een nadeel van ons geloof dat we de eindtijd er zo gauw bijslepen.
Dat draagt gemakkelijk bij tot paniek en sensationele dramatisering. Terwijl toch tegelijk de verwachting van Jezus' wederkomst zo'n heerlijke zaak is. Hoe vinden we hierin toch het evenwicht tussen enerzijds de rust die niet elk incident tot symptoom verklaart en anderzijds de spanning die uitziet naar de tekenen van de grote dag?

'Nog is het einde niet'
Zeker zie ik een verband tussen het wegebben van het evangelie uit onze samenleving en de verruwing van onze, zeden maar het einde is dit nog niet.
Gods volk lijkt vandaag op de drempel van een gesekulariseerde tijd te stàan. Wij falen als wij onze jeugd alleen maar een kritische houding daartegenover bijbrengen. Daarnaast is nodig dat we leren de komende tijd en z'n mogelijkheden te gebruiken. Konkreet: als de mensen van onze eeuw in het sexuele zeer 'vrijgevig' worden moeten we God danken voor de middelen om aan de gevolgen daarvan paal en perk te stellen.
Niemand hoeft bang te zijn dat we dan helemaal geen ellende meer overhouden of dat het ons naar het hoofd zal stijgen vanwege ons groot vermogen tot het oplossen van problemen.
Opgelost wordt er niets. Maar wees blij dat we soms iets kunnen lenigen.

'Rand van onzekerheid'
Dat brengt me tot nog een puntje. Is het wel zo positief -dat we ons als christenen ingraven in dingen die (ook voor de wereld!) problematisch zijn en daarover allerlei stellige uitspraken doen? Kunnen we onze krachten niet beter gebruiken door ons te koncentreren op zaken die minder kwestieus zijn? Wat op mij grote indruk maakt is dat een meisje, verkracht en zwanger, bij mij komt en tegen me zegt: en toch, dominee, om Jezus' wil durf ik het aan het kind te laten komen.
En laat ze dat dan maar niet te hardop zeggen maar veel meer voor de oren van de hemelse Vader die in het verborgene hoort. Dat zal ons barmhartigheid leren naar degenen toe die dat niet kunnen opbrengen. Ik verwacht dus ook hier meer van het evangelie dan van de wet of van een wet. Leven uit het evangelie doet ons meer dan leven-uit-de-wet op hoofdzaken letten, op zaken waarin elk menselijk geweten ons bij kan vallen.
Aan het menselijke leven zit een 'rand van onzekerheid, aan 't begin en aan 't eind. Wij doen het christelijk getuigenis schade wanneer we daar te lang en te nadrukkelijk bij verwijlen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief