Het Liedboek

1986-05-02
  • Jaargang 30
  • nummer 18

Lied 347
De inhoud van dit Lied is bepaald door het feit dat de bediening van beide sacramenten in dezelfde dienst plaats heeft. In vrijwel alle strofen wordt hiernaar verwezen. Toch is het verband waarin een en ander is geplaatst niet altijd even duidelijk.
Mogelijk zou daartoe aansluiting bij de preek dit bezwaar enigszins kunnen opvangen.
Dat de duidelijkheid te wensen over laat is ook geconstateerd in de volgende beoordeling, waarbij de tekst van het Liedboek vergeleken wordt met, het origineel: "De 8e strofe is geheel losgekoppeld van de 7e.
Het subject is veranderd: terwijl strofe 7 duidelijk op de gemeenteleden terugslaat, die in hun vlees aanvullen wat aan de verdrukkingen van de Messias ontbreekt (Kol. 1: 24) wordt strofe 8 een strikt-christelogische confessie en dat kàn de bedoeling niet geweest zijn. Onbegrijpelijk dat zo iets passeren kon." (Zie hierover uitvoeriger Comp. p: 784). Voorts kan nog bezwaar worden ingebracht tegen de 1e regel van strofe 8: "Hij zal Zijn leven geven". Wat de melodie betreft, de componist zegt daar zelf over: "Een melodie die het' tekst-motief "inkeer en terugkeer" ook structureel poogt weer te geven.
De noten-volgorde van de melodie begeeft zich halverwege (maat 8 en 9) weer terug naar het begin." (Comp. p. ,7.135).

Tekst: 2; melodie:2

Lied 348
Over de tekst van dit Lied - een oogstlied - schrijft de dichter o.m.: "bij de opbouw van dit Lied werd de speelsheid de, dichter te machtig: het verband tussen de strofen ligt in de gebruikte vocalen. Bovendien, wat de medeklinkers betreft in de rijmwoorden, bv. in alle eerste en derde regels door heel het Lied heen (behalve in de 2e strofe) wisselen de v en de g af: gaven, dagen, dieven, vliegen, duiven; getuigen etc. Deze, dingen zijn niet van belang, maar het is wel aardig voor de handwerksman die zijn werkstuk heeft opgeleverd, er eens de aandacht voor te vragen. Ook dichten is een vak, het is het "werk van onze hand". (Comp. p.785).
Naar onze mening is dit de inhoud helaas niet ten' goede gekomen.
Het is wat "uit de hand gelopen" en teveel "uit de losse hand" geschreven. Een illustratie daarvan geeft b.v. strofe 3: "De vogels en de dieven die leven van de wind, maar wie er niet kan vliegen en wie de schoven bindt moet werken en geloven" en in strofe 5: "wij brengen U de druiven, wij plengen U de wijn, die zal van U getuigen, die zal U eigen zijn; geheel en al U eigen" en in strofe 6: "het is en moet zo blijven de gave van Uw hand ... ". We achten dit Lied als kerklied niet geslaagd, al zouden we voor de eerste en laatste strofe wel een uitzondering willen maken.
De melodie is gemakkelijk zingbaar, hoewel niet bepaald sterk te noemen.
Tekst: 1; melodie: 2.

Lied 349
"Het gaat in dit Lied, kort gezegd, om dat wat tegenwoordig "de geloofwaardigheid" van het evangelie heet. De gerechtigheid waarom het hier gaat (strofe 1) is die welke aan de mensen recht doet door hun het hoogst nodige niet te onthouden, - brood - maar ook dat wat meer is dan brood, en de mensen evenmin ontbreken mag", aldus de dichter (Comp.p.789).
De strekking van het Lied is o.i. vrij horizontalistisch en de aanhaling van Matth. 14: 16 als voorbeeld van een materialistische exegese, onjuist. Voorts, spreekt de, bijbel anders over gerechtigheid (zie Matth. 5: 6) dan hier in de zin van een volkenrechtelijk sociaal beleid is gedaan. En "kinderen" (strofe 1) is niet hetzelfde als “allen" (strofe 2).
De melodie is goed en hoewel niet eenvoudig, bijzonder de moeite waard om te leren.
Tekst: 1; melodie: 3.

Lied 350
Ook bij dit Lied hebben we te maken met een oogstlied met wat wijder perspectief. "Het gaat om dank voor de oogst, die zich alleen in daden van dankbaarheid als echt bewijzen kan en misschien, dat we dit Lied zingend, dan ook tevens zullen ontdekken dat het niet alleen betrekking heeft op de boerenarbeid maar op àl het werk van onze handen." (Comp. p. 790).
"Gewezen moet worden op een bepaald vervelende zetfout in de voorlaatste regel van de laatste strofe: daar moet nl. gelezen worden ,,'t woord van Uw genade" i.p.v. ,,'t werk van Uw genade". (Comp. p. 791). Voorts mag zeker de vraag gesteld worden of strofe 3 niet wat al te strak is geformuleerd met de woorden: "Maal' wij rijken, ach, wij blijken hard en onverstoord".
De melodie is "een eenvoudige, vrolijke wijs". Tekst: 2; melodie: 3.

Lied 351
Een Lied voor de biddag voor het gewas, ontstaan als pendant van het oogstlied "God, Die leven hebt gegeven" (Lied 350).
"Ik heb dit Lied", aldus de dichter, "niet zozeer gedicht vanuit het geloof in de voorzienige goedheid Gods, Die Zijn hand open doet en verzadigt al wat leeft (Ps. 145: 16) als wel uit het besef van de goedheid Gods zoals zij zich in Christus heeft geopenbaard. "Hoe zou Hij Die zelf Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons ook met Hem niet alle dingen schenken."
Dit woord uit Rom. 8 zou er als motto boven kunnen staan. De biddag (voor het gewas) valt in de lijdenstijd. Dit resonneert in strofe 2. Een ander bijbelwoord waarop wordt gezinspeeld, is Psalm 126: 5 (strofe 2 en 4, terwijl verder Psalm 90 : 17 instrofe 4 te herkennen is."
(Comp. p. 791).
Wat de melodie aangaat merken we op dat de mooie melodie , van Lied 350 hier ook zeer goed zou passen, mogelijk wel de voorkeur, zou kunnen verdienen.
Tekst: 3; melodie: 3.

Lied 352
Dit Lied, oorspronkelijk afkomstig van Thomas van Aquino, heeft een enigszins mystieke inslag: "U, verborgen Christus, bid 'k eerbiedig aan" (strofe 1); "dat ik immer op U hopen en U minnen mag" (strofe 4) "schenk ons van Uw rijkdom, kennis, klaar en zoet" (strofe 5); "dat mijn oog Uw aanzicht ongesluierd schouwe" (strofe 6).
Wat verder de tekst in 't algemeen betreft: taal en stijl zijn wel wat verouderd en mede, daardoor niet altijd even duidelijk: b.v. in strofe 1: "U geeft zich mijn harte over gans en al, schoon het Uwe grootheid nimmer vatten zal" en in strofe 2: "Nooit kan hoger waarheid naast dit woord bestaan" en in strofe 3: "maar nochtans geloof ik en belijd het klaar."
Voor de gemeentezang menen we dit Lied dan ook niet te kunnen aanbevelen.
De onbekende melodie is wel aanvaardbaar. Tekst: 1; melodie: 3.

Lied 353
"Dat een denker tot dichter wordt, is zeldzaam maar het kan." Dat bewijst de opzet en inhoud van dit Lied dat als kernwoorden "overleveren" en "geven" heeft. "Christus wordt overgeleverd en Hij levert zichzelf over, geeft .zich weg'. Het hoogtepunt wordt bereikt in de 4e strofe, waar de hele betekenis van de Verlosser wordt samengevat in vier korte, kernachtige zinnen." (Comp. p. 8,04).
De melodie is goed, echter niet gemakkelijk en vraagt daarom wel enige oefening.
Tekst: 3; melodie: 3.

A. t.a.v. de tekst der liederen
het cijfer 1 bij niet voluit Schriftuurlijke tekst, b.v. vanwege het humanistisch karakter of door een sterke piëtistische inslag; het cijfer 2 bij een weliswaar Schriftuurlijke, maar niet direct begrijpelijke, en aanspreekbare tekst; het cijfer 3 als de tekst volkomen Schriftuurlijk en zonder meer verstaanbaar is.

B. t.a.v. de melodie der liederen:
het cijfer 1 voor een niet-aanvaardbare melodie; het cijfer 2 voor een onbekende melodie die na enige oefening, eventueel met behulp van een koor, door de gemeente wel te zingen is en voorts ook voor een melodie die niet bepaald tot “de beste" behoort; het cijfer 3 voor "een goede" melodie, geschikt voor de gemeentezang.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief