Christelijke euthanasie (1)
1986-05-02
1. Wanneer wij ernstig ziek zijn doen de artsen al het mogelijke om ons te genezen, althans om het ziekteproces te stoppen en terug te dringen of te vertragen. Ook proberen zij zo veel mogelijk de pijn te verzachten.- Jaargang 30
- nummer 18
Kortom: het is een strijd tegen lijden en dood, een strijd voor de verlenging en verbetering van het leven. Er zijn nog maar zeer weinig christenen die daar bezwaar tegen hebben en het argument aanvoeren dat God ons levenseinde bepaald heeft en dat wij daar niet op mogen ingrijpen met operaties of inentingen, met reanimatietoestellen, kunstnieren, transplantaties, of wat dan ook.
Hoewel dit laatstgenoemde standpunt weinig actueel is, wil ik er toch nog even op ingaan. Want in de discussies over euthanasie komt men toch nog vaak het argument tegen dat wij mensen niet mogen ingrijpen in de bepaling van het moment van onze dood, God gaf ons het leven, alsook het gebod: gij zult niet doden. Wanneer een arts een patiënt "op geeft" en de medische behandeling voorzover gericht op levensverlenging staakt, dan noemt men dat een "terug treden" van de arts, een "loslaten" of "overgeven". Het aldus naderende levenseinde wordt dan gezien als de "natuurlijke"
dood ten gevolge van de ziekte, of gewoon door ouderdom. Sommigen willen dan ook liever niet spreken over zgn. passieve euthanasie, omdat dit geen euthanasie in de zin van opzettelijk doden is, maar een zgn. natuurlijk levenseinde. De patiënt bezwijkt aan de ziekte door verval van krachten. Daarin zou dan geen menselijk ingrijpen zijn. Voor het besef van menig christen is het dan God alleen die het uur en het moment van onze dood bepaalt en in handen houdt.
2. Het komt mij voor dat dit standpunt niet geheel juist is. Hoewel ik dit standpunt niet deel en mijn bezwaren er tegen nu zal aanvoeren, wil ik vooraf zeggen dat dit m.i., niet geheel juiste standpunt mij veel sympathieker is dan de meeste pleidooien vóór euthanasie. In de genoemde gedachtengang leeft tenminste het besef dat niet de mens eigen baas is over zijn leven. Men erkent God als de eigenaar van ons leven en als de beschikker van ons lot. Ook als de Heer die inderdaad alleen het recht heeft ons leven te beëindigen of te laten beëindigen.
Ook waardeer ik bijzonder in dit standpunt dat men ook plaatsruimte heeft voor de ootmoedige aanvaarding van het lijden in de laatste levensfase. Juist omdat de christen die vast wil houden aart de Bijbel, Gods voorzienig bestel gelovig aanvaardt, zal hij niet bij voorbaat een brutale afwijzende houding aannemen tegenover ziekte, lijden, ook zwaar lijden, en tegenover de dood, die voor hem ook een "doorgang" naar het eeuwig leven is.
3. Toch moet ik nu enige bezwaren inbrengen tegen de zojuist kort geschetste volstrekte afwijzing van alle euthanasie.
Laat ik beginnen met de stelling dat strikt genomen een zgn. "natuurlijke dood" praktisch niet meer bestaat, en zeker niet in onze hoog ontwikkelde westerse cultuur.
Zoals er bij ons ook vrijwel geen zuiver natuurlijk landschap meer bestaat. Overal in het concrete leven is er ook de menselijke hand in alles wat leeft en groeit en in wat ziek wordt en sterft. Ook in het menselijk leven is dat zo.
Ik begon mijn betoog dan ook met een aanduiding van het actieve optreden van artsen bij het verlengen en verbeteren van het leven, voor zover hun dat maar mogelijk is.
Ook dat is,ingrijpen van de ene mens in de levensduur van de ander. Alleen, als het om levensverlenging gaat, heeft haast niemand enig bezwaar. En dat is terecht.
Maar men moet er zich dan wel rekenschap van geven, dat het dan toch menselijk ingrijpen in de levensduur is. Wie dat ingrijpen consequent zou. willen. afwijzen, en zogenaamd de natuur zelf zijn gang wil laten gaan omdat alleen zo de zuivere alleen werkzaamheid Gods geëerbiedigd wordt, die moet .consequent elke doktershulp en elk geneesmiddel weigeren. Maar wie dat niet doet en toch geneesmiddelen, operaties, bestralingen, enz. gebruikt, moet zich er bewust van zijn dat hij daarmee invloed uitoefent op' zijn levensduur, invloed uitoefent op het moment van zijn dood, zij het dan ook als regel zulk een invloed dat het overlijden wordt uitgesteld, de dood wordt teruggedrongen, het leven verlengd. Daarom bestaat een "zuiver-natuurlijke" dood bijna niet meer. Wij mensen hebben praktisch gesproken altijd al indirekt gesleuteld aan onze conditie, aan onze gezondheid en meer of minder rechtstreeks ook aan het uur van onze dood, hetzij uitstellend, hetzij dichterbij trekkend.
4. Waar het voor een christen op aankomt is dan ook niet alleen om in de aktuele vragen inzake de euthanasie een standpunt te bepalen, hoewel ook dat inderdaad nodig is. Maar we kunnen daarvan geen geïsoleerde kwestie maken waarvan men, los van het gehele levensverband en van de gehele levenshouding, kan zeggen dat die euthanasie op zichzelf goed of kwaad is.
Daarom stelde ik opzettelijk voorop de kwestie van 'de levensverlenging. Waarom hebben wij daar. geen bezwaar tegen?
Waarom mogen en moeten wij mensen, met name de geneeskundigen en verpleegkundigen, daarvan - dus van die levensverlenging - zoveel werk maken? Het is een vraag waarop wij slechts vanuit een geloofsovertuiging kunnen antwoorden. In de christelijke levensbeschouwing kunnen wij over leven en dood, over levensverlenging en doodsbestrijding slechts spreken in verband met Gods schepping, onze zonde, Gods oordeel en Gods genade in Christus.
Ik kan dat nu niet uitwerken. Het zou een hele preek worden. Maar de conclusie voor ons onderwerp is deze, dat ook medische levensverlenging niet op zichzelf en in zichzelf goed of kwaad is. Het kán goed zijn en het kan kwaad zijn. Dat hangt geheel af van de context van het leven en van de levenshouding waarin het ontvangen of verlenen van medische hulp plaats vindt.
“Goed" in de volwaardige; christelijke zin van het woord, is alleen wat in ootmoedige geloofsverbondenheid met Christus wordt gedaan en gelaten, hetgeen insluit gehoorzaamheid aan Gods geboden en het opvolgen van Zijn aanwijzingen. Christelijke medische ethiek zal, evenals alle andere christelijke ethiek, meer dan gebruikelijk is, moeten breken met de oppervlakkigheid van, een traditionele casuïstiek die goed en kwaad slechts verbindt met regels die op uiterlijke gedragingen betrokken zijn, en die met veel rekenwerk van elitaire deskundigen zouden moeten worden toegepast.
5. In verband hiermee moet ik nog wat zeggen over het argument dat het zesde gebod zegt: gij zult niet doden, en over het gebruik dat men van dit gebod wil maken in de bestrijding van elke "actieve" euthanasie.
De Schrift zelf gaat ons er in voor van dit gebod geen formalistisch misbruik te maken. Hoeveel voorschriften bevat dezelfde wet van Mozes niet om allerlei zonden met de dood te bestraffen: niet alleen moordenaars, maar ook ontuchtigen, valse profeten en sabbathschenders bijvoorbeeld.
Ook draagt de Overheid het zwaard niet tevergeefs. Neen, het zesde gebod heeft niet het oog op een abstracte uiterlijks handeling die dood ten gevolge heeft, want de uiterlijke handeling is slechts een fragment van menselijke activiteit. Een onzelfstandig fragment van het geheel. De gezindheid en de bedoeling behoren er ook bij, zoals de wortels bij een plant behoren.
Daarom is het doden in een rechtvaardige oorlog niet zonder meer en altijd zonde te noemen, evenmin als een gerechtelijke executie. Zo is goede euthanasie ook geen uiting van haat, maar van naastenliefde.
De christelijke beoordeling van euthanasie zal daarmee rekening moeten houden en niet rationalistisch, formalistisch, automatisch en vanzelfsprekend het zesde gebod van toepassing achten op grond van een enkele handeling, en die dan nog op zich zelf beschouwd. Grondhoudingen, drijfveren en motieven zijn een onverbrekelijk geheel tesamen met de uiterlijke daden en nalatigheden, en die weer gezien in hun context.
6. In dit verband moet nu ook gewezen worden op het onderscheiden tussen actieve en passieve euthanasie. Ieder weet wel wat men daarmee bedoelt. Actieve euthanasie zou zijn het actief optreden met b.v. dodelijke injecties of laten innemen van overmatige hoeveelheden pijnstillende middelen, e.d. Passieve euthanasie noemt men dan wel het niet langer medisch actief optreden dat gericht was op levensverlenging.
Het "opgeven" en "terugtreden" van de geneeskundige(n) noemt men dan passief.
Maar strikt genomen is dat niet juist. Ook dat schijnbaar-passieve is in wezen een en al activiteit. En wel een zeer verantwoordelijke activiteit, Het is voor veel medici een gewetensvolle, afweging wanneer zij het moment gekomen achten om niet langer levensverlengend op te treden. Dan volgt het besluit. Dat afwegen, soms langdurig en aarzelend, en dat besluiten, zijn evenzeer activiteiten, als het uiterlijke verlengstuk daarvan, namelijk het nalaten van geneeskundig handelen. Dat nalaten moet ook voor God en voor de mensen verantwoord worden als een beslissing en als een daad die in overeenstemming moet zijn met Gods wil. Men kan dat eigenlijk geen passiviteit noemen. Het is ook activiteit.
Want niet levensverlengend optreden is als zodanig automatisch levensverkortend optreden - al is dat "optreden" dan beperkt tot het nemen van een daartoe strekkend besluit. Er is ook voor een rechter soms sprake van schuldige en strafbare nalatigheid. Juist omdat zulk een passiviteit of nalatigheid is aan te merken als een onrechtmatige dáád, Maar ook als juridisch gezien het een groot verschil uitmaakt of iemand onrechtmatige voornemens uitvoert of niet uitvoert, "moreel" (beter: religieus) gezien verdwijnt dit verschil vaak in belangrijke mate. Vgl. b.v. de toelichting van de Catechismus Zd. 40 vr. 106: God houdt ook de wortel van de doodslag, zoals wraakgierigheid, haat en nijd, voor een doodslag.
Zo mag men ook allerlei vormen van "doden" niet op zichzelf en formalistisch naar het uiterlijk beoordelen, maar alleen in de concrete levenssamenhang en inclusief de diepere motieven; bedoelingen, enz. Zogenaamde "passieve" euthanasie is dan ook altijd verbonden met (innerlijke) activiteit.
Daarom mag men de (altijd actieve) euthanasie niet oppervlakkig beoordelen, alleen naar de uiterlijke daad.
7. Men spreekt tegenwoordig in verband met deze dingen wel over "toegenomen verantwoordelijkheid".
Terecht. Door de toegenomen technische beheersing van allerlei levens- en stervensprocessen, is onze verantwoordelijkheid voor leven en dood zeer toegenomen. Zeker, deze verantwoordelijkheid is er altijd al geweest. Ook terzake van leven, gezondheid en ziekte, sterven en manier van sterven, was altijd al de mens door God Zelf ingeschakeld. Omdat mensen geen konijnen zijn, maar mensen, spreken we over "verantwoorde gezinsvorming", d.w.z. we beseffen dat in de vraag over het al dan niet geboren worden van kinderen en van nog meer kinderen, wij niet maar "de natuur zijn loop laten nemen", maar we erkennen onze menselijke verantwoordelijkheid.
D.w.z. tal van factoren moeten worden afgewogen bij de beslissingen over de vraag of er nog een kind bij moet komen.
Wij mogen niet zeggen dat we dat aan God moeten overlaten. Veeleer omgekeerd: God legt die, beslissingen mede in onze handen.
Ook is er binnen zekere grenzen een verantwoordelijkheid voor het bepalen van het uur der geboorte. Men kan dat aan de natuur overlaten, zoals dat heet. Maar soms moet de vrouwenarts een geboorte bespoedigen of tegen houden, bv. in verband met het feit dat hij maar op één plaats tegelijk kan helpen. M.a.w. ook het uur van een geboorte is binnen zekere grenzen tot onze beschikking gesteld en moeten wij met verantwoorde beslissingen soms zelf bepalen.
Zo is het ook met het uur van onze dood.
Wij weten nu genoegzaam dat verslaafden aan cigaretten, alcohol of andere drugs bezig zijn hun dood te verhaasten en wij waarschuwen hen. Terecht, maar op welke gronden? De maatschappij doet erg veel moeite en besteedt erg veel geld aan de bestrijding van die verslavingen. Nogmaals: terecht, maar waarom? Is een langer leven een absoluut hogere waarde dan het leven zonder deze genotsmiddelen? Dat is inderdaad thans nog een algemeen gangbare opvatting. We kunnen als christenen daar bij aanknopen. Maar wij kunnen dit argument niet zonder meer overnemen. Dat noodzakelijke "meer" is het levensbeschouwelijke geloofsweten omtrent de zin van het leven, o.a. aangewezen in het dubbele gebod der liefde.
Bij de problemen terzake van euthanasie en van zelfmoord, die heel dicht bij elkaar kunnen liggen, is alles beslissend hoe wij onze relatie met God beleven en onze menselijke verantwoordelijkheid ter zake van leven en dood. Ook ter zake van lijden en lijdensaanvaarding. Onze levenshouding en onze levensbeschouwing, en in beide ons geloofsleven, zijn hier doorslaggevend voor het al of niet "goed" zijn van ons doen en laten.
8. Wanneer ons leven een "leven in de Heer" is, dan kan ook ons sterven een "sterven in de Heer" zijn, d.w.z. het kan bewust beleefd en ervaren, worden in de gemeenschap met Christus en ziende op Zijn wil. "Hetzij wij leven, hetzij wij sterven, wij zijn van de Heer", schreef Paulus.
Het maakt voor een christen dan ook principieel niets uit of zijn leven dan enkele dagen of enkele weken of maanden langer of korter duurt. Het is overigens niet toevallig dat tot nu toe verreweg de meeste verzoeken om euthanasie niet van de patiënten zelf kwamen, maar van hun familie of anderen. Zelfs patiënten die zelf geen bezwaar hebben tegen euthanasie, vragen daar meestal toch niet zelf om. Een gerijpt leven, en vooral een "verzadigd" leven op hoge leeftijd aanvaardt en verwerkt het lijden meestal anders dan jongeren. In het spreken van jongeren hierover treft mij ook vaak dat zij hun angst voor en afkeer van ernstig pijnlijden vaak terug projecteren in de zieken tijdens hun pijn lijden.
Daarom moet m.i. de verantwoordelijkheid van de arts om al dan niet euthanasie toe te passen, volstrekte prioriteit hebben. De arts (c.s.) is m.i. de hoofdverantwoordelijke voor het al dan niet actief versnellen van het moment van overlijden.