Het pastoraat van boven
1985-08-16
Ik lees u enkele verzen uit de brief aan de Hebreeën. Hebreeën is een boek in de bijbel waarin het hoofdstukkenlang over dingen gaat waarvan .wij de actualiteit niet aanstonds beseffen. Daardoor is deze brief wel eens een raadsel: vanwaar toch dat enthousiasme? We kunnen ons wel schuldig voelen omdat we daar wat vreemd tegenover staan en 't niet helemaal mee kunnen maken. Ik hoop dan toch in staat te zijn te laten zien dat 't in deze brief, ook in die wat afstandelijke, stukken over Christus als onze hogepriester, inderdaad ook over ons en onze tijd gaat. Hier is het stukje dat ik koos: (Hebreeën 7 : 26-28) .- Jaargang 29
- nummer 31
Als we dat de schrijver van 'de brief aan de Hebreeën zo met overtuiging' horen vaststellen: zo'n hogepriester hebben wij nodig: heilig, zonder schuld of smet, gescheiden 'van de zondaars en boven de hemelen verhevendan is er toch wel even aarzeling bij ons. Is dat zo? Zitten we daarop nu te wachten of gaat ons hart veel meer uit naar een andere hogepriester?
Hogepriester? Maar wat is dat voor iets achterhaalds? Wel, u moet weten dat de hogepriester over wie deze brief het steeds heeft, de pastor is. Telkens gaat 't in Hebreeën over de grote hogepriester en op 't slot van de brief wordt deze grote hogepriester plotseling de 'grote herder der schapen' genoemd (13 : 20). In die titel komt eigenlijk de aap uit de mouw: hé, 't gaat dus in de brief aan de Hebreeën over het pastoraat. Het pastoraat van Jezus. Het gaat over de Goede Herder die (als hogepriester) zijn leven' gesteld heeft voor de schapen (Johannes 10: 11,15). Nu lezen we de voorgelezen woorden nog eens: zo'n pastor hebben we nodig: heilig, zonder schuld of smet, afgescheiden van de zondaars en boven de hemelen verheven. Maar nog eens: is dat zo? Zitten we op zo'n herder te wachten?
Ergens eerder in de brief gaat 't over de hogepriester die uit de mensen genomen is. Israël kende die in de persoon van Aäron: En opnieuw: de hogepriester uit de mensen is de menselijke pastor.
Nu, van hem wordt dan gezegd: "hij kan tegemoet komend zijn jegens de onwetenden en dwalenden, daar hij ook zelf met zwakheid omvangen is die hem verplicht, evenzeer als voor 't volk, voor zichzelf offers voor 'de zonden te brengen" (5 :2,3).
Is zo'n pastor uit de mensen niet veel méér naar onze zin? Een menselijke pastor, een met begrip, een die tegemoetkomend is, letterlijk staat er: die maat houdt in zijn passies, die niet briest van verontwaardiging als hij van zonden hoort, maar veeleer bedenkt wie hij zelf is en dan mild is en zwijgt? Daar gaat toch voor ons grote charme van uit? Waarom wordt dat pastoraat in deze brief eigenlijk afgekeurd, voor onvoldoende verklaard? Want dat gebeurt In de gelezen verzen: "de wet stelt als hogepriester mensen die met zwakheid behept zijn (te denken valt weer aan Aäron), maar dan komt krachtens de eed van God de Zoon, die in eeuwigheid volmaakt is". Dat is Jezus Christus.
Hij is Gods volmaakte hogepriester en Hij is onze volmaakte pastor. Maar een volmaakte pastor, irriteert die ons niet meer dan dat we ons door hem laten helpen? Inderdaad zijn wij zo middelmatig geworden dat volmaaktheid ons irriteert. Het menselijke, begripvolle pastoraat oefent een grote bekoring op ons uit. Het is ook in staat gebleken het bovenmenselijke pastoraat van Jezus Christus in de schaduw te stellen. Wij zijn er aan ontwend. Dat kwam ook wel doordat de bovenmenselijkheid van Jezus door de kerk onmenselijk gehanteerd werd. Als de Heilige Geest ons verlaat,dan is 'de bovenmenselijkheid van de bijbel ook onmenselijk. Dan kunnen er met de Schrift, wrede dingen uitgehaald worden. En dat is ook gebeurd.
Zo 'is het dus gegaan: de bovenmenselijkheid van Jezus en de bijbel is in een geestloze kerk tot.
onmenselijkheid geworden en nu heeft men dáártegenover in onze tijd de menselijkheid ontdekt.
Bovenmenselijk, onmenselijk, menselijk. En nu lijkt iedereen tevreden. We hebben een kerk met een menselijk gelaat en een pastoraat met een menselijk begrip.
Toch is dit de oplossing niet. Wij moeten terug naar 'de bovenmenselijkheid van Jezus Christus. De brief aan de Hebreeën heeft gelijk: zulk een pastor hebben wij ook nodig: “heilig, zonder schuld of smet, afgescheiden van de zondaars en boven de hemelen verheven". Waarom is dit waar?
Wel, we hebben nu twintig jaar het menselijk pastoraat van het begrip leren kennen. Wij zijn in alles meegaand geweest. En nu beginnen wij te schrikken van de gevolgen. Wij zijn op veel gebieden onze christelijke zeden kwijt. Wij hebben een lawine losgemaakt die wij niet meer kunnen stoppen. En nu is de grens van de tolerantie bereikt. De maatschappij lijkt daar nog eerder aan toe dan de kerk. Het punt komt snel nader dat wij aan het einde van ons begrip en het einde van ons geduld zijn. De dagen zullen komen dat de homofiel het zal betreuren dat hij zichzelf als zodanig kenbaar heeft gemaakt. Want de samenleving zal 't niet aankunnen.
Toch niet. Ondanks alle wetten, die hem moeten beschermen.
Maar wat zijn wetten, als er geen mentaliteit achter staat? 'Zwak door het vlees', zegt Paulus (Romeinen 8 : 3). De kerk met 't menselijke gelaat zal blijken een flop te zijn. Wat we dachten dat onze roem was, zal blijken onze nederlaag te zijn.
En daar zit goddelijke bestraffing in. Want de kerk heeft met dat menselijke gelaat zichzelf gepredikt in plaats van haar' Heer. En die zelfoverschatting, daar blaast God in.
Wij moeten terug naar de Here Jezus, de grote Herder der schapen. Hij bedrijft zijn pastoraat op grond van zijn eenmaal gebrachte offer ter verzoening van ál onze zonden. Achter zijn herderschap staat zijn werk als Gods hogepriester.
En, zoals er staat, "wij hebben geen hogepriester die niet kan meevoelen met onze zwakheden, maar één die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder te zondigen" Christus' pastoraat op grond van zijn werk als hogepriester is werkelijk opgewassen tegen alle zonden.
Jezus is niet de pastor van het menselijke gelaat. maar van de goddelijke liefde. Hij zit niet op het krukje van 't begrip, maar (zoals deze brief zegt): op de troon der genade.
'Troon der genade' (Hebreeën 4 : 16) - dat drukt precies uit wat voor pastoraat Christus uitoefent en wij ook nodig hebben: een pastoraat van genade die haar majesteit behoudt. Een pastoraat dat zeer diep kan afdalen maar om dan ook zeer hoog thuis te brengen. Een pastoraat dat als 't de verloren zoon bij de varkens aantreft, niet net zolang praat totdat de zoon aan de varkens gewend is, maar 't over het vaderhuis heeft en zegt: je moet opstaan en naar je vader gaan! Een pastoraat dat de zonde · van de mens èn de heiligheid van God serieus neemt, en dat russen die beide, mens en God, toch een brug slaat. met 't evangelie van de vergeving.
Menselijk pastoraat kent eigenlijk geen hoogte en geen diepte. Omdat 't niet uitgaat van Gods liefde kan 't niet echt afdalen. Het haakt halverwege ,af, want het geduld is op en de tolerantie is aan haar grenzen. En omdat het niet uitgaat van Gods liefde kan 't ook niet echt verheffen. Het blijft steken in het compromis.Het menselijk pastoraat: we konden weten dat dat de oplossing niet is. En vandaag gaan we dat ook duidelijk merken aan de gevolgen. We lopen ermee vast.
Daarom is 't nu een goed moment om te zeggen: terug naar Jezus, de 'pastor die hogepriester is, die troont in zijn genade. "Die zeer hoog woont en zeer laag nederziet" (Psalm 113 : 5,6). Of: Zoals we 't in één van de psalmen zingend bidden:
OGod van Israël, leid
ons verder,
hoor ons en wees weer onze
herder.
(Psalm 80 : 1, berijmd).