Handelingen 13 21-22a
1986-04-25
" ... en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam Benjamin, veertig jaren lang; en nadat Hij deze verworpen had, verwekte Hij hun David als koning ... " - Jaargang 30
- nummer 17
Dit is een zinsnede uit de preek, die Paulus heeft gehouden in de synagoge van Antiochië. De hoorders vonden het een prachtige preek; die wilden ze op de volgende sabbat nog wél eens horen.
Velen van hen liepen na het verlaten van de synagoge met Paulus en Barnabas mee. Er werd tijdens die wandeling nog heel wat gepraat.
We zouden ons kunnen voorstellen, dat tot slot - want zó belangrijk was het in het kader van de preek nu ook weer niet - één van de hoorders Paulus een vraag zou stellen naar aanleiding van bovenaangehaalde zinsnede. En wel deze: "Hoe hebt u kunnen zeggen dat koning Saul veertig jaar lang heeft geregeerd; bent u niet abuis?
We denken dat deze vraag wel met enig recht zou zijn gesteld.
Immers we lezen daarvan niets in het O.T.
Dr F. W. Grosheide voegt in de K.V. toe: "Wel vermeldt de geschiedschrijver Josephus het; die echter op een andere plaats van twintig jaar spreekt". Doch verder volgt geen kommentaar.
We vonden de regeringsduur van 40 jaar eveneens in de "Bijbel toegelicht voor het Nederlandse volk" (2 Sam. 6 : 3 - Ds S. G. de Graaf) waar de duur van het verblijf van de ark te Kirjath-Jearim wordt gesteld op ongeveer zeventig jaar. Aan dit totaal komen we wanneer we de gegevens in verschillende schriftplaatsen bij elkaar tellen nl.:
1 Sam. 7 : 2 20 jaar
Hand. 13 : 21 - Saul - 40 jaar
2 Sam. 5 : 5 - David te Hebron 7 jaar
idem - David te Jeruzalem 3 jaar
Ook in het boek "Het ontstaan van Israël (uitgave in de E.O.-serie "De Bijbel open") wordt in het chronologisch overzicht genoteerd: Saul ± 1050-1010 v. Chr.
En tot slot een citaat van Dr I. Velikovsky: " ... en Saul, de eerste koning van Israël, had voor David al tientallen jaren geregeerd 1). Daartegenover staat, dat er ook bronnen, die een periode van ca. 16 jaar 2) en ca. 20 jaar 3) vermelden, kunnen worden genoemd.
We kunnen nu eigenlijk de hiervoor veronderstellenderwijs gestelde vraag in een iets andere vorm zelf overnemen: Heeft Saul werkelijk veertig jaar geregeerd? Het antwoord zullen we in de Schrift moeten zoeken en we doen dit allereerst met de vertaling van het N.B.G. voor ons.
De uitkomst zullen we daarna nog op, een andere wijze kunnen toetsen.
Als eerste vinden we in 1 Sam. 9 : 2 de mededeling, dat Kis een zoon had, Saul geheten, jong en schoon, groot van postuur; hij stak een hoofd uit boven al het volk.
Ds Vonk schrijft 4): "Met jong wordt niet bedoeld, dat Saul nog maar een kind of knaap was, want hij had op dit moment al een zoon, Jonathan, die, over niet al te lange tijd een rol van belang in de strijd tegen de Filistijnen zal spelen, 1 Sam. 13, maar slechts, dat hij nog niet behoorde tot de oudsten".
In het in dit citaat genoemde hoofdstuk lezen we dat Saul, toen hij 2 jaar over Israël had geregeerd, 3000 man uit Israël koos, waarvan er 1000 man bij Jonathan te Gibea waren. Jonathan als hoofdman over duizend!
Je moet dan wel wat in je mars hebben - en dat had hij - maar tevens een niet te jeugdige leeftijd: In Num. 1: 2-3 staat hoe oud een Israëliet moest zijn wilde hij in het leger mogen uittrekken en dat was 20 jaar.
We mogen dus wel vaststellen: dat Jonathan in het 2e regeringsjaar van zijn vader ca. 25 jaar was en hieruit de konklusie trekken, dat Saul bij de aanvang van zijn regering de leeftijd van vóór in de 40 jaar had bereikt. Tellen we hierbij de regeringsduur van 40 jaar (Hand. 13 : 21), dan zou Saul, toen hij in de strijd tegen de Filistijnen de hand aan zichzelf sloeg, goed 80 jaar zijn geweest. Met de woorden van 1 Sam. 13: 1-2 en Hand. 13:21 voor ons kunnen we niet daar onderuit. Dan zou Jonathan, toen hij sneuvelde in diezelfde strijd, al ouder dan 60 jaar zijn geweest. En David met wie hij een verbond sloot omdat hij hem liefhad als zichzelf, pas 30 jaar.
Wat een leeftijdsverschil. Meer een vader-zoon verhouding, dan dat er sprake zou zijn van een verbond tussen boezemvrienden.
Denken we bovendien nog aan de mogelijke leeftijden van de dochters van Saul, die David werden toegezegd, dan kunnen we ons best gaan afvragen of de mededeling in Hand. 13 wel juist is overgekomen.
Maar - zou iemand kunnen vragen - is het niet mogelijk dat Saul pas is getrouwd tijdens zijn regering en het, beschrevene in 1 Sam. 13 in het laatste decennium van de 40 jaar heeft plaats gevonden?
Een bevestigend antwoord zou inderdaad het probleem met de leeftijden tot een oplossing kunnen brengen indien we de, vertaling van het N.B.G. even vergeten en aannemen dat Saul een goede twintiger was toen hij koning werd.
Evenwel, zo’n antwoord kan, indien we de Bijbel goed lezen, niet worden gegeven. In het boek Richteren lezen we herhaaldelijk: “Toen riepen de Israëlieten tot de Here, en de Here verwekte hun een verlosser”. Die verlossers gingen direkt aan de slag.
En zo zien we ook in 1 Sam. 9: 16: “Morgen … zal Ik een man uit het land van Benjamin tot u zenden; hem zult gij tot vorst over mijn volk Israël zalven en hij zal mijn volk verlossen uit de macht der Filistijnen.” Want Ik heb acht geslagen op mijn volk, omdat zijn hulpgeroep tot MIJ is doorgedrongen.”
“Zal God dan zijn uitverkorenen geen recht verschaffen, die dag en nacht tot Hem roepen, en laat Hij hen wachten? Ik zeg u, dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen” (Luk 18:7,8a).
De Here talmde niet met de verlossing van Zijn volk. Ook Saul moest snel aan het werk. Geen wachttijd van 30 jaar. Daarmee is een 40-jarige regeringsperiode voor Saul uitgesloten. Doch - zoals we verder zullen zien - slechts een periode van een tiental jaren.
Wat is het snel bergafwaarts gegaan met Saul. Nog maar een paar jaar koning of hij valt al in ongehoorzaamheid (1 Sam. 13) en deelt Samuel hem mede, dat zijn koningschap niet bestendig zal zijn. De Here heeft zich een man uitgezocht naar Zijn hart en die heeft Hij tot een vorst over zijn volk aangesteld. En dat, omdat Saul niet in acht had genomen hetgeen de Here hem had geboden (vers 14).
Al spoedig daarna wordt hij door de Here nog éénmaal op de proef gesteld. In de strijd tegen Amalek en koning Agag.
En wéér blijkt zijn ongehoorzaamheid.
Toen was de maat vol bij de Here en moest Samuel de volgende boodschap gaan brengen: "Omdat gij het woord des Heren verworpen hebt, heeft Hij u verworpen, zodat gij geen koning meer zult zijn (1 Sam. 15 : 23)".
Verder lezend zien we dat Samuel opdracht krijgt om naar de Bethlehemiet Isaï te gaan, want onder zijn zonen had de Here Zich een koning uitgezocht.
Het bleek de jongste zoon, David, te zijn.
Was David toen een jonge jongen of een flinke vent? In 1 Sam. 17 : 12 lezen we, dat Isaï in Saul's tijd reeds oud en hoogbejaard was. We mogen dan toch wel aannemen, dat David geen jonge jongen meer was.
Temeer niet om hetgeen we vinden in 1 Sam. 16:18.
De dienaren van Saul adviseren hem iemand te laten zoeken die op de citer kan spelen om hem te kalmeren wanneer de angst hem overviel. Eén van de knechten kent zo iemand en zegt dat hij een zoon van Isaï heeft gezien, die kan spelen. Bovendien is hij een dapper held, een krijgsman. Dan spreek je niet van een jonge jongen of een flinke vent, maar over een man van 20 jaar of daarboven (Num. 1:2-3), die heeft bewezen niet voor een kleintje vervaard te zijn.
De vertaling van de term “gibboor chail” is van Dr. Van den Born 5).
De term kan slaan op militaire capaciteiten of (misschien) op rijkdom aan bezittingen.
Wegens gebrek aan nadere gegevens werd gekozen voor “een flinke vent”, een neutrale vertaling.
Laat de Bijbel ons werkelijk in het ongewisse? Militaire capaciteiten had David zeker; dat is wel gebleken. Was hij een zoon van een welgesteld man, zodat het een probleem was voor welke vertaling moest worden gekozen?
Er is in de tijd na zijn voorvaders (Elimelech, Machlon en Obed) niet veel veranderd. In 1 Sam. 18:18 zegt David tot Saul: “Wie ben ik en wie zijn mijn verwanten, het geslacht van mijn vader…?” en in vers 23 tot de dienaren van Saul: “Ik ben immers een arm en gering man.” Voorts konden de drie oudste broers van David in het bedrijf van Isaï gemakkelijk worden gemist.
Ze gingen in het leger (1 Sam. 17:13) en spraken (vers 28) zelfs minachtend over de paar schapen, die David in de woestijn had achtergelaten. Nee, een vetpot was het niet in huize Isaï. Geen rijkdom aan bezittingen. David niet een jonge jongen of een flinke vent, doch – zoals we toch al wisten – een man naar Gods keuze, een dappere held, een krijgsman.
Zo stond hij ook tegenover Goliath, trok daarna ten strijde en was voorspoedig waarheen Saul hem ook zond. Zo zelfs, dat de vrouwen hem als een held bejubelen (1 Sam. 18:7).
David – na enkele regeringsjaren van Saul – al een twintiger en op dertigjarige leeftijd koning te Hebron. Saul is ca. 10 jaar koning geweest.
We hebben op grond van bijbelse gegevens enige getallen naast elkaar gezet en zijn - met wat rekenwerk - tot bovenstaande konklusie gekomen.
Een bevestiging daarvan biedt de vertaling van het N.B.G. niet; de oude vertaling evenmin.
Maar blijkbaar heeft er bij het overschrijven van 1 Sam.
13 : 1 een ongelukje plaats gehad.
Eigenlijk twee ongelukjes 6).
Want de oorspronkelijke tekst luidt: "Saul was ... jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde ... en twee jaar over Israël". We vonden deze vertaling wel in The Holy Bible (Revised Standard Version) met de aantekening, dat in de originele taal op de eerste stippellijn het getal ontbreekt en op de plaats van de tweede stippellijn er iets i's uitgevallen. Ons nu alleen bepalend tot het, onderwerp: zouden we te ver gaan indien we op de tweede stippellijn het getal "tien" invullen? We lezen dan: “en hij regeerde 10+2 jaar (=12 jaar) over Israël.” Het uitgevallen Hebreeuwse woord “awsawr” (= tien: alleen in combinatie, zoals 13,14,15 enz.) en het in de originele tekst nog voorkomende woord “shettahyim” (= twee) 7).
Deze twee hebreeuwse woorden voor het getal “twaalf” komen veelvuldig voor in het OT. Niet dat dit een argument zou zijn om dan ook maar tien jaar op de open plaats in te vullen. Het feit, dat Samuel al in een vroeg stadium van Sauls regering de man naar Gods keuze moest zalven en David op 30-jarige leeftijd koning werd, laten geen andere mogelijkheid toe.
We keren tot slot nog even terug naar de vraag, die mogelijkerwijs, Paulus zou zijn voorgelegd.
U weet wel, over de duur van Sauls regering.
Na hetgeen we hiervoor hebben geschreven blijkt er geen aanleiding tot een dergelijke vraagstelling om de eenvoudige re reden, dat Paulus dit niet heeft kunnen zeggen.
Hij heeft kennis kunnen nemen van -de oude boekrol, hetzij zonder, hetzij met de beschadiging, maar in beide gevallen mèt het cijfer twee als laatste van het getal dat de regeringsduur van Saul aangaf. Het getal, veertig heeft er beslist niet gestaan.
Maar wat dan met Hand. 13: 21-22?
Twee mogelijkheden:
1. Bij het overschrijven is een fout gemaakt en zouden we moeten lezen: " ... en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam Benjamin; en nadat hij deze verworpen had, verwekte Hij hun David als koning, 40 jaren lang, ... (zie 2 Sam. 5 : 4).
2. De vertaling uit het Grieks is niet juist en zou dit Schriftgedeelte als volgt kunnen hebben geluid: " ... en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam Benjamin, 40 jaar oud."
En daarmee 1 Sam. 13: 1 "Saul was 40 jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde 12 jaar over Israël".
1) De Zeevolken - blz. 52.
2) Alg. WinkIer Prins - ca. 1028-1012 v. Chr.
3) Van het Paradijs tot. Golgotha- Nelson Beecher Keyes -ca. 1020 - 1000 v. Chr
4) De Voorzei de Leer If - blz. 85
5) Zie: De Voorzeide Leer If: blz. 128 noot 65
6) a.w. – blz. 132
7) Abingdon’s Strong’s Concordance