De diaken als dienaar van het Woord (3)

1985-08-23
  • Jaargang 29
  • nummer 32
Kijk op de praktijk
In de zes, zeven jaren die ik als voorzitter van het Centraal Diaconaal Comité van onze kerken bij het diaconale werk betrokken ben, heb ik mij tot op zekere hoogte een beeld kunnen vormen van, het reilen en zeilen van onze diaconieën. Wat mij daarbij het meest opvalt, is de onduidelijkheid omtrent de concrete dienst, die diakenen uit hoofde van hun ambt in deze tijd moeten vervullen. Dat betreft zowel de inhoud van de eigen dienst, als het antwoord op de vraag, waarin die zich van andere dienst onderscheidt, te weten het ambt van de ouderlingen.

Er is onmiskenbaar het besef, dat het gaat om armenzorg en dat die zorg tot uitdrukking kan worden gebracht in geldelijke steun. Veel minder duidelijk is, wat van diakenen gevraagd mag worden, als daar een weduwe is,die de opvoeding van haar opgroeiende kinderen niet baas worden ho, een meisje dat studieproblemen heeft, een jongen die zich te pletter solliciteert, een huwelijk dat op de rotsen gaat, een failliete ondernemer, een dementerende bejaarde, een homoseksuele jongere die bezwijkt aan zijn eenzaamheid, een aan sherry verslaafde huisvrouw. Helpen daar de diakenen, of gaan de ouderlingen, of doen ze het samen en wie doet dan wat? Dát de diakenen in al dergelijke gevallen een roeping hebben, is steeds onderkend, Zo werd op initiatief van de Diaconale Conferentie van onze kerken de Stichting voor Jeugdzorg en Maatschappelijk Werk opgericht, wier professionele werkers zich inzetten om de diaconieën te ondersteunen en die proberen gezins-, huwelijks-, echtscheidings-, opvoedings-, jong-volwassen- en verslavingsproblemen tot een oplossing te brengen.
Maar ik herinner mij een gesprek met enkele jongeren, die openhartig verklaarden, dat een diaken zo ongeveer de laatste zou zijn tot wie zij zich zouden wenden, als ze in moeilijkheden kwamen: de figuur van de diaken leeft eenvoudig niet voor hen. Ik heb de indruk dat de diaken, als drager van een zelfstandig ambt ten dienste van de gemeente, niet tot ontwikkeling is gekomen.
Hij is meer hulp van de ouderlingen dan dienaar van de gemeente. Zijn ambt wordt dan ook aanzienlijk lager aangeslagen. Algemeen vindt, men het diaken zijn een nuttige voorbereiding tot het ouderlingenambt. Een opstapje, zogezegd. De diaken mag best jong zijn, veel levenservaring acht men kennelijk niet zo nodig. Een diaken van een van onze grotere kerken klaagde mij eens zijn nood, dat een goed team telkens werd ontbonden, doordat de diakenen mei de beste kwaliteiten gekandideerd werden als ouderling. Er is bij mij geen twijfel, dat de diaken in onze 'kerken wordt ondergewaardeerd. Aan bezinning op zijn ambt bestaat grote behoefte.
Daarbij wordt de voorbereiding op de dienst volledig verwaarloosd. Een goede, oriënterende handleiding is, om maar iets te noemen, niet voorhanden.

Een vrijgemaakt-gereformeerde stem
Onlangs 'verscheen een boek over de Ambten in de Apostolische Kerk van de hand van de Kamper Nnieuw-testamenticus, Prof. dr J. van Bruggen. In dit werk, dat een overwegend exegetisch karakter draagt, komt de schrijver tot enkele opmerkelijke conclusies. Ik noem enkele, die betrekking 'hebben op het diakenambt puntsgewijs:

• de aanstelling van de zeven, die ons verhaald wordt in Handelingen 6 mag niet gezien worden als instelling van het diakenambt; zij waren specifieke ambtsdragers, die 'de leiding kregen over de gehele beoefening van de gemeenschap der heiligen (73). Zij hadden een niet herhaalbare plaats in de kerkgeschiedenis (77). Er kan geen rechte lijn getrokken worden van de zeven naar een later ambt in de kerk (75). Hun werk blijft actueel voor plaatselijke ambtsdragers
(77). De Grieks sprekende weduwen moeten niet worden gezien als armen, die geholpen moeten worden, maar als helpsters in de gemeente (70).

• de ouderling heeft een naam die in het Grieks gebruikt wordt voor mensen die zich onderscheiden door hun leeftijd, gezag of ambt van leidinggeven. De één is ouderling, de ander niet. De diaken heeft echter niet zo'n ambtsaanduiding als naam. Hij heet “dienaar" en door dat woord worden mensen aan geduid die speciaal zijn aangesteld voor werk dat anderen ook doen (114). Hun werk is niet beperkt tot bijvoorbeeld de verzorging van armen. In de ruimste zin van het woord moeten zij "dienen", 'helpen" (115).

• waarom zijn nu de Gereformeerde Kerken, ook als ze het voorkomen van diaconessen in de bijbel erkennen, niet gekomen tot vrouwelijke diakenen? Omdat de diaken betrokken is geraakt bij het werk van de opziener: en de Schrift zegt duidelijk in 1 Tim. 2,12 dat het een vrouw in Christus' gemeente niet toekomt onderricht te geven of gezag te hebben over de man ( 116).

• de diaken zou pas goed tot zijn recht komen in de gemeente, wanneer 'hij uit de kerkenraadsbank naast de preekstoel werd heengezonden om verblijf te houden onder de mensen en daar samen met de diaconessen werkzaam te zijn in de vele diensten door de opzieners aan hen opgedragen terwille van het lichaam van Christus (117). Ik meen met deze citaten te kunnen volstaan. De gedachtegang van dr Van Bruggen is duidelijk: de diaken is, als het erop aankomt geen ambtsdrager, laat staan dat hij een zelfstandig ambt zou bekleden. Hij is een helper van de, ouderlingen. Armenzorg is niet zijn enige taak. Diaconessen kunnen naast deze dienaren (diakenen) functioneren.
Niet-ambtelijk, niet-zelfstandig, geen gezagsdrager, daar komt het op neer.

Een gereformeerde stem uit dedertiger jaren
Naar ik meen voor de oorlog, verscheen een boekje van de hand van dr K. Sietsma onder de titel "De Ambtsgedachte", Indien dit boekje niet meer op de verplichte litteratuurlijst van theologische studenten staat, dan is dat tot hun schalde.
De gedachten, die dr Sietsma daarin ontwikkelde, verschillen radicaal van hetgeen we zo even van dr Van Bruggen hebben gehoord. Ik geef maar weer enkele citaten:

• In het Nieuwe Testament was een zó gedetailleerde ambtsordening (als in het Oude Testament) niet meer nodig. Van een zó precieze afbakening en vooral van een zó scherp uiterlijk omschreven ambtstaak is geen sprake meer. Dat komt o.a. daarin uit, dat de kerkelijke ambten in het Nieuwe Testament (alle) aangeduid worden met de gemeenschappelijke naam van "dienaar".
Wel is de diaken het,die deze naam letterlijk behouden heeft, terwijl andere ambtsdragers meest ouderling, opziener, herder en leraar heten. Maar de gemeenschappelijke naam. is "dienaar" en de, gemeenschappelijke taak "dienen" (17).

• twee elementen stellen wij op de voorgrond in het ambt, het belast zijn met verantwoordelijkheid, initiatief, zelfstandigheid, 2e, dat het wezen van het ambt afhangt 'Vooral van de opdracht Gods, de opdracht waardoor het ambt en de ambtelijke verhouding ontstaat (22, 23).

• wij zien het karakteristieke van 'het kerkelijk ambt... in het bedienend karakter daarvan (90). Vandaar dat de juiste naam voor de predikant is: "bedienaar van het Woord Gods", voor de ouderling: "bedienaar van de regering van Christus", voor de diaken: "bedienaar van' de barmhartigheid van Christus" (92). In laatster instantie is de gemeente gehoorzaamheid verschuldigd, niet omdat de ambtsdrager het zegt, maar omdat hij het Woord van God bedient (93).

• de gedachte, dat toch in de grond de diakenen een aanhangsel vormen, en niet ten volle lid van de kerkenraad zijn...is een ernstige fout en gebrek aan ambtelijk besef. De ambten zijn wel onderscheiden, en van verschillende aard, maar daarom zijn ze nog niet onder elkaar geordend, ja juist daarom niet! Dat blijkt b.v, reeds hieruit, dat de diaken, die zijn ambt wel verstaat, de taak heeft de ouderling of de predikant te vermanen en te bestraffen, indien deze in enigerlei wijze fout gaat tegenover één der behoeftigen in de gemeente van Christus, in verband met diens sociale positie (85).

• als de diaken zich tot de, gemeente richt met vermaan tot geven, doet hij dit in zijn ambt, en spreekt Christus door hem tot de gemeente. Dit moet nog meer dóórdringen en daartoe is het nodig, dat de rangschikking van het diakenambt onder aan de lijst eindige (87).

Ook bij dr Sietsma is de gedachtegang duidelijk: de dienst van de diaken is ambtelijk, zelfstandig en met gezag.

Lichamelijkheid, identiteit en gemeenschap
U zult mij de verzuchting niet euvel duiden, dat het met de theologen niet anders gesteld is als met de economen: ze spreken elkaar tegen.Het is toch wel verdrietig, dat er in onze visie op en praktijk van zoiets vitaals en dagelijks als het diakenambt. na vier eeuwen gereformeerd theologiseren, nog zoveel onduidelijkheid is. Het heeft iets raadselachtigs. Waarom kwam het diakenambt eigenlijk nooit voluit tot ontwikkeling? Dr Sietsma wijst in zijn boek op het feit, dat voor het besef van het gemeentelid, en soms ook 'Van de ambtsdrager zelf, de diaken niet zozeer met het geestelijke van doen heeft, al ontbreekt niet het bewustzijn, dat het geven en ontvangen van de stoffelijke gaven toch wel met het geloofsleven van doen heeft (85). Ik vraag mij af, of de ontplooiing van het diakenambt niet gefrustreerd is door het verduisterend dualisme, dat de menselijke ziel als draagster van de persoonlijkheid onsterfelijkheid toedicht en dan ook niet anders kan doen, dan het creatuurlijke en lichamelijke onderdrukken. Dat ons het bevrijdende zicht ontneemt op de waarheid, dat het Woord vlees geworden is en onder ons heeft gewoond, hoorbaar, zichtbaar, tastbaar: Ik weet nu in Christus te zijn, daar waar ik woon. Het dualisme, dat ons verhindert deel te hebben aan het existentiële getuigenis van Johannes: hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben, hetgeen onze handen getast hebben van' het Woord des levens, verkondigen wij u opdat gij gemeenschap zoudt hebben met ons. Door het vlees heen handhaaft zich de gemeenschap der heiligen.
Zorg over de mens als vlees, de lichamelijke mens, die je kunt horen, zien en tasten, die woont in ziekte en gezondheid, in armoede en rijkdom, in tegenspoed en voorspoed, zorg over die mens is zorg over de gemeenschap der heiligen. Die zorg is het ambt van de diaken.
Gemeenschap oefenen hangt samen met onze identiteit. Voltrekt zich de gemeenschap door het vlees heen, in onze Iichamelijkheld is de waarborg van onze identiteit gelegen. Jezus zegt, verwijzend naar zijn vlees zijn: "Ziet mijn handen en mijn voeten, dat Ik het zelf 'ben". (Luc. 24, 39.
Vgl. K.J. Popma, Levensbeschouwing, 111, 191). Vlees-zijn betekent ook fragiel en sterfelijk zijn. Onze 'kwetsbaarheid kan omschreven worden als moe zijn. Dat strekt zich uit .van de lichte vermoeidheid na het werk tot de extreme, waaruit een mens ontslaapt.
Als economische stagnatie en crisis zich over ons ontladen in vermindering van besteedbaar inkomen, faillissement van het bedrijfje; werkloosheid, vermindering van sociale hulp, dan zullen wij onze kwetsbaarheid moeten zien als ervaring van ons vlees zijn en diakenen moeten aansporen de barmhartigheid 'van Christus aan de gemeente te bedienen met het oog op onze lichamelijke nooddruft: zo waken diakenen over de gemeenschap der heiligen.
Doet, de diaconale dienst de gemeente wonen in geborgenheid? Waarom is dit prachtige ambt teruggedrukt naar onzelfstandigheid en opgesloten op het terrein van geldelijke steun? Wie oog heeft voor de verlorenheid van de mensen in hun omgang proeft in die reductie iets van oordeel. Daar moet een eind aan komen.

Bedienaar van het Woord
Wellicht komt het ons wat vreemd voor, als gezegd wordt, dat diakenen ambtelijk het Woord van God bedienen aan de gemeente. Wij zijn er immers aan gewend, 'die dienst te reserveren voor die ouderling, die herder en leraar is en die preekt. Op zichzelf genomen, is dat ook niet onjuist: hij bestijgt de kansel, ik niet. nat behoort tot zijn ambt, niet tot het mijne. Dus moeten we onderscheiden. Voor de herder en leraar is de bediening van het Woord specifiek, het kenmerkt zijn ambt. Maar dat wil allerminst zeggen, dat het ambt van de diaken vreemd is aan de bediening van het Woord, zo min als de bediening van de christelijke barmhartigheid vreemd is aan de herder en leraar. Al ons ambtelijk werk, gaat terug op het ene, algemeen menselijke ambt van de naar Gods beeld geschapene.
Dat ene ambt zouden wij kunnen omschrijven als de bediening van Gods Woord aan de schepping. Geen enkele verbijzondering, in welke levensverhouding en in welk levensverband ook, betekent een breuk met dat aan alles (en grondslag liggende' algemeen menselijke ambt. Zo is het ook met betrekking tot het opzicht hebben, het regeerambt.
Dat is voor de ouderlingen karakteristiek, maar het betekent allerminst, dat het vreemd is aan wat diakenen doen. Of vermanen diakenen soms niet gemeenteleden, die hun geld verkeerd besteden en zo in armoede geraken?
Als een diaken een arme weduwe met haar kinderen aan een wasmachine helpt, dan bedient hij aan haar het Woord van God, want de Schrift zegt: de HERE houdt wees en weduwe staande (Ps. 146,9). Hoe bevrijdend. We komen los uit onze armetierige schema's, Een wasmachine, symbool van de consumptiemaatschappij, dood product van de lopende band, wordt teken van de opstanding van het vlees, 800 toeren per minuut. En de kinderen lopen er weer netjes bij, een voorschot op hun nieuwe kleren in 'het Jeruzalem dat komt: 'zo bedient de moeder ambtelijk Gods Woord aan hen.
Zij zal, met Christus, de schepping in eeuwigheid regeren. Geen wonder, dat in de apostolische kerk de oudere weduwen zo'n belangrijke plaats innamen, met betrekking tot de diaconale zorg: zij waren diaconessen. Zij hadden ervaren, dat alle vlees is als gras en er was geen gezagsrelatie binnen een eigen huwelijk meer, die zou kunnen botsen met haar ambtelijk optreden, in de gemeente. Wie kan zich beter ontfermen dan een vrouw die weet wat verdriet is?

Het ambt, de dienst en de tijd
Hiermee zou ik onze terreinverkenning willen afsluiten. In onze jaren stagneert de economische .groei, wankelt de verzorgingsstaat, verbrokkelt de samenleving. Wij beleven een crisis van onze cultuur. De mensen zijn niet veilig 'meer, niet als zij staan voor het graf, zelfs niet in de 'schoot van hun moeder. De geborgenheid wijkt uit het wonen. Hoogmoed stelt de mens die vlees is zekerheid in het vooruitzicht, maar buit in werkelijkheid zijn kwetsbaarheid uit. In het diakenambt gaat het om niet minder dan een heilsbelofte: "In vrede kan ik mij te ruste begeven en aanstonds inslapen, want Gij alleen, 0 HERE, doet mij veilig wonen (Ps, 4, 9). Het is van grote betekenis voor de gemeente, dat wij dat ambt formuleren, passend in de tijd, staande in onze nieuwtestamentische vrijheid en in harmonie met wat de Schrift ons aanreikt. Ik heb een poging gedaan, om mij heen kijkende, enkele aanknopingspunten aan te dragen. Kort samengevat: De diaken draagt een ambt, hij handelt als een geroepene, zelfstandig, met gezag, in verantwoordelijkheid: Dit is zijn dienst: Hij bedient Gods Woord, bestelt de barmhartigheid van Christus, , richt zich op de lichamelijke nooddruft, verheft de terneergebogene, bewaakt de gemeenschap der heiligen.
Ik neem aan, dat meerderen onder u staan naar het ambt van Dienaar des Woords. Wanneer, als de pastorie eenmaal weer achter u ligt, één !kind van God u zou zeggen: "Vriend, je was een goed diaken", dan is uw moeite niet tevergeefs geweest.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief