Een kleine gemeente...hoe moet dat? (3)

1985-08-29
  • Jaargang 29
  • nummer 33
De vorige keer gaven we aanzat om iets uit het Nieuwe Testament over de ambten te zeggen. Misschien gingen we toen al wat te haastig naar de praktijk van ons kerkelijk leven, terwijl er nog heel wat over de ambten uit het Nieuwe Testament is aan te dragen.
Maar dat gaan we nu dan doen.


Twee soorten oudsten? Het is goed om nog eens terug te keren naar de leer- en regeerouderlingen van Calvijn. Hoe kwam hij eigenlijk tot deze gedachte? Het blijkt, dat hij die gelezen heeft in 1 Timotheüs 5 : 17 en 18. Daar staat: "De oudsten, die goede leiding geven, komt dubbel eerbewijs toe, vooral hun, die zich belasten met prediking en onderricht. Immers, de Schrift zegt: Gij zult een dorsende os niet muilbanden, en: De arbeider is zijn loon waard". Heel korf gezegd zou dit kunnen betekenen (en zo ongeveer zag Calvijn dat):
* de leidinggevenden zijn de regeerouderlingen (onze ouderlingen)
* die zich belasten met prediking en onderricht zijn de leerouderlingen (onze predikanten)
* de laatsten moeten door de gemeente worden onderhouden. Hun loon is ereloon en daarom honorarium.
* beide verdienen, als ze het goed doen, dubbele eer (een onderscheiding honoris causa).

Tegen deze uitleg zijn nogal wat bezwaren aan te voeren. Heel uitvoerig gaat dr J. van Bruggen, a.w. pag. 100 - 105 in op de exegese van dit gedeelte. Naar aanleiding van wat we o.a. vonden bij hem, maken we de volgende opmerkingen:

* Niet van een kleine groep en één soort oudsten wordt bekwaamheid 'om te leren gevraagd, doch van alle oudsten zonder onderscheid. Zie hiervoor 1 Tim. 3 : 2; Titus 1: 9 en Hand. 20 : 28-31. Later geven we nog een uitvoerig overzicht van de taken van de oudsten. In het hele Nieuwe Testament wordt steeds over oudsten gesproken zonder onderscheid en nooit over twee soorten oudsten.

* Had Paulus duidelijk willen maken, dat het hem hier ging om twee aparte groepen oudsten, dan had hij eerder geschreven: oudsten, die goede leiding geven én oudsten, die prediken en onderrichten.

* De term "leiding geven" is wellicht voor ons ook wat misleidend. Het lijkt of "leiding geven" en "prediking en onderricht" twee heel verschillende dingen zijn. Doch niets is minder waar. Leiding geven is, wat .er ook letterlijk staat: voorstaan, dat is: vooraanstaan. De Statenvertaling vertaalt dit woord ook met "voorstander" (vgl. Rom. 12: 8).
De betekenis daarvan is, dat de oudste in de gemeente als gids vooraan moet staan en als die gemeente in beweging komt, dan moet de gids niet blijven staan, maar voorop lopen, een voorganger zijn. In een Duitse vertaling van Hebr. 13 : 7, waar wij "voorgangers" zien staan - en dan denken wij juist aan predikanten lezen we heel verrassend: Gedenkt uw Führere", uw gidsen, uw leiders,die het Woord Gods tot u gesproken hebben. Leidinggevers zijn in de gemeente predikers - en onderrichters. Het gaat om precies dezelfde taak. Het gaat hier om twee uitdrukkingen vooreen en dezelfde zaak.

* We hebben de neiging wat heen te lezen over de uitdrukking "zich belasten met", alsof er staat: die als taak hebben prediking en onderricht en dàt dan in tegenstelling tot wie leiding geven als taak hebben. We moeten echter in de zin: "die zich belasten met prediking en onderricht", de nadruk niet leggen op "prediking en onderricht", doch op "zich belasten!' Wie belast is met, moet een werkelijk zeer zware last torsen. Het gaat hier om de zwaarte van de taak. Paulus gebruikt hier precies hetzelfde woord als Jezus uitspreekt: Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijt.
Paulus bedoelt te zeggen: sommigen van de leidinggevers, var die predikers, van die onderrichters, steken zoveel tijd en energie in hun taak voor de gemeente, dat het zwaar zwoegen is voor hen.
Wellicht loopt bij sommigen van hen daardoor het inkomen terug en dalen ze beneden het bestaansminimum. Paulus wil dan zeggen: Gemeente, houdt zulke zwoegers in ere en dat zijn ze dubbel en dwars waard en dat kan zelfs betekenen, dat u als gemeente financieel moet bijspringen, want een dorsende os bindt men de bek toch ook niet dicht en wie werkt is toch waard dat hij eet en verdient.

Wij willen u tenslotte de samenvatting van dr J. van Bruggen niet onthouden. Hij zegt, a.w. pag. 104: Wij concluderen, dat de apostelen één soort oudsten in elke gemeente' hebben aangesteld met als taak de gemeente te weiden door woord en leer. Het feit dat sommigen daarmee intenser bezig konden zijn dan anderen en dat zij mogelijk ook met speciale, tijdeisende, opdrachten werden belast, wettigt niet het invoeren van twee ambten.
Wanneer sommigen in de dienst van de oudsten meer belast worden dan anderen, blijft het één ambt en taak. Intensiever werken leidt alleen tot intensievere eer en waar nodig ook tot materiële steun. Dit onderscheid tussen oudsten en oudsten is gradueel en bijkomstig, het is niet structureel of wezenlijk.

Wat alle oudsten mogen doen
Het is goed nog een overzicht te geven - al is niet gepoogd volledig te zijn - van wat we in het Nieuwe Testament aantreffen aan taken, die alle oudsten mogen vervullen in de gemeente:
* toezien op de kudde Hand. 20: 28
* de gemeente Gods weiden Hand. 20: 28
* waken Hand. 20: 30
* onderwijzen 1 Tim. 3 : 2
* voor de gemeen ie Gods zorgen 1 Tim. 3 : 5
* leiding geven 1 Tim. 5 : 17
* prediking 1 Tim. 5 : 17
* onderricht 1 Tim. 5 : 17
* beheren van het huis Gods Titus 1 : 7
* zich houden aan het betrouwbare woord naar de leer Titus 1 : 9
* vermanen Titus 1 : 9
* tegensprekers weerleggen Titus 1 : 9
* de kudde Gods hoeden 1 Petrus 5 : 2 * voorbeeld voor de kudde zijn 1 Petrus 5 : 3

Van mogen en moeten
Alle oudsten mogen doen wat we als taken uit de Schrift opsomden. En dat zijn er nogal wat.
Daar zijn er ook bij, die wij, ook in ons Akkoord van kerkelijk samenleven, uitsluitend hebben gereserveerd voor onze predikanten: prediking en onderricht. Zo terloops willen we nog even opmerken, dat opvallenderwijs bij de taken van de oudsten niet voorkomen dopen en bedienen van het avondmaal. Laten we echter nog even terugkeren naar prediking en onderricht. Alle oudsten mogen dit doen.
Ja, alle oudsten moeten dit zelfs. Jagen we nu onze ouderlingen de stuipen op het lijf? Moeten ze dan allemaal de preekstoel op? We maken hierbij een aantal opmerkingen:

* een oudste, die predikt, is een verkondiger van de blijde boodschap, het evangelie van onze Heer, Jezus Christus.

* elke oudste IS daartoe geroepen
* elke oudste moet daartoe bekwaam zijn
* een broeder, die die bekwaamheid niet heeft, behoort geen oudste te worden of te zijn

* dat geldt ook een broeder, die theologie heeft gestudeerd, want een theologische studie maakt niet, zondermeer bekwaam daartoe

* de verkondiging van het evangelie gebeurt niet uitsluitend op de preekstoel, doch evengoed in kleine kring, op huisbezoek in gezinnen, in de ontmoeting met jongeren en in persoonlijke pastorale gesprekken

* in àl die situaties is de oudste geroepen geen kletspraatjes te houden, doch het Woord Gods te verkondigen

* niet alle oudsten zijn gelijk, doch hoewel de Here allen tot dezelfde taak roept, geeft Hij ieder persoonlijk verschillende gaven, opdat het niet saai en kleurloos wordt in Zijn gemeente.

* het mogen voor alle oudsten geeft een Schriftuurlijke ruimte in veranderende situaties en vacante gemeenten * het moeten voor alle oudsten is een heerlijke opdracht met eveneens perspectieven in veranderende situaties en vacante gemeenten.

We zijn er nog niet
In het kader van ons onderwerp zijn er nog wat andere aspecten, die van belang Zijn. Doch daarover een volgende keer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief