Wij zwijgen niet langer
1986-05-16
Ze waren allen geteld. Op de pinksterdag. Honderd en twintig man.- Jaargang 30
- nummer 20
En de vrouwen ontbraken er niet.
En die allen begonnen te spreken. Niemand niet.
Want ze waren vol van de Heilige Geest. De Geest van Christus.
Die drééf hen. Die opende hun lippen door Zijn kracht. Zij hadden de Geest van Christus gekregen. En zagen toen deze wereld en haar geschiedenis, de mensen en hun lot als met de ogen van .Christus, als vanuit Zijn Middelaarshart. En spraken toen van Zijn kruis en opstanding, Ziin hemelvaart en Zijn toekomst. Ze spraken toen van de zaligheid.
Dat is al een wonder, nl. de harten van deze mensen leefde één naam: de naam van Jezus.
Van Christus, Die niet mislukt was aan het kruis, en Die niet mislukken zal, maar Die de gave van de Heilige Geest schenkt.
Zij zagen Hem. Toen spraken ze van Hem. Ze konden niet langer zwijgen.
Zij allen. En niet één van hen had theologie gestudeerd, en niet één van hen had zich, gespecialiseerd in een. zendingsof evangelisatie-centrum, en niet één van hen had een opleiding in rhetorica genoten. Neen, maar: allen haden zij de HeiIige Geest ontvangen.
Wat een féést! Dat 't dan gaat.
En dat 't dan lukt. En dat 't zwijgen dan door allen verbroken wordt.
Pinksterfeest, dat betekent: Wij zwijgen niet langer. En delegeren wij deze taak, dit feest ook niet aan anderen. De kerk kan dit niet van mij overnemen. En de dominee ook niet. Maar wij treden zelf naar voren. Wie de Heilige Geest ontvangen heeft, die spreekt.
Welk een feest. Geen élite in de kerk. Want geen stomme kerkleden, geen achteruitgezette kerkmensen, geen tweederangschristenen, wie niet mee spreekt, wie niet mee doet, die viert geen pinksterfeest.
Er hoeven geen dode leden van de kerk te zijn. Dode leden van de kerk? Dat is sinds de pinksterdag iets abnormaals. Iets onbehoorlijks. En goede bijlopers en gewillige meelopers en zoetsappige ja-knikkers ... dat is abnormaal. Dat mag niet. Dat kan niet in Christus' kerk. Christus’ Geest daalde op hen neer. En terstond begonnen zij allen te spreken. En tegenwoordig? Waar beginnen, ja waar eindigen talloze "christenen" tegenwoordig mee? Met alles, behalve met te spreken. Met piekeren, met studeren, met bezinning, met bekommerdheid, met het scheppen van problemen, met worstelen, met spanning, met het niet meer te weten, met bezig te zijn met zichzelf, en overhoop liggen met zichzelf, met problemen, die vooral niet mogen worden opgelost.
Doch op de pinksterdag, toen raakten ze niet over zichzelf aan het tobben, toen zeiden ze niet, dat ze graag christenen wilden worden, en vooral niet verder durfden te komen, toen gingen ze zich niet primair toeleggen op verdieping van het geestelijk leven, neen; neen, maar: ze traden op, ze spraken, ze getuigden: Deze Jezus!!
Ze stonden klaar, ze vielen aan!
Ze richtten zich vanuit het heilig isolement der begenadiging met de Geest tot de wereld, verstoorden haar rust, deden de omstanders. niet minder versteld staan, riepen hen op tot bekering en geloof, tot doop en avondmaal, tot verheerlijking van Christus en van Christus alleen. En ze vervulden Christus' opdracht: Gij zult en moet Mijn getuigen zijn. Ziet, Ik zend U de wereld in!
Er heerst hier geen zweem van onzekerheid, van angst, van vertwijfeling. Waar de Pinkstergeest werkt, daar zalft Hij ons met de zekerheid des heils, met de vastheid des geloofs, met de zaligheid der gemeenschap aan Christus. Ook al, omdat men daar niet met zichzelf bezig is, doch optreedt naar buiten. Daar stuwt de Heilige Geest ons heen. Want, zoals Christus voorzegde, "Die, gekomen zijnde, zal de wereId overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel". Waar gekomen?
Bij de discipelen, de gelovigen, de kerk. Waarvoor bij hen gekomen? Voor het "gesprek" met de wereld? Voor het "gesprek met elkander"? Neen, voor de getuigenis, en dat in de wereld! Zijn Geest komt in de Zijnen, om de wereld te werven, te winnen, te redden. Om haar toe te roepen: "Wordt behouden!".
Voortaan gaan degenen, die met de Geest van Christus gezalfd zijn, zondags naar de kerk, omdat ze zes dagen van de week de wereld in moeten. En dan zeker willen zijn van hun allerheiligst geloof. En het Pinksterevangelie waarschuwt ons: Wees niet zo met uzelf en met uw kerk bezig, dat ge er de wereld om vergeet. Geef niet al uw tijd en al uw kracht, om 't wapentuig der christenheid zo perfect te maken, dat ge geen tijd en geen krachten meer zoudt over hebben om ermee de wereld in te gaan.
Zorg er voor, dat de wereld weet heeft van u. Dat ze niet van u afkomt. Val haar lastig, vraag haar aandacht, en wees haar een slagvoor, Laat u niet in de defensie dringen; maar wees verzekerd van de hulp van de Heilige Geest, Die u leidt tot het spreken naar buiten, tot de goede belijdenis. En roep 't uit aan alle stranden.
Hoe konden de discipelen dat zo plotseling? Gisteren en een maand te voren nog allen op de vlucht geslagen, en, als ze wat zeiden, zeiden ze wat verkeerds, loochenden zelfs hun Heiland.
Dat is nu juist het mysterie van het Pinkstergebeuren. Ons pinksterfeest! Niet, dat zij perfecte mensen waren geworden, hyperbekwaam, slagvaardig, en meester op alle wapenen en in alle situaties. Maar wel, omdat Christus' kracht in hun zwakheid niet minder tot vervulling, tot volheid kwam. Want: deze Jezus werkt voortaan mee! Toen. En nu!!
Totdat Hij wederkomt!
Alle dag feest van het verbroken zwijgen. Van 't: 'k Heb geloofd, en dáárom spreek; ik.
S.U. Zuidema (Overgenomen uit Nieuwe Haagsche Courant van 27-5-1953.