Eens of steeds opnieuw?
1986-05-16
- Jaargang 30
- nummer 20
Zoals de belichaamde ziel in dit lichaam geleidelijk van kinderjaren overgaat naar jeugd en ouderdom, zo gaat ze bij de dood naar een ander lichaam over. Een zelfverwerkelijkte ziel raakt door zo'n verandering niet uit haar evenwicht.
Bhagavad Gita II, 13
Wie zich niet van streek laat brengen door het drievoudig leed, wie in gelukkige omstandigheden niet opgetogen is en wie vrij is van gebondenheid, vrees en woede, wordt een wijze van standvastige geest genoemd.
Wie zonder bindingen is, wie zich niet verheugt wanneer hem iets goeds overkomt, noch treurt wanneer er iets kwaads geschiedt, is hecht verankerd in volmaakte kennis. Wie - zoals een schildpad zijn ledematen intrekt onder zijn schild - in staat is zijn zinnen af te wenden van wat ze prikkelt, wordt geacht zich waarlijk in staat van kennis te bevinden.
Bhagavad Gita II, 56-58
Fragmenten
De vorige keer hebben We aandacht gevraagd voor het cyclische karakter van het Oosterse denken over de geschiedenis van mensheid en van enkele mens; Ook is het begrip 'Karma' gevallen, de opvatting dat er van ieders leven - en van ieders levens ,- een soort 'score' wordt bijgehouden. Beide aspekten hebben rechtstreeks met ons thema van Reïncarnatie te maken.
Toch is dit natuurlijk nog maar uiterst weinig. Zo complex en zo verwarrend zijn deze religies voor ons Westerlingen/Christenen, dat we vooraf moeten zeggen dat ook de nadere toelichting in dit artikel nauwelijks "het oppervlak afkrabt" van die enorme denk- en ervaarsystemen die het Hindoeïsme of Boeddhisme vormen. We hebben het hier slechts over fragmenten.
Dat iedere lezer dat tevoren bedenke! "A little learning is a dangerous thing".
Brahman, het Absolute
Het besef dat je met iets ongehoord "reusachtigs" bezig bent is het sterkst, wanneer je het als buitenstaander gaat hebben over de Hindoe-godsopvatting. Hoe gevaarlijk zo'n opmerking ook kan zijn, ik meen dat in de visie van 'god' zoals de Hindoes die hebben zo'n àndere godsopvatting tot ons komt dat die nagenoeg totaal onverbindbaar is met wat de Here ons in Zijn Woord aangaande Zichzelf heeft geopenbaard: Mag ik een ogenblik die Openbaring tot een aantal (filosofisch of tenminste levensbeschouwelijk aandoende) stellingen verwerken, dan kunnen we zeggen dat God - onze God een Persoon is; Hij kan zijn oor tot ons gebed neigen, Hij kan zijn oog gericht houden op ons kleine leven, Hij wil gebeden zijn, Hij kan antwoorden. Ga maar door. Hij is de Schepper, Hij staat aan het begin van deze aarde/dit heelal. Hij is van vóór dit heelal; Hij is de Eeuwige, de Almachtige.
Alleen al op een paar van die elementaire punten weerspreekt de Hindoe-visie op Brahman, de Eeuwige, de Absolute, nagenoeg àlles wat hier is gezegd. Inderdaad, Brahman is eeuwig en almachtig. Niettemin, Brahman is persoonlijk èn onpersoonlijk en hij staat niet op dezelfde wijze tegenover (en buiten) zijn eigen schepping. In het Hindoeïsme is er geen moment waarop het heelal- het Al- niet bestond.
Het Al is niet gemaakt door een Schepper-god, het Al is God!
Brahman is het totaal van al het zijnde. Hij omvat, hij is, al wat is. En omgekeerd, al wat is maakt deel uit van hem. De mensen, maar ook de dieren,de bomen en planten, de dingen.
Er is uiteindelijk niets dat niet tot Brahman hoort.
Konsekwentles Een paar konsekwenties moeten - kort - worden genoemd.
In de eerste plaats, als alles wat is tot Brahman behoort, dan neemt de mens binnen het geheel van de (niet-geschapen) werkelijkheid géén unieke positie in .. Hij en zij kan niet zo maar zonder meer tot "Beelddrager Gods"; tot 'kroon op de schepping' worden verklaard.
Ik meen dat dat uiteindelijk ook de konsekwentie is die Hindoes trekken. De mens is niet uniek ten opzichte van de hem (of haar) omgevende natuur.
Meer nog, de mens moet zoveel als maar mogelijk is één worden met die hem en haar omgevende werkelijkheid.
2. Als 'god' persoonlijk èn onpersoonlijk is, dan kan hij niet alleen maar in persoonlijke relatie tot ons treden, of wel soms? Je ziet hier een van de redenen waarom er in het Hindoeïsme zoveel "heilswegen" zijn. Elke weg voert in principe tot hetzelfde doel. De aanhangers van Krisjna, die geloven dat de godheid Visjnoe zich heeft geopenbaard in de gestalte van hun blauw huidige Krisjna, menen hem te kunnen áanbidden. Hun weg, "Bhakti Marga", geeft aanleiding te geloven in aanbidding en lofprijzing als een manier om de Absolute te vinden. Ze vinden hun inspiratie met name in de Bhagavad Gita, het jongste van de heilige Hindoe-geschriften. Anderen die in de oudere Oepanishads hun geestelijke wortels vinden, twijfelen sterk aan de mogelijkheid van persoonlijk contact. Voor hen moet de mens zijn ego, zijn persoonlijkheid, eerst kwijtraken voordat de godheid kan worden ervaren.
Yoga en meditatie leiden tot een verlies aan individualiteit, waardoor de grenzen tussen de als "ik" ervaren persoonlijkheid en de omringende werkelijkheid vervagen moeten. Voor Hindoes is - ik zeg dit met enige aarzeling - de menselijke persoonlijkheid zoals wij die kennen, waar wij van uitgaan, zeker niet het een en het al! Het is veelal iets om kwijt te raken.
3: In de ene 'god' zijn alle tegenstellingen overstegen. Licht en donker, dag en nacht, mannelijk en vrouwelijk, leven en dood, goed en kwaad, zouden dat geen typisch mènselijke tegenstellingen zijn? Wie 'god' leert kennen zoals hij/het echt is zal merken hoezeer achter die tegenstellingen vooral de éénheid ligt. Wie dat inziet is al ver gevorderd op de weg.
4. Om liet Uiteindelijke te bereiken (u ziet, ik gebruik nu een onzijdig lidwoord) moet de mens op weg gaan. Hij of zij moet zichzelf kwijtraken, opgaan in de godheid. Maar dat kost tijd. Wie van ons raakt zichzelf kwijt? Zelfs als we al afzien van persoonlijk bezit, carrière, roem en eer - en wie doet dat al? - hebben we het moeilijk met een zeer diepe ikgerichtheid.
Wie kijkt, ook na vele lessen in nederigheid, bij het zien van een groepsfoto eerst naar de anderen, hoe die erop staan, voordat je kijkt hoe je er zelf opstaat? (Voorbeeld van mij, overigens.) Nee, wil de mens werkelijk de barrière tussen het eigen ik en de rest van de kosmos "opblazen", wil die mens echt in de godheid opgaan, dan is .dat een opgave die voor één leven veel te zwaar is. Daar zijn vele levens, tàlloze levens, voor nodig.
Daarbij speelt het al genoemd Karma een rol. De weg naar moksha, naar mukti, is lang en voert door vele levens. En dan zijn we gekomen bij Reïncarnatie.
In de praktijk
Een paar verbanden tussen die opvatting en de levenspraktijk moeten worden gelegd.
a. Het verbranden van mensen heeft - behalve hygiënische motieven - ook de gedachte in zich dat lichaam en ziel zo spoedig mogelijk van elkaar gescheiden moeten worden.
De ziel - laat ik dat woord hier toch maar gebruiken.
ondanks de misverstanden die dat kan oproepen - moet via verdere loutering een volgende belichaming zoeken.
b. De weduwenverbranding die door de Britse koloniale heersers rond 1830 is afgeschaft, heeft vermoedelijk dit ook als gegeven. Als de man sterft, kan de weduwe die laatste reis meemaken, als men haar op de brandstapel van haar man werpt. Zo komen ze- min of meer gelijktijdig - in een volgend bestaan aan. Is dat wreed?
c. Voor mensen in de laagste kaste kun je niets doen. Ze moeten al wat in vorige levens aan noodzaak tot boete is opgeroepen zelf uitboeten. Dieren, vooral heilige dieren zoals runderen, moet je echter niet kwellen en zeker niet slachten. Zowel runderen als ook schadelijke dieren die de oogst aantasten worden met een zeker "respect" behandeld. (Misschien is op die stelling hier en daar nog wel wat af te dingen.) Ze staan niet per sé zo ver onder de mens. Vele Hindoes en Boeddhisten zullen geen vlees eten. Zelfs heb ik me laten vertellen dat er boeddhisten zijn die, door honger gedwongen, wel eens hun dieren moesten slachten en dat pas deden na hen uitvoerig en onder tranen om vergeving hiervoor te smeken.
En de mest van yaks, treken lastdieren uit de Himalaya, wordt door sommige puristen niet als brandstof gebruikt, omdat je dan, de maden die erin huizen zou doden ... 1)
d. Er is een zekere gelatenheid die zich manifesteert bij het sterven van mensen of bij het verbranden van hun lichaam.
Dit is immers slechts een van de véle levens die een mens heeft.
e. Er is weinig interesse in vorige incarnaties - anders dan in het Westen. Wie ik als Indiër in een vórig leven was is niet zo interessant; het gaat erom hoe ik in dit - en: in de vele vólgende levens - verder kom.
op weg naar het uiteindelijke doel. het opgaan in de godheid en het verliezen van al wat mij tot "mij" maakte.
Slechts bij sommige kinderen (zoals al gezegd, op een vroeg moment in hun leven) en bij zeer ver gekomen zielen openbaart zich soms spontaan kennis van vorige levens. In de praktijk overigens nagenoeg altijd van het laatste leven dat je geleid hebt. Van dat eerste vond u vorige keer een voorbeeld, het verhaal van Shanti Devi. Van het tweede, weer een klein kind maar tevens een incarnatie van een belangrijke geestelijke leidsman vindt u deze keer een voorbeeld: Maoeng Toen Kyaing. 2)
1) Lama Anagavika Govinda.: De Weg der Witte Wolken. pag.
2) Idem.
Hij was de zoon van heel erg arme, ongeletterde matvlechters. Toen hij vier jaar oud was, nam zijn vader hem en zijn jongere broertje mee naar een markt in een naburig dorp. Onderweg ontmoetten zij een man met een bundel suikerriet, die hij op de markt wilde verkopen. Hij merkte de verlangende gezichten van de beide jongetjes op en realiseerde zich, dat de vader te arm was om iets te kunnen kopen, dus gaf hij beide kinderen een stukje suikerriet. Maar terwijl de kleinste gretig het stukje in zijn mond stopte, vermaande Maoeng Toen Kyaing hem, niet eerder te eten voordat hij in de vorm van een zegen ('Soekhi hotoe' - Dat hij gelukkig moge zijn! is de toepasselijke Pali-regel, door de monniken toegepast) zijn dankbaarheid had uitgesproken. Toen hij zijn broertje zo aansprak, leek het hem, alsof de poorten van zijn herinnering zich plotseling voor hem openden. En hij verzocht zijn vader, hem op de schouders te ne- .
men, omdat 'hij tot de mensen wilde preken over de deugd van het geven. '. Goedgemutst zette de vader hem op de schouders, in de mening dat het slechts de gril van een kind was. Maar tot verbazing van hemzelf en alle omstanders begon het kleine jochie aan een prachtige preek over de zegeningen van het geven, zoals zelfs een religieuze leraar het hem niet zou hebben kunnen verbeteren. De mensen op straat begonnen zich om de kleine prediker te verdringen en de vader was verbijsterd over de plotselinge verandering die zich in zijn kleine jongen had voltrokken. Deze liet zich echter niet uit het veld slaan en zei, nadat hij zijn eerste preek had beëindigd: "Kom vader, laten we naar Khyaoeng gaan.""Wat bedoel je met Khyaoeng?" "Het klooster daar. Kent u het niet?"
"Ik kan me niet herinneren dat je daar ooit bent geweest", antwoordde de vader, "maar we zullen er desondanks eens een kijkje gaan- nemen."
Toen zij bij bet klooster aankwamen ontmoetten zij een oudere monnik, die in feite de abt van het klooster was. Maar Maoeng Toen Kyaing scheen te zeer in gedachten verzonken te zijn en staarde hem alleen maar aan, zonder de gebruikelijke beleefdheidsvormen in acht te nemen, zodat zijn vader op hem mopperde en zei: "Moet je de eerwaarde Thera geen eerbied betuigen?" Waarop de jongen de monnik begroette als een gelijke - in plaats van voor hem te buigen; zoals dat gebruikelijk was.
"Weet je wie ik ben?" vroeg de abt.
-“Zeker weet ik dat!" zei de jongen zonder de minste aarzeling. En toen de Thera hem verbaasd aankeek, noemde de jongen de naam van de Thera.
"Hoe ken je mijn naam? Heeft iemand je die verteld?"
-"Nee", zei de jongen. "Herinnert 'u zich mij niet? Ik was uw leraar, Oe Pandeissa."
De abt was haast met stomheid geslagen, maar om hem op de proef te stellen vroeg hij de jongen: "Als dat zo is, kun je mij ook wel vertellen hoe ik heette, voordat ik mijn intrede in de orde deed? Als je het weet, mag je het mij in het oor fluisteren."
De jongen gehoorzaamde. Toen de Thera zijn naam hoorde, die niemand behalve degenen met wie hij oud geworden was en hem intiem kenden bekend was, wierp hij zich aan de voeten van de knaap, raakte met zijn voorhoofd de grond aan en riep met tranen in de ogen uit: "Nu weet ik het, u bent inderdaad mijn leraar!"
En samen met zijn vader en zijn jongere broertje nam hij hem mee het klooster in, waar Maoeng Toen Kyaing de kamer aanwees, die hij in de westelijke vleugel van het gebouw had bewoond, de kamer waarin hij placht te mediteren, het bepaalde beeld waarvoor hij kaarsen en wierook placht te branden en vele andere bijzonderheden die de oude Thera zich wist te herinneren. Tenslotte was het nog niet zoveel jaar geleden dat Oe Pandeissa de abt van Yoenkhyaoeng, zoals het klooster heette, was geweest.
Het veelzeggendst was echter dat Maoeng Toen Kyaing zich niet alleen de oppervlakkige bijzonderheden van zijn vorige leven wist te herinneren, maar dat hij zelfs ook zijn vroegere kennis had weten te bewaren.
Toen de Thera hem enige oude Pali-teksten liet zien, bewees de jongen dat hij ze kon lezen en in staat was ze te begrijpen, ofschoon hij geen enkel onderwijs had genoten en in een huis werd grootgebracht, waarin -niemand lezen of schrijven kon - laat staan het Pali beheerste, Als er al twijfel aan zijn prenatale herinnering had bestaan, dan was hier een duidelijk bewijs.
Toen de vader en de twee kinderen op het punt stonden, naar hun dorp terug te gaan, dat op dezelfde oever van de Irrawaddy was gelegen als - het klooster (als ik het mij goed herinner) stelde de abt voor, dat zij één van de boten zouden nemen, die eigendom van Yoenkhyaoeng waren.
Zij liepen naar de rivier en daar zij uit meerdere boten konden kiezen, vroeg de abt aan Maoeng Toen Kyaing, welke boot hij wilde gebruiken.
En zonder enige aarzeling wees de jongen er een aan, die volgens hem van hemzelf was geweest ...
Daarom zei de abt: "U zegt, dat dit uw boot is, maar weet u ook de naam ervan?"
Onmiddellijk noemde de jongen de naam van de boot. Na al deze bewijzen twijfelde niemand er meer aan, dat Maoeng Toen Kyaing de reïncarnatie was van Oe Pandeissa, de vroegere ambt van Yoenkhyaoeng en wilde iedereen hem horen preken.