Reformatie van onze kerkzang

1986-05-23
  • Jaargang 30
  • nummer 21
In maart van dit jaar promoveerde te Groningen tot doctor in de godgeleerdheid, toegespitst op de hymnologie, ds B. Smilde van Hardegarijp. Bij ons weten is hij de tweede predikant in ons land; die een diepgaande studie van de kerkzang maakte en die daarmee, land en kerk diende. We willen daar graag iets over vertellen. Het onderwerp is namelijk niet alleen voor theologen en kerkelijke zangleiders - maar voor kerkgangers in het algemeen en voor u in het bijzonder. Omdat de lofzangen Israëls u dierbaar zijn, is het zo niet?

Het thema van ds Smilde was: het levenswerk van ds H. Hasper ten aanzien van hef kerklied.
U vraagt: wie was ook weer ds Hasper? En wat deed hij voor onze kerkzang?

Ds Hendrik Hasper (1886-1974) was een gereformeerd predikant.
En wel een. die de betekenis van de kerkzang - waarboven de Heere troont, zegt psalm 22 - terdege inzag. Hij begreep dat onze gemeenten, niet om populair-wetenschappelijke theologische colleges verlegen zaten - maar dat ze zelf op mondige wijze haar God en. Heer mogen toezingen; zelf de wekelijkse ontmoeting van Bruidegom en bruid wensen te vieren.

Daarom zong ds Hasper graag en bracht anderen aan het zingen.
Thuis, met groepen, met de kerk, ook met andere christengroepen.
Bezeten van oecumenische idealen trachtte hij verschillend-denkende christengroepen zingend aan elkaar te smeden. Hij verzamelde steeds meer kerkliederen, in binnen- en buitenland, zocht naar de achtergronden ervan, de Schriftuurlijke bodem, de muzikale vorm, de aantrekkelijkheid en de zingbaarheid.
Onlangs publiceerde dit blad *) het resultaat van een aantal tijdmetingen, in de jaren dertig genomen: de predikant nam gemiddeld 6 x zoveel tijd voor woordverkondigingen gebed als de gemeente voor haar viering kreeg toegewezen. Ook Hasper zag deze dwaasheid in.

En de kerkzang, wat hield die helemaal in? Onder ons waren dat de bundel psalmen uit 1773 en de kleine groep Eenige Gezangen, als in de kerken orde omschreven. (Waar een kerkenorde al niet over wil heersen.) Maar van die psalmbundel werd ruim tweederde ongebruikt gelaten en het vrije kerklied was tot een onaanvaardbaar minimum beperkt; onaanvaardbaar voor wie Beza's Heilige Gezangen kende, na Calvijn's dood uitgegeven. Bovendien werden de psalmen, zoals de oudere generaties zich zeer wel herinneren, in lijzige, lange, gelijke, accentloze eenheidsnoten gezongen; een verschijnsel dat men nergens elders vindt en dat met muziek bepaald niets te maken heeft. In de muziek immers geldt het adagium, dat ritme het begin, de basis en het einde van alles betekent. Maar de lange eenheidsnoot was een treurig compromis van Datheen's gebrekkige berijming, die aan alle kanten tegen de oorspronkelijke psalmwijzen had gebotst.

Onze kerken waren in dezen dan ook allerminst in de lijn van Calvijn. Die had de kerken der reformatie iets unieks meegegeven: mondige kerkzang van de hele gemeente. Gods Woord uit het Hebreeuws zo zuiver mogelijk vertaald, door dichters berijmd, door toonkunstenaars op muziek gezet, Melodieën, die alle elementen van goede muziek bevatten. Maar dat onze vaderlandse kerken wel de door Marnix uit het Hebreeuws vertaalde psalmen aanvaardden - doch Datheeri's (uit het Frans vertaalde) gebrekkige en niet, passende berijming bleven zingen, was onze hymnologische armoede; culturele armoede als u wilt: Bang om te ver te gaan gingen onze kerken niet ver genoeg. Onze talenten werden begraven, uit vrees voor onze "strenge Heer".

Aan deze toestand heeft ds H. Hasper een moeizaam bevochten eind gemaakt. Al in 1934 publiceerde hij een studie "Het rhythme in de zang der gemeente", waaraan 300 melodieën werden toegevoegd, Tevens begon hij in 1934 met zijn eerste uitgave van gezangen en geestelijke liederen, 460 nummers.
Tussen, 1935 en 1937 kwam de eerste uitgave van zijn Geestelijke Liederen uit de schat der kerk aller eeuwen beschikbaar.
En in 1936 verscheen zijn "Boek der Psalmen; de psalmen van Israël, op de oorspronkelijke melodieën van de 16e eeuw, naar het Hebreeuws bewerkt en voorzien van aanteekeningen"

Voor het eerst sedert Marnix waren de oorspronkelijke psalmen zingend berijmd en berijmend gezongen. De tekst paste op de wijs, de prosodie was correct. De verouderde en vaak lachwekkende, althans onbegrepen, teksten uit 1773 waren vervangen door kerktaal. De melodieën breken muzikale kunstwerkjes te zijn,' waarschijnlijk de enige kunstproducten die de Reformatie ooit voortbracht **). Kortom Hasper's berijming betekende een omwenteling in onze kerkzang; alleen al omdat organisten, zangleiders en kerkzangers de schoonheid van de psalmen gingen beleven. En daarbuiten: de minister van OK&W gaf een subsidie en sprak zijn waardering uit; de Roomse kerk bleek, voorliet eerst sedert de Reformatie, geen bezwaar meer tegen deze psalmen te hebben; de AVRO gebruikte het boekje bij haar morgenwijdingen. en in Nederl. Oostindië werden Hasper's psalmen dankbaar gezongen, in het Maleis.

In de Gereformeerde Kerken werd in 1938 een Stichting Psalmzang opgericht. Deze stichting organiseerde zangavonden, gaf leidingen materiaal aan organisten, hield conferenties en betrok onze kerkleden bij de reformatie van onze kerkzang. Binnen de Ned.
Hervormde Kerk werd eveneens een Comité Kerkzang (Coolsma) gevormd, dat met de Stichting parallel werkte. Maar officieel heeft de Ned. Herv. Kerk het werk van ds Hasper smadelijk voorbijgezien: toen zij in 1938 haar nieuwe zangbundel uitgaf, waarin de oude psalmen van 1773 waren herdrukt.

Wie in deze jaren (1936-1958) actief mocht zijn in de reformatie van onze kerkzang, werd dikwijls geconfronteerd met zeer wereldse hogere kerkpolitiek.
Hasper heeft daar levenslang aan geleden.

In de hervormde kerk werd Hasper niet gepruimd, daar hij - oorspronkelijk gereformeerd, in 1926 zich bij het Hersteld Verband voegende - zeer tegen zijn zin in 1946 als emeritus in de N.H. Kerk belandde. Zijn kritiek op de hervormde bundel van 1938, ofschoon anoniem geuit, had hem daar ook al geen vrienden bezorgd. Op allerlei manieren heeft de NHK zich van Hasper afgemaakt.

Maar ook de Gereformeerde Kerken hadden grote bezwaren tegen Hasper. Deze had immers - zonder bij de kerkscheuring van 1926 persoonlijk betrokken te zijn - onze kerken de rug toegekeerd?
Hoewel de GK in 1949 officieel Hasper's herziene bundel in gebruik hebben genomen, is het net als met Marnix gegaan: na dit besluit werd de zaak terzijde gelegd. Hasper sprak de GK aan wegens contractbreuk!

En wat dachten de vrijgemaakte kerken van Hasper?

Die hebben zich van de aanvang - dat is van de GS van Amersfoort-1947 af - vrijpositief opgesteld. Ze zagen de grote bezwaren van 1773 en erkenden de verdiensten van Hasper, Ze namen Hasper's werk zelfs als uigangspunt voor haar eerste psalm-deputaatschap. Maar al in dat eerste deputaatschap kwam ernstige kritiek op de schriftuurlijkheid en het taalgebruik van Hasper los; naast veel waardering. Onze deputaten wensten Hasper niet los te laten, maar aanvaardbaar te maken dan wel een bloemlezing uit zijn werk voor te dragen.
Maar Hasper wenste in dat stadium geen compromis en verbood een bloemlezing. Pas bij de laatste zitting die schrijver dezes als psalmdeputaat meemaakte was Hasper zo murw geraakt door zijn gevorderde leeftijd en ondervonden tegenstand, dat hij in een bloemlezing bewilligde. De Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt) hebben dan ook in haar proefbundel een 58-tal psalmen van Hasper opgenomen. Naast de Unie van Baptisten-Gemeenten en de Indonesische kerken houdt hiermee Hasper op; afgedacht van zijn Geestelijke Liederen. die tot over de 2000 zijn gegroeid.

De Ned. Gereformeerde Kerken gingen intussen de interkerkelijke berijming van 1973 gebruiken, die in het Liedboek voor de Kerken is opgenomen.
Zij mogen daar wel bij varen, bedenkende dat ze in geval van nood "kerkrechtelijk" altijd kunnen terugvallen op de staatsberijming-I773 of op die van Marnix (1580) of Datheen (1566). Ook bedenkende dat zij in dezen geen onnodig isolement verkozen, maar samen met de meeste andere kerken en denominaties in dezelfde zang de Heer der Kerken aanlopen.
Ds Hasper heeft dus geen enkel lied geleverd, dat in onze kerken wordt gezongen, Echter is heel de reformatie van onze kerkzang, van lange lijzen tot fraaie wijzen, van statenberijming tot modern Nederlands, van braafheidsgebeuzel tot de psalmen Davids, niet mogelijk geweest zonder het levenswerk van Hasper. Hij heeft, in navolging van Calvijn, ons volk geleerd Gods eigen woord in de mond te nemen, de berijmde Schrift te zingen in psalm en lied. En dat ook wij langzamerhand open staan voor het "vrije kerklied" is mede gekomen door Hasper's duizenden geestelijke liederen.
Dr Smilde heeft monnikenwerk verricht, door alle details van die halve eeuw op te sporen en uit te stallen. Van meeslepend proza tot dorre statistiek, van pikante correspondentie. tot warme poëzie, staan de 400 pagina's vol. Hij heeft een handboek voor hymnologie opgesteld voor een land, dat nauwelijks begreep wat dit woord inhoudt.
Zonder zijn objectiviteit te verliezen geeft Smilde in zijn proefschrift een posthuum eerbewijs, dat ds H. Hasper alleszins toekomt.

*) Dr J. Meulink in Opbouw 28-3-'86.
**) Aldus dr Jop Pollmann, Ons Eigen Lied.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief