'Clair' en 'obscur' in onze verhouding tot God (5, slot)

1985-09-06
  • Jaargang 29
  • nummer 34
Wij zouden tenslotte weer terecht komen in het Nieuwe Testament om daarin stil te staan bij een woord van Jezus in Mattheüs 11 en van Paulus in Romeinen 9. We hebben zodoende onze verkenningstocht door de Schriften wel wat schots en scheef ondernomen, maar dat zorgde tegelijk voor wat afwisseling in het 'landschap'. Het ging er immers ook niet om een ontwikkelingslijn te laten zien, die heel vaagjes in het Oude Testament-begint en allengs aan duidelijkheid wint. Veeleer frappeerde ons iets kenmerkends door heel de Schrift heen en overal even duidelijk.

In Mattheüs 11 : 25-30 zegt de Here Jezus achter elkaar drie dingen: 1) "Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderkeus geopenbaard. Ja, Vader, want zó is het een welgevallen geweest voor U," 2) "Alle dingen zijn mij overgegeven door mijn Vader en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren," en 3) "Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op en leert van Mij, want óók ben zachtmoedig en nederig van 'hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen, want mijn juk is zacht en mijn last is licht".

Wanneer we nu proberen tussen deze drie geweldige woorden van onze Heiland te onderscheiden, dan moeten we zeggen dat de eerste en de derde ons meer toegankelijk zijn dan de tweede. Bij de derde is dat zonder meer duidelijk omdat het een uitnodiging bevat, waardoor elke vermoeide en belaste zich mag aangesproken weten – en wie is dat eigenlijk niet? Het eerste woord bevat het onderscheid tussen de ‘wijzen en verstandigen’ enerzijds en de ‘kinderkens’ aan de andere kant en ook hiervan kunnen we zeggen dat de Schrift met deze aanduidingen geen abracadabra spreekt. Het is volstrekt duidelijk wie Jezus met de ‘kinderkens’ bedoelt. Hij zegt zelfs ergens (Mattheüs 18:3): “Voorwaar, Ik zeg u, wanneer gij u niet bekeert en wordt als kinderen, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan.” Je kunt er dus alles aan doen om naar de maatstaven aan het Koninkrijk ‘kind’ te worden. En toch zou het niet goed zijn wanneer wij nu met behulp van de zeer duidelijke eerste en derde uitspraak de tweede om zo te zeggen zouden overspoelen. Dit verband is zeer majesteitelijk van aard, Het laat ons van op een afstand de zeer grote intimiteit zien die er tussen de Vader en de Zoon bestaat. Daar blijft het echter niet bij. Deze intimiteit wordt ook naar 'de mensen toe opengesteld.
Maar op wat voor een volstrekt verheven wijze gebeurt dat! "Niemand kent de Zoon dan de Vader en niemand kent de Vader dan de Zoon, en wie de Zoon het wil openbaren." Vooral dat 'wil openbaren' spreidt hier een absoluut gezag ten toon. Ongepast is het immers 'hierbij het schijnbaar zo logische kommentaar te plaatsen: 'en wie het de Zoon wil openbaren'? Dat zijn natuurlijk de 'kinderkens' uit het vorige vers, en de 'vermoeiden en belasten' uit het volgende. Niet, dat dat nergens op zou slaan, maar wij hebben dan dit woord binnen onze overzichtelijkheid getrokken. Die wil van de Zoon is dan voor ons controleerbaar geworden. En dat is nu juist niet de bedoeling.

Ach, wij weten toch hoe wij kerkmensen zulke woorden als 'kinderkens' en 'eenvoudigen', en 'klein kuddeke' enz. rancuneus naar ons toe kunnen graaien? Hoe wij er onze kneuterigheid schriftuurlijk mee kunnen verdedigen en er de burgerlijkheid van ons gemeentelijk leven mee kunnen goedpraten? Hoe onnozeler des te echter! Zodoende dwalen er heel wat echte en nederige kinderen van God buiten Christus' gemeente rond om geen andere reden dan dat ze enig verstand hebben meegekregen en gebruiken, enige smaak hebben ontwikkeld en die volgen of enige fantasie in hun bagage hebben die hen bij de kerkelijke keurmeesters verdacht heeft gemaakt, terwijl degenen die binnen zijn; soms van het kind-zijn alleen maar het kinderachtige ten toon weten te spreiden.

Het is, daarom noodzakelijk Christus te laten' uitmaken wie kind is en wie te eigenwijs is om bij de kerk te behoren. Vandaar mijn pleidooi om 'die drie woorden van Christus uit Mattheüs 11 niet eigenmachtig door elkaar te klutsen, maar ze elk hun zelfstandigheid te laten behouden. "...en wie het de Zoon wil openbaren", - dáár is de Meester en Hij roept ons: gewonen en ongewonen, begaafden en modalen en misdeelden, mensenrecht- toerecht aan èn mensen met een krul in 'de staart. Maar wel allemaal: 'kinderkens', Want Hij kent de zijnen. Hij alleen.
Ten opzichte van de 'claire' spreuken 1 en 3 vertoont spreuk 2 dus iets 'obscurs'. En ik hoop dat u ziet hoe heilzaam dat is. Als we hier alles 'clair' maken, dan wordt de kerk onze zaak, om niet te zeggen: ons zaakje. Christus' gemeente krijgt in de Schrift een overvloed van karakteristieken mee: kinderkens, eenvoudigen, godvrezenden, kleinen, armen, verdrukten. En nog veel meer. Zulke karakteristieken zeggen weliets, of liever: veel, over de stijl van de goddelijke verkiezing.
"God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade" (Spreuken 3 : 34; 1 Petrus 5 : 5). Des te scherper echter moeten wij opletten wanneer de christelijke gemeente volstrekt kwaliteitsloos aan ons wordt voorgesteld: "...en wie het de Zoon wil openbaren." Zulke uitdrukkingen verhinderen ons ooit de verkiezing zelf ter hand te gaan nemen. Zij blijft Gods geheim.

Tenslotte naar Paulus en wel naar een bekend woord van hem waarvan veel mensen zouden willen dat 'het niet hl de Schrift stond: "Jakob heb lik liefgehad, maar Ezau heb Ik gehaat" (Romeinen 9 : 13). Hier staat 't dan toch maar dat, het mes van de goddelijke voorbeschikking de koek der mensheid middendoor snijdt, zonder dat daar van onze kant enig verhaal op is. Als er één woord is dat ons plaatst voor de ondoordringbaarheid van Gods. raad. dan {och wel dit! Inderdaad 'obscur'.
Menheeft wel getracht onder het bedreigende van dit tekstwoord uit te komen door op te merken dat ''1 hier niet over de lotsbestemming van personen, maar van volken zou 'gaan. Immers Jakob en Ezau komen in de Schrift behalve als personen ook als volken voor, ja, je zou ze op verschillende plaatsen als gepersonifieerde volken kunnen opvatten. Laten we dat !hier ook doen, zo is dan de gedachte. Inderdaad komt daar een niet gering voordeel in mee. Om een voorbeeld te noemen: wat er te eniger tijd aan rampspoed over het Nederlandse volk besloten mocht worden, als afzonderlijke Nederlander zou daar altijd nog aan te ontkomen zijn. Voor de afzonderlijke Edemiet zou dus de druk behoorlijk van de ketel zijn, als bedoeld was: Israël (als volk) heb Ik liefgehad en Edom (als volk) heb Ik gehaat. Het tekstwoord zou er 'n beetje 'clair' van worden.
Maar in de Schrift zelf slaat het bekende woord toch te duidelijk in de eerste plaats op die twee jongens die daar in de tent van Rebekka hebben rond geravot.
Paulus roept zelfs de situatie op die daar nog aan vooraf ging: "Want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad gedaan hadden toen werd gezegd..." (vs 11). Daar helpt geen moedertjelief aan: dit is, wat er verder nagaan vast moge zitten, in de eerste plaats persoonlijk.

Jawel, zegt u, maar wàt werd er toen tegen hen of over hen gezegd? Ezau, jou haat ik? Jakob, jou heb Ik lief? Dat woord over het haten van Ezau en het liefhebben van Jakob stamt toch uit een veel latere tijd? Het heeft geklonken uit de mond van de profeet Maleachi in de dagen dat Jakoben Ezau al lang tot volkeren waren uitgegroeid. Dus, gaat het in Genesis toch niet meer over volkerenlot dan over persoonsbestemming?
Daarom nog eens, wàt werd er nu aanvankelijk in die aartsvaderlijke tijd over die twee jongens gezegd? Dit was het Godswoord dat de zwangere Rebekka te horen kreeg: "de oudste zal de jongste dienstbaar zijn" (vs 12). Letterlijk in de tekst 'Van Genesis i(25 : 23): "de meeste zal de jongste dienen" - een opmerkelijke formulering die inderdaad laat zien dat hier aan personen en aan volken gedacht is. Want 't woord 'meeste' of 'talrijkste' doet denken aan een groep, terwijl het woord 'jongste' alleen maar persoonaanwijzend is.Dus, dat 't Godswoord zich niet enkel tot die kinderen persóónlijk richtte, kan de vrager worden toegestemd.

Maar hoezeer nu ook in dit orakel een persoonlijik-bovenpersoonlijke lotsbestemming wordt aangekondigd, het is toch geen gesloten Woord. Er zit een deur in. Ezau, Edom, kon hieraan gehoorzaam worden en zijn leven in dienst gaan stellen van de jongere broer. Hoe moeilijk dat ook voor hem zou zijn (zoals later voor Jonathan moeilijk moet zijn geweest zich ten dienste van David te stellen!). Wanneer Ezau zich aan dit orakel onderworpen had, zou er voor hem verbondsheil zijn geweest. Hij zou dan 'in' Jakob gezegend zijn geworden.
Dat was de opening die er voor Ezau in zat. Dit is niet gebeurd. We weten dat Ezau van meet af aan tegen zijn bestemming in verzet is gegaan. Heftig en volhardend. Ook zijn nageslacht, het volk der Edamieten, is met volle overtuiging in die traditie getreden. Het heeft Israël te vuur en te zwaard vervolgd. Voortdurend, Zo wordt voor ons dat vele eeuwen later klinkende Godswoord bij Maleachi begrijpelijk: Ezau heb lik gehaat" (Maleachi 1: 3). Te begrijpen, gezien bijvoorbeeld tegen de achtergrond van een uitspraak als deze van de profeet Ezechiël dat.
Edoni een eeuwige vijandschap heeft gekoesterd tegen Israël (35: 5). Die eeuwige vijandschap maakt Gods eeuwige haat tegen Edom bijna aannemelijk. Het verschrikkelijke dat Maleachi zegt, is dus Ezau's verdiende loon. Nietwaar? 'Clair' toch?

Toch zijn we nu bezig iets doorzichtig te maken dat in zichzelf ondoorzichtig is. Kijk, als Paulus had geschreven: tot Ezau was gezegd: de oudste zal de jongste dienstbaar zijn, maar dat heeft Ezau aan zijn laars gelapt en zo is het voor hem uitgelopen op het ontzettende: Ezau heb ik gehaat...maar er stáát: "Want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan - opdat het verkiezend voornemen Gods zou blijven: niet op grond 'van werken, maar op grond daarvan dat Hij riep werd tot haar gezegd: de oudste zal de jongste dienstbaar zijn, gelijk geschreven staat: Jakob heb Ik liefgehad, maar Ezau heb ik gehaat." (de verzen 11-13).
De moeilijkste woorden uit deze passage heb ik schuin laten drukken. Want door deze woorden gelijk geschreven staat plaatst Paulus een = teken tussen de tijd van de aartsvaders en die van Maleachi vele eeuwen later. De ontwikkeling vanhet beginorakel aan Rebekka dat nog een openheid bezat náár het gesloten Godswoord van Maleachi, dat voor Ezau/Edom de pas afsneed, wordt verwaarloosd. De geschiedenis van Israël schuift hier als een harmonica in elkaar. Het ongelijke wordt gelijk verklaard. Er ontstaat een eigenaardige gelijktijdigheid. Dat komt doordat Paulus hier niet heilshistorisch spreekt, maar puur predestinatiaans. Hij laat geen ontwikkeling zien, maar opent Gods verborgen raad. Hij leest de afloop in de aanvang in.

Maar dit is toch niet naar de gewoonte van de Schrift? Zegt Mozes niet: "de verborgen dingen zijn voor' de Here onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen voor altijd, opdat wij al de woorden dezer wet volbrengen" (Deuteronomiurn 29 : 29)? Is 't de Schrift niet eigen om ons op onze verantwoordelijkheid te drukken? En wordt dat dan niet ontkracht door een puur predestinatiaans spreken? Zeker! Echter, het betreft hier dode mensen (Ezau en even verderop farao) voor wie het heden der genade voorbij is. Aan hen is de aansporing tot verantwoordelijkheid boter aan de galg gesmeerd. Dode mensen zijn het over wie de Heilige Geest hier bij hoge uitzondering iets loslaat over hun verwerping omdat hun rol zo belangrijk was. En de apostel gebruikt hen nu als voorbeelden om er zijn joodse tijdgenoten mee te waarschuwen: die werkelijkheid van eertijds, Jakob en Ezau; zonen van één ouderpaar, en dan toch dat uiteengaan van de wegen, dat is niet passé. Zo kan het nog gaan. Er is dus geen sprake van dat de Schrift levende mensen met dergelijke definitieve zinnen dat God hen zou haten, op het lijf valt. Ook bij Maleachi trouwens merken we al dat hij de oude geschiedenis op deze wijze gebruikt.
Vergelijk deze zinnen eens met elkaar: 1) Maleachi 1 : 2, 3: Was niet Ezau Jakobs broeder? Toch heb Ik Jakob liefgehad, maar Ezau heb Ik gehaat", en 2) Maleachi 2: 10: "Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen?
Waarom zijn wij dan trouweloos tegenover elkander en ontheiligen het verbond onzer vaderen?" 'Was niet Ezau Jakob's broeder?' is een zin die naar strekking verwant is met 'hebben' wij niet allen één Vader?' Dat wil zeggen dat Maleachi het oude conflict van de aartsvaderlijke tijd zich ziet herhalen binnen' het Verbondsvolk van zijn dagen. Ezau is geestelijk onder ons zo wil hij zeggen.
Daarom komt de profeet op 't laatst van zijn boek terecht bij .de rest der 'godvrezenden, die de Here God ten eigendom zullen zijn, waardoor alsdan het verschil zal duidelijk worden tussen wie God dient en wie Hem niet dient (3: 17,18)'. (Wat ook het verschil was tussen Jakob en Ezau.)
Op soortgelijke wijze nu hanteert Paulus de voorbeelden van Ezau en farao voor zijn tijdgenoten.
Hij wil niet uiteenzetten hoe het destijds lag tussen Gods almacht en hun verantwoordelijkheid, maar hij wil Israël. met werkelijk afschrikwekkende voorbeelden waarschuwen dat de Christus-verwerping niet zonder gevolgen blijft.

Zo blijft het erbij dat Ezau heb Ik gehaat" een 'obscur' woord is, uiting van een God die ons geen rekenschap aflegt van zijn daden en Die eeuwigheidsbeslissingen neemt ten, aanzien van de mensen. Toch zet ik er een 'clair' woord tegenover of: naast. Dit keer niet uit hetzelfde tekstverband, maar toch een woord dat door zijn gelijkheid van vorm eraan doet denken. Net als het profetische adagium ‘Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat', komt het tweemaal in de bijbel voor, nl. in het Oude Testament (Psalm 45 : 8) en in het Nieuwe Testament (Hebreeën 1 : 9), en het luidt als volgt: "Gerechtigheid hebt Gij liefgehad en ongerechtigheid hebt. Gij gehaat". En als er nu iemand is die bang wordt van dat eerste woord, laat hij dan aan dat tweede denken!
Dat staat er óók. Het is een woord dat Gods zakelijke verkiezing betuigt naast dat andere dat van zijn persoonlijke voorbeschikking spreekt. Beide lijnen doorlopen de ganse Schrift, de ene 'clair', de andere 'obscur', Ik kan ze niet verenigen, ik kan ze alleen aanwijzen. Verheuging met beving (Psalm 2 : 11) is tegenover beide gepast.

Het christelijke belijden omtrent verkiezing en verwerping in voorbeschikkelijke zin stuit vandaag op fel en venijnig verzet. Dat is geen wonder. Het God-zijn van God is daarbij in het geding. Mag Hij nog zijn Die Hij is? Of is Hij vanwege zijn woord van trouw aan ons gehouden tot algehele overzichtelijkheid? Soms wordt over het heilig verbond gesproken als ging het over een CAO.
Toch wil ik wat mijn geliefde collega ds Rietkerk onlangs in ons blad over de Dordtse Leerregels geschreven heeft, hieronder niet rangschikken. Hij heeft vragen gesteld, scherpe vragen, en vanwege het vele misbruik dat van de leer der predestinatie gemaakt is (en nog wel wordt), màg dat, moet dat soms. Het gesprek dat daarover dan vervolgens op gang behoort te komen, zal als het goed is aan twee voorwaarden voldoen: de vrager is oprecht benieuwd naar de antwoorden en de beantwoorder zal serieus Iuisteren naar de vragen. Als aan beide voorwaarden wordt voldaan, dan mogen we ook zegen verwachten op ons verder nadenken hierover. Zegen in die zin dat we verder zullen komen, niet zozeer in het verstaan als wel in de eerbied en lofprijzing voor God en zijn heilsplan.

Als ik alle behandelde Schriftplaatsen nog eens overdenk, dan lijkt het mij toe alsof de Here God bij wat Hij ons over de persoonlijke verkiezing openbaart, overweegt: dat is ook zwaar voor jullie, en dat Hij ons daarom tegemoet komt met die lijn van de zakelijke verkiezing. Om ons houvast en vertrouwen te geven en ons de weg te wijzen. Of is dit nu een te menselijke gedachte?
Hoe dat ook zij, ik vind die zakelijke lijn een verzachting ten opzichte van het decretum horribile (het huiveringwekkende besluit) zoals Calvijn de leer van de dubbele predestinatie eens typeerde.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief