Landelijke Vergadering 1985

1985-09-13
  • Jaargang 29
  • nummer 35
"Men, heeft in Zwolle niet geluisterd naar Gods gebod, zal men dan wel luisteren naar een besluit van de Landelijke Vergadering op grond van het Akkoord van Kerkelijk Samenleven?" Met die vraag kenschetste ds W. Borgdorff tijdens de zesde zitting van de Landelijke Vergadering in Enschede de machteloosheid die heerst rond de "kwestie Zwolle".

Ondanks een discussie van ruim twee uur kwam geen oplossing uit de bus. De volgende vergadering wordt verder gepraat aan de hand van een stuk van het moderamen, waarin wordt getracht antwoord te geven op de vragen die Zwolle in een bezwaarschrift heeft gesteld. Daarmee werd het rapport over deze zaak voorlopig opzij gelegd.
Daarin werd geadviseerd de Zwollenaren te wijzen op hun plicht de eenheid in Christus te herstellen, elkaar tegemoet te komen en de zusterkerken op te roepen de beide delen van de Zwolse gemeente de ruimte geven. Deze aanbevelingen uit het rapport werden stevig bekritiseerd en er gingen zelfs stemmen op voor een nieuwe commissie en een nieuw rapport.
Voornaamste punt van kritiekwas het feit dat in het rapport niet werd ingegaan op de vragen vanuit Zwolle en geen oordeel werd gegeven. Iets waarom toch duidelijk was gevraagd op grond van artikel 35 van het Akkoord van Kerkelijk Samenleven. "De kernvraag is of de regio Enschede-Zwolle scheurmakerij heeft getolereerd of goedgekeurd, Een broederlijke verzoening, waarvoor het rapport pleit, is iets dat al achter ons ligt", vond ds. J. D. Smit, die dan ook pleitte voor een “goed en zorgvuldig justitieel oordeel". Andere sprekers, onder wie ds G. van Keulen en broeder P. Roskam, vielen hem bij en pleitten voor handhaving van artikel 35. "De commissie is er van uitgegaan, dat kerkelijke uitspraken toch niet helpen. Het ligt echter niet aan de uitspraak of de oplossing, maar aan de hardigheid der harten", stelde Van Keulen.
Daarmee gaf hij gelijk ook uiting aan het gevoel van menselijke machteloosheid, dat de bespreking kenmerkte. Wat de Landelijke Vergadering ook doet of besluit, het is zeer de vraag of daardoor iets wezenlijks verandert in de Zwolse situatie. "Er moet bekering komen in Zwolle", om met broeder Roskam te spreken. Ds. G. Reukerna verdedigde het rapport van zijn commissie door zich hardop af te vragen wat het nut zal zijn van. een duidelijke beantwoording van de Zwolse vragen. “U kunt wel kerkrechtelijk bezig zijn, maar onze beslissing moet duidelijk zijn voor de gemeente daar, we moeten onze woorden kunnen waarmaken". Een ander commissielid verklaarde met nadruk dat "een justitieel oordeel", waarbij een van beide partijen als schuldige wordt aangewezen, niet mogelijk is. De commissie hield daarom vast aan het rapport. De meerderheid van de vergadering
bleek uitvoeriger te willen praten over de Zwolse vragen, waarop ds. H. Smit, die in deze kwestie de voorzittershamer hanteerde in plaats van praeses mr. dr. J. Meulink, de afgevaardigden voor de 'keus stelde dan' maar gelijk door te gaan of op de volgende vergadering verder te praten aan de hand van een stuk, dat het moderamen zou opstellen.
Ondanks verzet van broeder Roskam ("we doen hier geen zaken") en het voorstel van adviseur drs O. Mooiweer de bespreking te beginnen en dan te kijken wat er uitkomt koos de vergadering voor uitstel tot 5 oktober. Men kwam overeen de bespreking dan in het openbaar te laten plaatshebben. Mocht er aanleiding zijn in comité verder te praten, dan kan dat alsnog, vonden de afgevaardigden.

Examens
Werd de commissie voor de kwestie Zwolle. in de wachtkamer gezet, de commissie die rapporteerde over de kerkelijke examens kreeg het nodige huiswerk op. Na een af en toe stevige discussie over het werkstuk van de commissie van drie (ds. Biewenga, ds. De Jong en ds. Van Keulen) werd het voorstel gedaan het rapport nog eens aan de kerken voor te leggen, aangezien het nogal begon te verschillen van het oorspronkelijke stuk uit de koker van de regio Oordrecht-
Gorinchem. De uitvoerige gedachtewisseling had wel het voordeel, dat de commissie nu ongeveer weet hoe de 'diverse regio's over de examens voor toekomstige voorgangers denken. Ds. J. Horsman trok flink van leer tegen het rapport, waarvan hij sommige stukken betitelde als "kerkelijke regententaal" . Hij pleitte voor een, summiere omschrijving van de inhoud van de onderzoeken, zodat elke regio de nodige vrijheid heeft in zijn aanpak.
Hij was het eens met ds. Biewenga, dat het eerste onderzoek voor de regio zwaarder moet wegen dan dat wat de plaatselijke, beroepende, kerk instelt. "Je wilt als kerk weten wat voor vent dat is en daarom zijn persoonlijke gesprekken belangrijk". Evenals enkele anderen was hij niet gecharmeerd van het voorstel de aanstaande voorganger te verplichten tot het overleggen van een "getuigenis", dat hij (voldoende) heeft deelgenomen aan de bijeenkomsten van de Theologische Studiebegeleiding. "De kerken moeten dat zelf bewaken. Op deze manier loop je het risico dat de verantwoordelijkheid wordt afgeschoven naar de Theologische Studiebegeleiding", zo meende broeder J. de Boer. "De commissie is in dit rapport aan het overorganiseren. De bedoelingen zijn wel goed, maar we
moeten er rekening mee gaan houden dat wat op papier staat een eigen leven gaat lijden", voegde hij daaraan toe. Hij had daar wel reden toe, want ds. Van Keulen gaf in zijn verdediging van het rapport duidelijk blijk moeite te hebben met uitzonderingssituaties, die niet goed onder de regels te vangen bleken. Tenslotte ging hij akkoord met het weglaten van de twee eerste bladzijden van het rapport, waarin de uitgangspunten en de alge mene regels voor een onderzoek werden weergegeven. Enkele sprekers hadden hem erop gewezen dat aan sommige zinsneden daarin nogal wat haken en ogen zaten. Hij hield wel vast aan de noodzaak van een soort vooronderzoek voor studenten van "verafgelegen" opleidingen, die inde Ned. Geref. Kerk voorganger willen worden. Dat vooronderzoek 'zou dan moeten worden uitgevoerd door een groep van docenten of theologische studiebegeleiders, die zich een oordeel kunnen vormen over. de gevolgde studie van de kandidaat.
De vele kritiek op het rapport liet Van Keulen niet onberoerd. "Er is gevraagd naar meer eenheid in de examinering, daar hebben we regels voor gemaakt en die moeten dan wel worden nageleefd. We moeten niet krijgen dat studenten aan bepaalde regio's de voorkeur geven, omdat het 'daar wat gemakkelijker gaat", vond hij.
Omwille van de tijd moest de voorzitter de vergadering hierna stoppen. Daardoor werd niet gepraat over enkele financiële zaken en de vraag of de Ned. Geref. Kerken moeten helpen in Vlaanderen de verkondiging van Gods Woord overeenkomstig de belijdenis van de reformatorische belijdenis te bevorderen. Dat gaat dus in oktober gebeuren, evenals de bespreking van het rapport over Oost-Soemba, dat dan waarschijnlijk gereed zal zijn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief