Hooglied der liefde

1985-09-13
  • Jaargang 29
  • nummer 35
1. Al was mijn tong zo vaardig
dat ik de talen sprak
van hemel en van aarde,
als liefde mij ontbrak,
was er geen reden om
op mijn gepraat te letten:
geroffel op een trom,
geschetter van trompetten.

2. Wanneer ik kon voorzeggen
al wat er morgen is,
en haarscherp uit kon leggen
al wat verborgen is,
al had ik een geloof
dat bergen kon doen wijken,
toch zou ik, liefdeloos,
van gener waarde blijken.

3. Al zou ik alles geven
aan mensen in de nood,
al gaf ik zelfs mijn leven
prijs aan de vlammendood:
had niet de liefdegloed
mij daartoe aangedreven,
't verlies van goed en bloed
zou mij geen vruchten geven.
4. De liefde kent geen einde
van haar verdraagzaamheid,
maar is te allen tijde
geneigd tot vriendlijkheid.
Jaloersheid kent zij niet.
Zij wil niet domineren.
Zij tracht de ander niet
door schijn te imponeren.

5. De liefde slaat geen wonden.
Zij voedt geen bitterheid,
maar zij vergeeft de zonden,
zichzelf niet toegewijd.
Zij leent de oren niet '
om roddels aan te horen,
brengt niet in diskrediet:
kwaad kan haar niet bekoren.

6. Want enkel met het goede,
het echte is zij blij:
de zonde van een broeder
bedekt, verheimlijkt zij.
Zo, in vertrouwen sterk,
standvastig in de hope,
verdragend zonder perk,
gaat haar de toekomst open.

7. Straks zwijgen de profeten,
de tongentaal verstomt,
beperkt blijkt al ons weten,
als het volmaakte komt.
Al wat beperkt is moet
eens voor 't volmaakte wijken:
dan zal de liefdegloed
de hoogste gave blijken.

Melodie: psalm 107.
Uit: "Een lied voor de Bruidegom", Uitg. Buijten en Schipperheijn, Amsterdam (Prijs f 13,90).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief