Onze Vader

1986-06-06
  • Jaargang 30
  • nummer 23
"Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen." Zo vat de evangelist Mattheüs de inhoud van de prediking waarmee, Jezus zijn optreden begon, kort samen (Mt. 4: 17). In de hoofdstukken 5 t/m 7 geeft de evangelist dezelfde prediking breder weer in de bekende Bergrede. Dezelfde prediking, want heel de Bergrede is één grote oproep om het Koninkrijk der hemelen binnen te gaan.

In die Bergrede, waarin alles draait om het ingaan in het Koninkrijk, leert Jezus zijn discipelen ook, hoe ze bidden moeten.
En als voorbeeld van hoe een gebed eruit hoort te zien, geeft Hij het 'Onze Vader'. Het ligt dus voor de hand, dat we, om dit gebed goed te verstaan, het moeten zien in het kader van de prediking van het Koninkrijk.
Het blijkt dan het gebed te zijn van Gods volk, dat onderweg is naar Gods Koninkrijk, de nieuwe aarde, zoals eens Israël op weg was naar het land Kanaän. In de komende weken willen we dan ook het gebed des Heren in dat licht bezien. Daarbij zullen we ook geregeld parallellen trekken met de geschiedenis van Israël op zijn reis door de woestijn.

Het 'Onze Vader' is het gebed van Gods volk. Dat blijkt reeds uit het eerste woord: "onze'.
Ook verderop is telkens sprake van 'ons' in plaats van 'mij' of 'mijn'. Jezus leert ons bidden in het meervoud, een meervoud waar Hij zichzelf als Leidsman onzer behoudenis bij insluit. Daarbij schaamt Hij zich niet ons zijn broeders te noemen: Hij leert ons met Hem zijn Vader aan te spreken als onze Vader.
Het woord 'vader' drukt nauwe verbondenheid en toegewijde zorg uit, maar ook gezag. We mogen kinderlijk op God vertrouwen, maar we moeten ook kinderlijk ontzag voor hem hebben.
Heel uitdrukkelijk leert Jezus ons tot God bidden als tot 'onze Vader in de hemel', zoals Hij het trouwens in de Bergrede telkens heeft over 'uw hemelse Vadèr'. "Onze God is in de hemel; Hij doet al wat Hem behaagt."
Dat zeggen de gelovigen in Psalm 115, wanneer de heidenen spottend vragen: "Waar is hun God?" Die heidenen hebben zelf afgoden van zilver en goud, zichtbaar en tastbaar; je hoeft je bij die goden nooit af te vragen, waar ze zijn. Maar daar staat tegenover, dat ze werk van mensenhanden zijn. Net als bij een computer kun je er niet méér van verwachten dan je er zelf ingelegd hebt.
Maar onze God is in de hemel.
Dat betekent, dat we niet over Hem kunnen beschikken. Maar daar staat tegenover, dat Hij ook niet onderworpen is aan de aardse wetten van oorzaak en gevolg, zoals de mensen en hun zelfgemaakte goden. Onze God en Vader is in staat ons echte verlossing te brengen, omdat Hij onze hémelse Vader is.
Door de toevoeging 'die in de hemelen zijt' wil Jezus ons leren bidden dn het besef, dat het Koninkrijk waarnaar we op weg zijn, niet iets is wat uit de aarde voortkomt. Het moet van 'boven' komen, van een Vader die oneindig ver boven' het aardse verheven is, anders komt het er eenvoudig niet.
Dezelfde gedachte vinden we ook uitgedrukt in de woorden "gelijk in de hemel, zo ook op de aarde". Deze horen niet alleen bij de derde bede, "uw wil geschiede", maar ook bij de eerste twee. Wat we bidden is: zoals het nu reeds in de hemel is, moge het zo ook worden op de aarde. De heiliging van Gods naam, zijn Koninkrijk en het geschieden van zijn wil zijn al werkelijkheid in de hemel, de plaats waar God troont, en vanwaar Hij zijn macht uitoefent.
Op aarde is dat nog niet ten volle het geval, maar de gemeente bidt, dat het ook daar zo worden mag, dat de Vader, die in de hemel is, vanuit de hemel zijn heil zal vestigen op de aarde, waar wij mensen wopen, zodat hemel en aarde één "zullen worden.

Het eerste waarvan Jezus ons leert bidden, dat het op aarde net zo werkelijkheid mag worden als in de hemel, is, dat Gods naam geheiligd wordt. De bede is in de lijdende vorm gesteld, zonder dat met zoveel woorden gezegd wordt, door wie Gods naam geheiligd moert worden, door God zelf of door ons mensen.
In het Oude Testament treffen we beide aan: in Ezechiël 36 is het, God zelf, die zijn naam heiligt, in Jesaja 29 is het Gods volk.
In Ezechiël 36 : 19 e.v. lezen we, dat de .heidenen, toen de Here de Israëlieten in ballingschap stuurde, zeiden: "Dezen zijn het volk des HEREN, maar toch moesten zij weg uit zijn land."
Zo werd Gods heilige naam, zijn reputatie als trouwe Helper van zijn volk, bij de volken ontheiligd, en wel door de Israëlieten, want het was door hun schuld, dat zij weg moesten uit Kanaän.
Maar de Here laat het er niet bij zitten. In vs. 23 zegt Hij: "Ik zal mijn grote naam, die onder de volken ontheiligd is, die gij temidden van hen ontheiligd hebt, heiligen; en de volken zullen weten, dat Ik de HERE ben, Iuidt het woord van de Here HERE, wanneer Ik Mij voor hun ogen aan u de Heilige zal betonen." Dat zal Hij doen door zijn volk te verlossen en het terug te brengen naar zijn land.
Het is dus in de eerste plaats God zelf, die zijn naam heiligt, die door zijn verlossende daden laat zien, dat Hij de naam Heilige Israëls terecht draagt. Dat 'heeft Hij reeds gedaan bij de bevrijding van zijn volk uit Egypte. Toen verwachtte Hij van zijn Israëlieten, dat zij ook Gods naam zouden heiligen door als bevrijde mensen te gaan leven. Zij echter maakten door hun zonden de verlossing ongedaan en ontheiligden daarmee de naam van God. De Here echter zal zijn volk opnieuw verlossen en zo zijn naam opnieuw heiligen.
Over die nieuwe verlossing, waarop het volk zal reageren door nu eindelijk Gods naam ook te heiligen, gaat het in Jes. 29 : 22 e.v.: "Jakob zal nu niet meer beschaamd staan en zijn aangezicht zal niet meer verbleken.
Want wanneer hij en zijn kinderen het werk mijner handen in hun midden zien, dan zullen zij mijn naam heiligen en Zij zullen de Heilige Jakobs heiligen en voor de God van Israël ontzag hebben." Als we bidden “uw naam worde geheiligd", vragen we dus Here, wilt U ons, uw volk, verlossen en maken dat wij:U als Verlosser erkennen, niet alleen met de mond, door U te loven en te danken, maar ook met de daad, doordat we als verloste mensen gaan leven, We bidden dan, dat het op aarde mag worden zoals in de hemel, want in de hemel wordt God reeds ten volle als Verlosser van zijn volk erkend door de engelen, die Hem het driemaal heilig en het ‘Ere zij God’ toezingen, Bij de geboorte van Christus hebben zij dat ‘Ere zij God' ook reedsop aarde aan ons mensen voorgezongen, Het wachten is nu op het moment dat wij dat lied ten volle zullen kunnen meezingen, warmeer de verlossing volkomen zal zijn. Dat moment bidden we naar ons toe, wanneer we bidden "uw naam worde geheiligd".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief