De ruimte van het nieuwe leven
2011-06-10
Ik dubbelde als jochie mijn leeftijd wel eens. Toen ik vijftien jaar was, probeerde ik te bedenken hoe het zou zijn als ik dertig was. Zou ik dan nog voetballen? Of zou ik misschien getrouwd zijn? Nou, ik voetbalde nog volop… - Jaargang 55
- nummer 12
En de menigte van hen die geloofden, was een van hart en een van ziel; en niemand zei dat iets van wat hij bezat, van hemzelf was, maar alles hadden zij gemeenschappelijk. En de apostelen legden met grote kracht getuigenis af van de opstanding van de Heere Jezus; en er was grote genade over hen allen.
Want er was ook niemand onder hen die gebrek leed; want allen die landerijen of huizen bezaten, verkochten die en brachten de opbrengst van het verkochte en legden die aan de voeten van de apostelen. En aan ieder werd uitgedeeld naar dat men nodig had. (Handelingen 4:32-35, HSV)
En dat andere kwam er ook van, al was het wat later. Maar wel vreemd om daarover na te denken als vijftienjarige.
Leven met een ander? Alles delen met iemand, die ik op dat moment nog niet eens kende? En tegen wie ik nooit zou zeggen: ‘blijf eens af, dat is van mij!’ En als er kinderen zouden komen, dat ze dan gewoon het huis met ons zouden delen.
In het grote huis?
Vlak na Pinksteren lees je over de eerste gemeente dat ze ‘alles gemeenschappelijk’ hadden. Niemand zei dus: ‘dit is van mij’. Dat is natuurlijk wel weer een hele stap verder dan zo even. In het kleine huis van het gezin - ja, dan zou het vreemd zijn als het anders was. Maar in het grote huis van de gemeente? Soms, lukt het heel eventjes. Bijvoorbeeld bij een gemeentemaaltijd op zijn Amerikaans. Maar in alles? Alles gemeenschappelijk?
Iets lenen van een gemeentelid, dat gebeurt nog wel eens.
Een boek of cd of misschien de auto als je er zelf geen hebt. Maar dat is voor even, in bruikleen.
In bruikleen
En toch … als je eens even naar je leven kijkt als naar een grote boog, dan is het zo gek nog niet om – als het gaat om ons bezit - in termen van ‘bruikleen’ te denken. Want een mens komt toch met niets ter wereld! En aan het einde van die grote boog neemt toch niemand van al dat verworven bezit iets mee?
Kijk dan vanuit die levenboog nog eens naar het eigen huis, de meubels en al dat andere. Misschien is het helemaal niet zo gek als daarbij zo’n woord als ‘bruikleen’ in je opkomt. Dat je gebruik maakt van een huis, een tuin en ga maar door en dat zolang je leeft. Want een doodshemd heeft geen zakken, zegt het spreekwoord. Dat is de doodnuchtere kijk op het leven. Typisch voor de Prediker en dat soort mensen.
Er is Iemand…
Maar het is ook wel een beetje kil. Niet dat de Bijbel die kale nuchterheid nooit heeft, maar over de hele linie is de boodschap toch beduidend warmer. Om te beginnen krijg je in de Bijbel te horen dat er Iemand is, een goddelijke Gever, die mensen het leven en al dat andere gééft. Het is de Heer, die tegen Abraham zegt: ik zal jou en je kinderen dit land géven. Je mag er wonen en je mag planten, zaaien, oogsten van het land. Toe maar, maak er maar gebruik van.
En honderden jaren later gaf God al die kinderen van Abraham familiegewijs een eigen stukje van het beloofde land. Dat hoorde dan ook echt bij die familie, maar niet op een manier dat ze zouden gaan zeggen: dit is mijn huis en mijn land. God zegt dan ook over elk van die landerijen: ‘Land mag nooit verkocht worden, alleen verpand, want het land behoort mij toe en jullie zijn slechts vreemdelingen die bij mij te gast zijn’. Ze waren dus kind bij God aan huis. En zo kregen ze deel aan het gezegende leven. Dat is toch een stuk warmer dan de overweging dat je met je dood toch alles kwijt bent!
Van de geef
Ga je vervolgens naar de openingshoofdstukken van het boek Handelingen, dan heeft dat diezelfde warme sfeer. Je merkt dat ze in de eerste gemeente intens met elkaar omgingen en tegelijk heel ontspannen aankeken tegen hun bezit. Ongetwijfeld omdat ze onder de indruk waren van de grote geschenken, die ze van God hadden gekregen. Ja, alles wat wij zijn is gave van God! Wat heb je, dat je niet gekregen hebt? Ga maar even achter geld en bezit terug en denk aan gezondheid, verstand, creativiteit, en ga maar door.
Je leest in Handelingen 4:33 over die eerste gemeente: ‘Er was grote genade over hen allen!’ En genade, dat wil zeggen: leven van wat je krijgt. De Here zegent ons (Psalm 67). Dat was de sfeer.
Eersteling
En dan mag ik nog een stapje verder gaan. Want je merkt in de eerste hoofdstukken van Handelingen, dat ze als gemeente leven vanuit de diepe overtuiging dat de Heer werkelijk is opgestaan uit de dood. En ze zullen in de veertig dagen na Jezus’ opstanding vast van Hem gehoord hebben dat Hij daarin geen eenling, maar een eersteling was. Iets van: wie in mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven.
Zelfs de dood is anders geworden, dankzij Jezus. En daardoor het leven! Je merkt aan alles dat die eerste gemeente op grote gevoelsafstand leefde van dat wat cynische spreekwoord ‘een doodshemd heeft geen zakken’.
Dat ene zinnetje!
Het is een beroemd stukje, dat slot van Handelingen 4, waar het leven van de eerste gemeente wordt geschetst.
Het gaat daar bijna alleen maar over de omgang met bezit en dat in grote gezamenlijkheid. Bijna helemaal, op één zin na. Want in vers 33 lees je dat de discipelen de opstanding van de Here Jezus met grote kracht verkondigden. Je zou die ene regel over de opstanding er zo tussenuit kunnen knippen. Dat leest prima door. Maar wat stempelt dit ene zinnetje het leven! De opstanding van Jezus als eersteling!
Wat gaf dat een ruimte in de gemeente, ook in de kijk op bezit. En wat was daarin de genadige hand van God voelbaar, die hand van ‘ik leef van de geef ’.
Met Pinksteren brak een nieuwe manier van leven door.
Het was eens te meer leven van wat ze kregen. Ruimte om samen te bouwen en te bewaren, zoals het al bij de schepping gezegd werd. Met hart en ziel. In de kracht van de opstanding van eersteling Jezus en in de warme sfeer van Gods genade.
Drs. Freddy Gerkema is predikant van de gemeente van Amersfoort-Noord en redacteur van Opbouw.