De omweg als kwaad-verzachter
1986-06-13
- Jaargang 30
- nummer 24
De catechismus
“Dat ik mijn naaste niet…hetzij zelf hetzij door tussenkomst van anderen onteer, haat, kwets of dood…” (Heid. Cat. Zondag 40). “Hetzij zelf, hetzij door tussenkomst van anderen.” Ook hier treedt in de catechismus weer aan de dag die prachtige combinatie van grote Bijbelkennis en diep inzicht in de menselijke natuur!
David
David wil zijn zonde met Batseba, de vrouw van Uria, verbergen.
Eerst probeert hij Uria in contact met zijn vrouw te brengen en zo het verwachte kindje aan Uria toe te schuiven.
Als dat mislukt moet Uria uit de weg geruimd worden. David geeft dan aan Joab het bevel Uria op een gevaarlijk punt te posteren en hem vervolgens in het heetst van de strijd aan zichzelf over te laten. Dat verschrikkelijke plan gelukt wèl.
Uria sneuvelt!
U zult misschien willen zeggen, dat deze verwijzing niet past in het verband van dit artikel. David - zo kunt u opmerken - is er helemaal niet op uit een omweg te bouwen om zo zijn geweten tot rust te brengen en het kwaad voor zijn gevoel minder erg te maken. Neen, David heeft duidelijk zijn aandacht gericht op de mènsen! Een rechtstreekse moord zou hem zijn reputatie en méér dan dat kosten. Daarom moeten de mensen denken, dat het de "oorlogsomstandigheden" zijn, die Uria de dood hebben bezorgd.
Zo kon David dan vrijuit gaan.
Het oog van de mensen - dáár ging het om!
Ik zou u hàlf gelijk willen geven!
Inderdaad, het ging natuurlijk allereerst om de mènsen en hun oordeel. Maar ... ben je daarmee helemaal klaar?
Ik denk, dat het hart van David en van ons arglistiger is dan wij weten en willen weten! Ik denk toch echt wel, dat die omweg via' de "oorlogsomstandigheden" David op een akelige manier heeft goedgedaan en getroost en hem heeft gediend als een kwaad-verzachter! Als het bericht van Uria's dood bij David binnenkomt, dan geeft David aan de berichtbrenger een boodschap voor Joab mee: "Bekommer u hierover niet, want het zwaard verteert nu, eens deze, dan weer gene. Zet de strijd tegen de stad krachtig voort en verwoest haar" (2 Sam.
11 : 25): Ik denk zo, dat deze verwijzing naar het lot, dat in de oorlog nu eenmaal zo'n grote rol speelt, niet alleen maar - kwasi - voor Joab bestemd was, maar ook - reëel - voor David zèlf! David was wel de regisseur, maar de "omstandigheden" hadden het eigenlijke werk van hem overgenomen!
De omstandigheden. . . het zwaard ... het lot! Je zou bijna even denken aan Hitler's "voorzienigheid” (natuurlijk niet voor de échte voorzienigheid van zondag 9-10)!
Achab
Achab ging de akker van de Jizreëliet Nabot bezien en in bezit nemen. Nabot was vermoord. Maar het was wel een eigenaardige moord geweest! Nabot was gestenigd op het éénparig getuigenis van twee personen, dat hij God en de koning had “vaarwel gezegd”: Godslastering en hoogverraad. Was hem de dood niet aangedaan door …. Israëls rechtsorde?
Wat had Achab gedaan? alleen maar zijn zegelring aan zijn formidabele echtgenote Izebel gegeven! Wat had Izebel gedaan? een valse rechtszitting geënsceneerd! Maar de beëindiging van Nabots leven was toch tot stand gekomen door de steniging, die zich naar Israëls rechtsregel had voltrokken!
U zult weer zeggen, dat dit voorbeeld in het verband van het artikel niet past. Izebel wilde immers helemaal niet haar geweten tot rust brengen door het inbouwen van een omweg. Zij wilde alleen maar – en op dat punt is ze dan te vergelijken met David – aan het ombrengen van Nabot een schijn van recht verlenen, omdat je in Israël nu eenmaal niet zomaar rechtstreeks kon gaan moorden! Het ging weer om het oog van de mensen! Zeker, zo zal het bij Izebel gegaan zijn!
Maar hoe was het met Achab? Met Achab, die de Here niet meer vreesde, maar die nog wél doodsbang voor de Here kon worden! In mijn verbeelding zie ik Achab naar Nabots tuin toegaan, mompelend en pratend in zichzelf: “Ik heb haar alleen maar mijn ring gegeven. Ik heb haar alleen maar mijn ring gegeven.” Maar de Here breekt daar doorheen! Door het woord van Elia: “Zo zegt de Here: Hebt gij gemoord en ook in bezit genomen?...” (1 Kon. 21:19)
Onze omwegen – ze worden door de Here toch weer “kortgesloten”!
Het negende gebod
Een vaak gehoorde populaire weergave van het negende gebod luidt: "Je mag niet liegen."
En onder "liegen" verstaat men dan - al even populair -iets zeggen dat niet met de feiten klopt. Hiermee wordt geen onzin gezegd. Integendeel, in de praktijk kom je met deze weergave in de meeste gevallen goed uit! En toch is deze weergave allerminst volmaakt! Omdat de naaste en de liefde tot de naaste geheel buiten het beeld vallen!
Zo is het negende gebod eigenlijk ook niet meer een gebod van de Tweede Tafel der wet, welke ons voorhoudt wat wij onze naaste schuldig zijn (Heid. Cat. Antw. 93).
Ook "liegen" heeft in de bijbel een volheid van boosaardigheid in zich, die niet met "verdraaiing van de feiten" is uitgepuf al zal ze zich gewoonlijk wèl in die vorm uiten.
Als ik om welke reden ook een reedslang vergeven en daarom ook terecht vergeten zonde van een broeder of zuster' "ophaal", dan voldoe ik geheel aan de populaire weergave van het negende gebod: Ik zeg niets dat niet met de feiten klopt! Maar ik treed dan toch wèl op als een "getuige der valsheid" tegen mijn naaste!
Als ik, door de vijand in het nauw gebracht, in de verschrikking van de 2e Wereldoorlog de schuilplaats van een joodse familie zou hebben aangegeven, dan zou ik niets gezegd 'hebben, dat met de feiten in strijd was.
Maar ik zou wèl gepleegd hebben de "moord door het woord".
In dat laatste hebben we, denk ik, een goede omschrijving van het negende gebod gevonden: de moord door het woord. Zo heb ik het met instemming in preken gehoord en ook zèlf in preken gebruikt.
Maar dan kom je toch aanstonds voor een moeilijke vraag te staan. Als dat zo is.. als het werkelijk gaat om de moord door het woord, ... waarom zou de Here dan dat negende gebod gegéven hebben? Was dan het zesde gebod "Gij zult niet doodslaan" niet voldoende geweest?
Zat daar alles al niet in? Ik denk, dat we nu de fout maken, dat we de geboden opvatten als een wiskundig-logisch complex en niet meer als een levende verkondiging tot levende mensen en - helaas - springlevende zondaren!
Zou het zo vreemd zijn, als de Here na dat zo directe en rechtstreekse woord "doodslaan" ook nog eens Israëls aandacht vroeg voor die typische omweg?
Voor die omweg van onze woorden, waardoor we het moordplan voor de mensen verbergen en een "kwaad-verzachter" inbouwen in de baan van onze boosheid! Door het valse getuigenis brengt men de naaste "alleen maar" op de baan van de rechtsorde, die hem ter dood voert, zonder dat iemand, daar nog tussen komen kan!
Zou de Here ook niet aan die "kwaad-verzachter" hebben gedacht, toen Hij die omweg toch nog weer zoveel mogelijk doorbrak met de bepaling, dat de hand van de getuigen zich het éérst tegen de zondaar moest keren om hem ter dood te brengen (Deut. 17: 7)? De getuige kan zich ook dan nog inbeelden, dat hij een als het ware onpersoonlijk instrument van de rechtsorde geworden is. Maar aan het rèchtstreeks doden kan en mag hij zich niet onttrekken!
Vooral de wóórden !
Het motief van de omweg is niet verdwenen of uitgestorven. We zullen daarbij vooral moeten denken aan wat we doen met onze woorden. We kunnen met onze woorden de naaste maken en breken. En achteraf zeggen we: "Ik heb alleen maar ... "!
Ik heb alleen maar een oud en waar verhaal verteld. Ik heb alleen maar feiten genoemd. Jawel, toen gingen de broeders en zusters die naaste van mij uit de weg. Ze gingen alle omgang met hem/haar vermijden, zodat niemand meer zorgde voor zijn of haar ziel!
Maar ... “kan ik daar wat aan doen?". Maar de Here zegt: "Dat hèb je gedaan".
Ons gebed
Het ging er in deze serie artikelen om, dat de satan altijd pogen zal ons af te trekken van een werkelijk schuld-belijden en zo van het zoeken van onze gerechtigheid in Christus. Hij wil ons aftrekken van het echte gebed om vergeving, zodat we zonder Gods vrede in deze wereld komen te staan. Hij wil ons natuurlijk ook aftrekken van het echte gebed om, de kracht van de Heilige Geest.
En hij kan het schemer-donker van het omweg-motief daarbij uitstekend gebruiken. De zondaar die niet belijdt (als David in Psalm 51), maar die zichzelf spáárt (als David in 2 Sam. 11 : 25). Laten we aandacht schenken aan Gods heilige "kortsluiting" van onze woorden en daden, zoals Elia die tegenover Achab naar voren bracht!
"Welzalig de mens, wie de Here de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is" (Psalm 32: 2). Let daarbij ook op dat twééde versdeel!