Kanttekeningen bij het artikel "Tweeërlei tongenspraak?" van 26-7-'85.

1985-09-27
  • Jaargang 29
  • nummer 37
De schrijver heeft heel duidelijk uiteengezet dat spreken in tongen, d.w.z. spreken in een vreemde taal, een wonderlijk effect heeft: mensen van buiten Jeruzalem hoorden het evangelie in hun eigen taal. Hij heeft hiertoe diverse Bijbelgedeelten laten spreken. Ik zou graag nog een ander aspect van het spreken in een tong aan de orde stellen zoals beschreven in 1 Kor. 14 vers 4: "Wie in een tong spreekt sticht zichzelf", met daaraan gekoppeld de woorden van vers 2: "Wie in een tong spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot God". Naast het spreken van vreemde talen in de gemeente, zou ik willen stellen het spreken van vreemde talen in de binnenkamer. Zelf ervaar ik deze gave als een zegen. Wanneer ik niet weet wat ik bidden moet, komt de Geest mij te hulp; wanneer ik niet weet hoe ik loven moet, geeft de Geest mij woorden in de mond. De schrijver stelt op het einde van zijn artikel dat alleen de apostelen van de gaven die ze hadden ontvangen konden meedelen. Hoe dan met Ananias? Ananias legde immers Paulus de handen op, opdat hij weer zou zien en met de Geest gedoopt worden! Dit Schriftwoord, gekoppeld aan mijn eigen ervaring, geeft mij de vrijmoedigheid te zeggen dat er ook vandaag nog eenvoudige discipelen zijn die met handoplegging voor anderen mogen bidden om hun geestelijke gaven mede te delen. Bovendien zou het wel erg droevig met de gemeente gesteld zijn als inderdaad slechts de apostelen de gaven van de Geest zouden kunnen ontvangen en doorgeven. Moeten we het dan al sinds de tweede generatie van de christenen stellen zonder de gave van genezing, van geloof, en onderscheiden van geesten? (vgl. 1 Kor. 12: 8-10). Hadden alleen de eerste christenen de gave van het dienen, profeteren, onderwijzen, vermanen, barmhartigheid bewijzen? (vgl. Rom. 12: 6-8). De vraag stellen is haar beantwoorden: Zonder de Geest en de gaven van de Geest zijn we geen gemeente van Christus. Maar gelukkig geldt de belofte van de geestesgaven niet alléén maar voor de apostelen, zoals de schrijver beweert. Paulus zegt: "aan een ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven" (1 Kor. 12 vers 7, vgl. Rom. 12 : 3-6). En daarvoor zijn we niet aangewezen op de apostelen, maar "het is dezelfde God, die' alles in allen werkt" (1 Kor. 12: 4-6). Dat is de belofte voor de eerste christenen èn voor ons. Ook het spreken in een tong hoort daar gewoon bij.

Geachte Mevrouw Streefkerk,
Hartelijk dank voor uw kanttekeningen bij het artikel "Tweeërlei tongenspraak?"
Ik weet dat er velen zijn die uw woorden van harte onderschrijven; zich zelfs aan onze kerken hebben onttrokken omdat de door, u vertolkte opvattingen een plaats in hun 'hart hebben gevonden en deze bij ons alzo niet worden geleerd. Het is daarom nuttig hierbij - in het kort- een reactie mijnerzijds te plaatsen en u daarin het één en ander ter overweging voor te leggen. Het is gelukkig niet zó, dat we het sinds de tweede generatie zonder de gave van de Heilige Geest moeten stellen. De Here is getrouw in het vervullen van al Zijn beloften, ook van de belofte, dat Hij ons de Trooster zou zenden. Dat gebeurde op de Pinksterdag en ik geloof, dat de Heilige Geest ook mij is gegeven, opdat Hij mij door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig maakt, mij troost en bij mij eeuwig blijft (zie Zondag 20 H.C.). Paulus spreekt hiervan in Gal. 4: 6: "God !heeft de Geest Zijns Zoons ingezonden in onze harten" en in 2 Kor. 1 : 22: " ...God, die ook zijn zegel op ons gedrukt en de Geest tot onderpand in onze harten gegeven heeft." , De Heilige Geest is onze Heiligmaker door zijn woning in onze harten. Gode zij dank; wij leven niet zonder de Heilige Geest.
U heeft in mijn artikel beslist niet kunnen lezen, dat deze gave alleen maar voor de apostelen was. Waarover ik schreef was het volgende': één van de bijzondere Geestesgaven en wel de tongenspraak. De bijzondere Geestesgaven hadden alles te maken met het bevel des Heren aan de apostelen: “Gaat heen inde gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping (Marc. 16: 15) en “Maar gij moet in de stad blijven, totdat gij bekleed wordt met kracht uit de hoge (Luk. 24 :49). Eveneens op de Pinksterdag werd die belofte vervuld en die kracht medegedeeld aan de apostelen: de toerusting met de bijzondere gaven van de Geest.
Hoe zouden die eenvoudige mannen anders die geweldige opdracht hebben kunnen uitvoeren?
U 'kunt die bijzondere gaven niet op één lijn stellen met de wijze waarop de Heilige Geest in onze harten wil wonen en werken. Wij kunnen geen aanspraak maken op de bijzondere gaven, die alleen aan de apostelen waren toegezegd en door hen aan anderen konden worden medegedeeld.
Ik 'ben niet jaloers op u omdat u in een vreemde taal in de binnenkamer kunt bidden. Ik behoef dat ook helemaal niet te zijn, want de Here vraagt van mij niet méér dan in mijn vermogen ligt. Jezus zegt tot zijn discipelen: "En gebruikt bij uw bidden geen omhaal van woorden... ; want uw Vader weet, wat gij van node hebt eer gij Hem bidt (Matth.6 :7-8)". Is het niet geweldig, dat wij als kinderen van het verbond tot God kunnen gaan en Hem met de Vadernaam aanroepen? 'Een aardse vader (en moeder) verwacht van zijn 'kind geen prachtige volzinnen waarmee het hem zijn liefde en aanhankelijkheid betuigt of iets van hem vraagt. Nog minder zal onze hemelse Vader ons boos aanzien indien wij Hem in schamele bewoordingen onze lof en dank brengen of iets van Hem vragen. Wij hebben een Voorspraak bij. de Vader: Jezus Christus. Onze gebeden en lofprijzingen, hoe erbarmelijk ook - doch met een gelovig hart - verwoord, komen bij onze Middelaar en Pleitbezorger. Deze brengt me .voor de troon van de Vader, gezuiverd en wel; en wie zal eerder worden verhoord dan de eigen welbeminde Zoon van, God? Hetgeen we lezen in 1 Kor. 14 :4 met daaraan gekoppeld de woorden van vers 2 geeft geen ander aspect aan het spreken in een tong. Het houdt geen aanmoediging van Paulus in om zichzelf daardoor te stichten of een gesprek met God te hebben; doch een vermaning. Die woorden staan in het raam' van alles wat Paulus heeft te zeggen over wat er mis is met het gebruik van de gave 'Van tongenspraak in de gemeente te Korinthe.
Die gave is niet voor privédoeleinden geschonken. 'Het dient om de grote daden Gods te verkondigen aan mensen uit vreemde landen en als een teken voor ongelovigen.
Dus geen gebruik als er geen vreemdeling is en evenmin als er geen uitlegger is.
En daarover geeft Paulus in genoemde verzen de redenen aan: men spreekt alleen tot God en sticht alleen zichzelf, En dat is de bedoeling van die gave niet.
Tenslotte. Paulus was de Here een uitverkoren werktuig om Zijn naam te brengen voor heidenen en koningen en kinderen Israëls. Daartoe moest Paulus, evenals de apostelen, worden vervuld met kracht uit de hoge, het is duidelijk, dat niet Ananias dit door handoplegging heeft kunnen bewerkstelligen, maar dat de Here Paulus - op het moment dat Ananias, als officieel boodschapper, hem de handen oplegde vervulde met de Heilige Geest en hem weer ziende maakte. De Bijbel vertelt ons niet dat Ananias deel had aan de bijzondere gaven van de Heilige Geest. Lucas noemt hem in Hand. 9 : 10 kortweg: een discipel. Paulus noemt hem in Hand. 22 : 1-22 een godvruchtig man naar de wet: vindt de handoplegging blijkbaar niet belangrijk en zegt simpelweg: Ananias ging bij mij staan. Niet belangrijk voor zijn genezing en voor het vervuld worden met de Heilige Geest: wel belangrijk in zijn blind zijn Om te weten: dit is de man, die de Here mij heeft gezonden (Hand. 9: 12).
Naar ik hoop heb ik u - en misschien ook anderen - met bovenstaande regels kunnen dienen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief