Over kunst (2)
1984-06-22
Kunnen we onze handicap - van het onontwikkeld kunstbesef kwijtraken, of zullen we er mee moeten leren leven? Dat was de vraag waarmee we ons eerste artikel besloten.- Jaargang 28
- nummer 25
Het is misschien beter de vraag te stellen of degenen die aan deze handicap laboreren, hun manco wel willen kwijtraken. Immers, niet zelden vertonen zij, naast een impulsief en onwrikbaar oordeel over allerlei kunstproducten, de houding van "ik heb er geen verstand van en het kan me niet schelen ook." Het is niet verwonderlijk dat deze houding ergernis oproept bij hen die zich beroepshalve met kunst bezighouden.
Toch moet toegegeven worden dat het spontane, intuïtieve en op indrukken gebaseerde oordeel heel waardevol kan zijn.
Het impressionistisch oordeel toont soms een kernachtig inzicht, dat het gedegen betoog van de vakman nogal eens mist.
Maar ook al bezit de op aanleg gebaseerde, impressionistische oordeelskracht soms grote waarde, ze is een talent dat ontwikkeld moet worden. En dat wel in de eerste plaats omdat de kunst niet iets vrijblijvends is. In de kunst vinden we verstrooiing, genot, bevrediging van aesthetische gevoelens, maar ook beïnvloeding, boodschap, manipulatie en verhulde manifesten.
Deze wereld is een oorlogsgebied en de kunst is daarin een belangrijke sector, waar het (en ik gebruik nu met opzet de verleden tijd) soms haast vrede leek te zijn, de frontlijn lang niet altijd duidelijk was en bij tijd en wijle vriend en vijand nauwelijks te onderscheiden waren, maar nu heerst er veelal een verbitterde strijd. En goede wapenrusting is dan ook bij onze artistieke activiteiten een dwingende noodzaak.
Telkens weer moeten we ons bezinnen op onze visie op de kunst. Bestaat er dan zo'n visie?
Zeker niet in de vorm van een afgeronde kunstleer. Zoals Kuyper betoogde dat het calvinisme niet tot een eigen kunststijl kon en moest leiden, zo is wellicht op dezelfde gronden een reformatorische aesthetica een onmogelijke en ongewenste zaak.
Blijft het dan zonder een eigen aesthetica niet een onzeker tasten en zoeken? Door onzekerheden zullen we ongetwijfeld geplaagd worden, want de materie waarmee we ons bezighouden, is bijzonder gecompliceerd en, evenals op andere terreinen van het leven, horen we in de aesthetica stem en tegenstem van allerlei aard. We zullen het waardevolle van het waardeloze moeten leren onderscheiden. We zullen de waarden die in de kunst besloten kunnen liggen, op het spoor moeten komen.
Een tweetal opvattingen kan ons daarbij in de weg staan. De eerste is de opvatting van hen voor wie de studie van de kunst uitsluitend historisch bepaald is.
Alles is koren op hun kunstmolen en ze brengen geen deugdelijke kwaliteitsgradatie aan. Ze houden zich verre van een waardeoordeel, van een evaluatie, veelal met de verontschuldiging dat elke evaluatie subjectief en relatief is.
De tweede opvatting is die van hen die wel willen analyseren, maar niet evalueren. Met andere woorden, ze bespreken allerlei aspecten van een kunstwerk, maar laten opzettelijk een waardeoordeel achterwege; hun overweging is daarbij niet zelden dat een duidelijke evaluatie verwijdering schept.
Geen van beide opvattingen zal ons kunnen bevredigen, maar wel zullen wij, om ons uiteindelijk oordeel te kunnen waarmaken, met begrip, ruimhartig en gedetailleerd moeten analyseren.
Een waardenleer
Jaren geleden las ik een artikel van een mij overigens onbekende Pool, Henryk Markiewicz. In zijn artikel groepeerde hij de waarden die in de kunst een rol spelen. Om verschillende redenen trok zijn opzet mij aan en ik heb er sindsdien veel gebruik van gemaakt, al vul ik dit schema van achter het ijzeren gordijn op mijn eigen wijze in.
Markiewicz onderscheidt:
1. de structurele waarden;
2. de verbeeldingswaarden;
3. de gevoelswaarden;
4. de kenniswaarden;
5. de normatieve waarden.
Voor we - noodzakelijkerwijs zeer beknopt - iets over elk van deze waarden gaan zeggen, nog één opmerking. Het is gewenst om in discussies met gelijkgezinden en andersdenkenden deze volgorde aan te houden, al zal een zekere "overlapping" niet altijd te vermijden zijn. Wie, bijvoorbeeld, met de normatieve waarden begint, bekent wel kleur maar overtuigt niet.
Allereerst dan de structurele waarden.
Hieronder verstaan we de waarden die met de structuur, de bouw van een kunstwerk samenhangen.
Er zijn verscheidene structuurelementen en ik noem er - in grotendeels willekeurige volgorde - een aantal.
In de muziek: de tonen en de toonstelsels plus alles wat daarmee samenhangt; maat en ritme; melodie en harmonie; de structuur van de verschillende muziekvormen, zoals lied, cantate, sonate, symfonie.
In de beeldende kunst: het gebruik van het medium (tekenmateriaal, verf, klei, steen, brons); lijn en vlak; kleur en toon; elementen in de compositie, zoals vlakverdeling, ritme, harmonie.
In de woordkunst: het gebruik van de taal (klank, betekenis, syntaxis); metrum en ritme; beeldspraak; de structuur van de verschillende literaire genres, zoals het lyrische gedicht, het drama, de roman.
Alle genoemde aspecten behoren tot de techniek van de kunst; ze hebben betrekking op het "hoe" van het kunstwerk en ze hebben, als ze goed gebruikt worden, een positieve uitwerking.
Ik wil er graag drie opmerkingen over maken:
a) De structurele elementen zijn niet van een lagere orde (tegenover het "wat" van het kunstwerk en we doen er goed aan ze ook niet als van voorbijgaande of veranderlijke aard te beschouwen.
Niet van een lagere orde, want in een geslaagd kunstwerk zijn het "hoe" en het "wat" met elkaar in evenwicht gebracht.
Ook niet als van voorbijgaande aard, want, al lijken bepaalde elementen soms minder modieus te worden of geheel te verdwijnen, wat aan die elementen ten grondslag lag, verdwijnt niet en doet zich in een andere vorm weer voor.
En dan ook niet als van veranderlijke aard, alsof de kunstenaar in volkomen vrijmacht zijn medium kan gaan gebruiken. Die gedachte komt de zich autonoom voelende mens in het gevlij, die meent dat hij ook voor de structuur de normen zelf mag stellen.
Doet hij dit laatste, dan wordt de creatieve mens de gevangene van zichzelf.
b) Vanuit het standpunt van kunst als een door de Opperste Kunstenaar geïnspireerd dienstbetoon dienen we, ook bij deze structurele zaken, te denken in termen van een verticale en een In haar verticale functie moet de kunst gekarakteriseerd worden door 'al wat waar, al wat waardig, al wat rechtvaardig is, al wat rein, al wat beminnelijk, al wat welluidend is, al wat deugd heet en lof verdient (Fil. 4 : 8). Ook in een gebroken wereld rest ons als beelddragers van God nog voldoende besef van het paradijselijk leven. Dat geldt evenzeer voor de horizontale functie, waarin we mogen uitgaan van een onderlinge verbondenheid, die ons als schepselen van God geschonken is in een grote mate van gelijkvormigheid in denken en gevoelen.
Ook zij die de verticale component in hun werk als kunstenaar niet erkennen, kunnen voor ons veel betekenen door hun technisch-aesthetisch vernuft.
c) Wie zijn roeping als kunstenaar wil verstaan en een gezonde kunst wil trachten te scheppen, zal de traditie niet kunnen veronachtzamen. Ook al is in de kunsttraditie niet alles goud wat er blinkt en vraagt ze van ons een kritische opstelling, toch heeft onze goede God in die traditie waardevolle en heilzame elementen voor ons bewaard.
De traditie "de schatkamer van vastgelegde waarden" te noemen gaat wat ver, maar er schuilt een kern van waarheid in.
Anderzijds heeft de kunstenaar het recht, ja de plicht, door zijn eigen unieke visie iets aan de traditie toe te voegen.
Wie alleen maar traditioneel wil zijn, wordt een epigoon.
Wie alleen maar origineel wil zijn, is een revolutionair.
Aansluitend bij wat ik in mijn eerste artikel geschreven heb, zou men het in beeldspraak zó kunnen zeggen: waar op een classicistische stam een romantische loot geënt wordt, zijn de kansen op een goede vrucht misschien wel het best.
Ter afsluiting nog wat losse opmerkingen.
Of men nu passief of actief een kunst beoefent, voor het beheersen van de structurele elementen is studie nodig.
Onderwijs, handboeken, cursussen, kunstcritiek en recensies kunnen ons daarbij helpen. Wie van woordkunst houdt, kan zijn voordeel doen met de Ex librisartikelen van de heer Hoekstra in dit blad.
Overigens blijft bij alle studie een kritisch, gewapend oog nodig.
Vooral met dagbladrecensies is het vaak droevig gesteld.
Er wordt wat aangewauweld: muziekrecensies die alleen maar de prestaties van de uitvoerende kunstenaar(s) vermelden, maar horizontale lijn.
over de kwaliteit van het uitgevoerde werk zelf geen zinnig woord zeggen; rapporten van galeriebezoeken, waarbij elk -isme omhooggeschreven wordt, zolang het maar opzienbarend is; romanrecensies die vrijwel uitsluitend de korte inhoud van het te bespreken boek weergeven en waarin geen spoor van beoordeling te vinden is.
En dan is er ook nog de voor de kunstenaar en criticus prettige omstandigheid dat hoe hoger de eerste op de ladder stijgt, hoe eerbiediger de laatste over de kunstenaar en zijn werk kan gaan schrijven. De kunstenaar en zijn werk kan gaan schrijven.
De kunstenaar heeft dan het stadium van “beyond criticism" bereikt - hij is de kritiek voorbij.
Speciaal in de muziek en in de beeldende kunst zijn eenmaal verworven posities haast onaantastbaar.
In de letterkunde is herwaardering, naar het lijkt, een meer voorkomend verschijnsel, maar die is dan ook "de redelijkste van alle kunsten" genoemd.
Tenslotte wil ik graag toegeven dat mijn betoog enerzijds de kunstwereld als strijdtoneel tekent en anderzijds op een zeker cultuuroptimisme gebaseerd lijkt.
Toch ken ook ik uitlatingen als van E. Brunner (Dogmatik, deel 111, p. 354): 'Die Christen können nicht die Welt, das heisst die Menschheit so "heiligen" , wie sie sich selbst heiligen sollen.' (De christenen kunnen de wereld, dat wil zeggen de mensheid, niet zó "heiligen", als ze zichzelf heiligen moeten). Maar dit alles werpt nieuwe vragen op en we waren nog doende met de vraag waarmee dit artikel begon.
Eerst moeten in dit verband de andere waarden nog besproken worden.