Over kunst (3)
1984-06-29
Kunnen we ons onontwikkeld kunstbesef kwijtraken? Die vraag beheerste mijn tweede artikel en zal ons blijven bezighouden.- Jaargang 28
- nummer 26
De strekking van mijn betoog is, hoop ik, duidelijk geweest. Zonder enige kennis van zaken blijft het kunstbesef onontwikkeld en in mijn bijdrage tot een bespreking van de zaken heb ik de nadruk gelegd op de waarden die in de kunst een rol spelen. Na de structurele waarden komen nu de verbeeldingswaarden aan de orde.
Wie maar enigszins bekend is met de Romantiek, weet hoe zeer in die kunststroming gepleit werd voor de rechten van de, voordien aan de rede gekluisterde, verbeelding, de fantasie. Nog steeds geldt het als een aanbeveling als een kunstenaar "over een rijke fantasie beschikt", of "door zijn fantasie onze blik verruimt", of ons "nieuwe werelden binnenvoert."
Hoe duidelijk zulke uitdrukkingen ook lijken te zijn, we stoten bij de verbeeldingsaspecten (en ook bij de gevoelsaspecten) op een probleem waarover door de critici verschillend gedacht wordt.
Ligt die rijke fantasiewereld bij de producent en zijn werk of bij de kunstconsument?
De vraag lijkt op het eerste gezicht een theoretisch grapje te zijn, maar dat is ze toch allerminst.
Er bestaan grote verschillen tussen de fantasieën die bij een aantal hoorders opgeroepen worden door een bepaald muziekstuk en elk van hen zal haar of zijn reactie volkomen juist en verdedigbaar achten, ook al associëerde de componist zijn werk met iets heel anders. (De proef is uitstekend te nemen met de Préludes van Debussy.) Dergelijke experimenten zouden ook met een schilderij, een gedicht, of een novelle uit te voeren zijn.
Het is duidelijk wat er gebeurt, als men aan die verschillende subjectieve reacties voorrang verleent bij het spreken over kunst. Kunstbeleving en kunstcritiek worden dan als een volkomen persoonlijke zaak beschouwd en de gelijkvormigheid van denken en gevoelen, waarover ik in mijn tweede artikel sprak, als een illusie terzijde geschoven.
Het zijn altijd weer dezelfde soort lieden die deze situatie als juist en aantrekkelijk aanvaarden.
Men zou denken dat ze nu ook alle kunst overbodig achten, maar dat is veelal niet zo. Ze zijn echter liefhebbers van wat de Duitsers "eine romantische Verwirrung" genoemd hebben.
Het zijn meestal romantici, die voor zichzelf alle vrijheid bij hun kunstgenot opeisen.
In het reageren op kunst schuilt inderdaad wel een subjectief element en ik meen dat dit ook in verband staat met het ST-proces, waarover ik in mijn volgende artikel wat meer hoop te zeggen.
Toch bezit naar mijn opvatting - en ik sluit mij hierin bij het merendeel der critici aan - het met zorg en vakmanschap vervaardigde kunstwerk voldoende objectieve eigenschappen om van een voorspelbare en controleerbare uitwerking te kunnen spreken.
Dit zal wellicht bij de muziek het minst het geval zijn, bij de beeldende kunst duidelijk meer en het meest bij de redelijkste van alle kunsten, de woordkunst.
Laten we terugkeren tot de kunstenaar, die in zijn werk "over een rijke fantasie beschikt", of "door zijn fantasie onze blik verruimt", of ons "nieuwe werelden binnenvoert."
Deze cliché's zijn niet neutraal; ze bevatten een positief-klinkend element: "rijke", "verruimt", "nieuwe werelden".
Het staat aan ons, consumenten en daardoor tevens critici, om te beoordelen of deze positieve beschrijving verdiend is. Het kan een genot zijn buiten onze, door eigen ervaring begrensde wereld te treden, maar bij dit alles moeten we wel weten wat we nu eigenlijk appreciëren en tegelijkertijd wat we behoren te appreciëren.
En met het werkwoord "behoren" zijn we buiten het gebied van de fantasie getreden.
De gevoelswaarden
Weer kunnen we het Classicisme met zijn beheersing van het gevoel en de Romantiek met haar overmaat aan gevoel tegenover elkaar plaatsen.
Maar classicistisch of romantisch, het goede kunstwerk brengt een gerichte gevoelsreactie voort. Ook ten aanzien van die gevoelsreactie wordt onder critici weer verschillend gedacht.
Onder hen zijn er die het gevoel voor het schone, onze aesthetische gevoelens, in een aparte categorie plaatsen, los van de gevoelens die in het gewone leven een rol spelen. Hun sterke punt is ongetwijfeld dat, wat in het leven van alledag tegenzin, afkeer, of zelfs walging oproept, in de kunst zó uitgebeeld kan worden, dat van een negatieve gevoelsreactie geen sprake meer is.
Deze critici hebben de neiging van de kunst en reservaat voor fijngevoelige aestheten te maken, waarin de normale waarden en normen niet meer gelden. Op deze wijze wordt de kunst een zaak voor ingewijden gemaakt.
Anderen hebben met meer recht betoogd dat de gevoelens die door een kunstwerk worden opgeroepen, essentieel niet anders zijn dan de gevoelens in de gewone levenservaring.
Kunst hoeft dan geen zaak voor de "happy few" te zijn.
Een tweede moeilijkheid bij het definiëren van gevoelselementen is dat we bemerken dat de totale psyche met haar verstandelijke elementen en haar wils- en driftleven een rol gaat spelen.
Misschien is het nu het juiste moment om iets te zeggen over de benadering van de kunst die psychologisch (of dieptepsychologisch) van opzet is. Het gevaar van deze benadering is dat ze zich meer met de kunstenaar dan met het kunstwerk gaat bezighouden.
Vooral in deze tijd, waarin veel kunstenaars zich, reclametechnisch gesproken, bijna volmaakt weten te afficheren, is dit gevaar bijzonder groot, vooral in een klein land.
Anderzijds moet ook erkend worden dat de psychologisch-georiënteerde kritiek ons inzicht in een kunstwerk aanzienlijk kan vergroten.
Ondoorzichtige situaties in gedichten en romans kunnen, wanneer de gewone mensenkennis te kort schiet, opgehelderd worden en we moeten dankbaar zijn voor alle exegese die werkelijk helpt.
Daarnaast is het echter nuttig te bedenken dat kunstkritiek in gesproken en gedrukte vorm haast een tak van industrie geworden is en de luisteraar, de kijker en de lezer moeten niet vergeten dat de inzichten die ze zichzelf na rijpe overweging over een kunstwerk gevormd hebben, tenslotte belangrijker zijn dan de meningen die ze zich klakkeloos hebben laten opdringen.
Als we gevoelloosheid als negatief aanmerken, betekent dat nog niet dat alle gevoelselementen even zo vele positieve gevoelswaarden zijn. Op de gevoelselementen - positieve en negatieve behoeven we niet om artistieke redenen op een buitenissige wijze te reageren. Ook nu moeten we weten wat we appreciëren en wat we behoren te appreciëren.
En weer beseffen we dat kunst, al staat ze niet ten dienste van iets anders, wel heenwijst naar iets wat buiten de kunst ligt.
De kenniswaarden
Psychologen, sociologen, anthropologen en filosofen, zij allen hebben de kunst en in het bijzonder de literatuur veel gebruikt als bron van kennis en als illustratiemateriaal.
Daarnaast willen velen, zonder wetenschappelijke bedoelingen, speciaal door de roman hun ervaringskring vergroten en zo kennis verkrijgen van personen en situaties die zij op andere wijze niet kennen. Het is niet voor niets dat de roman opgang maakte, toen de mens zich in de achttiende eeuw meer en meer geïsoleerd ging voelen.
In ons bestek is het natuurlijk onmogelijk en ook onnodig om aan te geven hoe de bovengenoemde wetenschapsmensen van de kunst gebruik maken, maar het is niet ondienstig hier iets te zeggen over de politiek-gekleurde kunstvisie die we onder marxisten aantreffen. Vooral wanneer zij de roman uit verleden en heden analyseren, gaat hun belangstelling heel selectief uit naar een zeer bepaald kenniselement, namelijk, naar de in de roman getekende maatschappijstructuur.
Wanneer deze nog de bourgeois eigenschappen vertoont, zal de roman in alle opzichten op de waarden van die maatschappij gebaseerd zijn.
Vanuit het standpunt van de klassestrijd moeten die waarden bekritiseerd worden en zo zijn we van kenniselementen en kenniswaarden .als vanzelf bij de normatieve waarden aangeland.
Een mistroostige Amerikaanse marxist verklaarde jaren geleden dat er nog geen roman verschenen was die aan alle marxistische eisen voldeed.
In een publicatie van de Wiardi Beekman Stichting (P.v.d.A.), De kunst van het socialisme, die enkele jaren geleden verscheen, werd een wat subtieler en minder dogmatisch standpunt ontwikkeld, maar ook hier is er geen twijfel over hoe de kunst moet functioneren. Weer worden kenniselementen onlosmakelijk met normatieve waarden verbonden.
Zo wordt betoogd dat "de sociaal-kritische functie veruit de voorkeur verdient om als basis van socialistisch kunstbeleid te dienen". Dit houdt in "ontvankelijkheid stimuleren voor het instabiele, eerder dan voor het stabiele"; de mensen "desoriënteren"; "de vaste betekenis van normen" aanvechten.
Laten we onze pas nog even inhouden voor we tot de bespreking van de normatieve waarden overgaan.
Nog één opmerking, die een waarschuwing en een tikje zelfbeklag behelst. Een te grote nadruk op de kenniselementen van een kunstwerk kan dit gemakkelijk van zijn karakter beroven.
Het wordt in plaats van een artistieke levensvisie tot een object van studie. Vooral degenen die zich beroepshalve met kunstbeschouwing bezighouden - de musicoloog, de kunsthistoricus, de literator - lopen het gevaar aan een tragische beroepsdeformatie te gaan lijden. Tot hun schade bedrijven ze tenslotte alleen nog maar een soort steriele kunstanatomie.
Volgende keer over de waarden die principiële mensen veelal het meest ter harte gaan: de normatieve waarden.