God bij name kennen! 1)
1984-07-13
Wij gaan lang niet met iedereen om in even intieme relatie.- Jaargang 28
- nummer 27
De band waarin man en vrouw elkaar in het huwelijk “kennen” is b.v. oneindig veel intiemer dan “de kennis" die wij aan onze buren hebben.
De graad van intimiteit in de omgang komt o.a. tot uitdrukking in de manier) waarop wij anderen aanspreken. Er zijn heel wat mensen) die wij “in funktie" kennen en aanspreken.
We zeqqen dan b.v. “juf” op school) en “goede morgen dokter (of bakker)" tegen leveranciers en anderen, die min of meer ambtshalve diensten aan ons verlenen.
Het kan gebeuren, dat wij met de dokter nader kennismaken.
Dat hij eens, niet in funktie, een gezelligheidsbezoek komt afleggen, mèt zijn vrouw. En als dat nog eens en nog eens gebeurd is, kan het zijn, dat ze op zekere dag zó vertrouwelijk met ons geworden zijn, dat hij voorstelt: zullen we elkaar voortaan tutoyeren?
Zeggen jullie maar "Henk en Miep".
"De dokter" (de ambtelijke relatie) is dan onze vriend geworden.
Zoiets heeft ook tussen God en Israël plaats gevonden. Ook in de Bijbel geldt "elkaar bij name kennen" als teken van intieme vertrouwelijke, vriendschappelijke omgang, Exodus 33: 12, 17, verg. 33 : 11 ("gelijk een man spreekt met zijn vriend") en Numeri 12: 7 "vertrouwd als hij, Mozes, is in heel Mijn huis".
In de tijd van Israëls verdrukkingen in Egypte heeft God de stap van toenadering gedaan, dat Israël Hem bij name mocht kennen.
Toen heeft God voorspeld, via Mozes: Israël, zeg voortaan maar "Jahwè". Dat dit inderdaad een nieuw voorrecht was, blijkt duidelijk uit Exodus 6:2 "Ik ben Jahwè. Ik ben aan Abraham, Isaäk en Jakob verschenen als 'God de Almachtige'(hebreeuws: El Sjaddai), maar met mijn naam “Jahwè" ben Ik hun niet bekend geweest".
De aartsvaders gebruikten voor God dus de soortnaam (of: ambtsnaam), die bij alle semitische volkeren voor hun goden in gebruik was: El (vergelijk arabisch: Allah). Ter onderscheiding van de goden der volkeren zeiden ze erbij: "Sjaddai", Almachtige.
Maar een náám is dat natuurlijk niet. Pas sinds Mozes' tijd heeft God toegestaan, Hem bij Zijn naam te noemen.
Het is ontroerend, te zien onder welke omstandigheden God die stap van toenadering goedgevonden heeft: toen Israël zich in de diepst mogelijke ellende bevond.
Immers, toen de farao van Egypte begonnen was aan de uitvoering van een plan, waardoor Israël eenvoudig zou worden uitgeroeid, Exodus 1. Een plan dus, dat vergelijkbaar was met Hitlers "definitieve oplossing van het Jodenvraagstuk".
In die ellende heeft God Zich over dat ten dode opgeschreven slavenvolkje ontfermd, en gezegd: voortaan moogt u Mij bij name kennen. Zeg voortaan maar "Jahwè" als ge Mij aanroept.
Gij doorgrondt en kent mij
De betekenis van de naam Jahwè leren we kennen uit Exodus 3.
God gaf Zijn nieuwe naam eerst door in de Ik-vorm: "Ik ben", 3 : 14. De Hij-vorm daarvan luidt in het hebreeuws Jahwè, wat dus eigenlijk niets meer betekent dan "HIJ IS".
Maar wàt is God dan voor Israël?
Uiteraard moet het verband dat uitwijzen. Nu, dat verband is duidelijk genoeg. We hoeven alleen maar te letten op de voorafgaande verzen 7 en 8.
Daar zegt God: "Ik heb terdege GEZIEN de ellende van mijn volk, dat in Egypte is, en hun gejammer over hun drijvers GEHOORD. Ja, Ik KEN hun smarten. Daarom ben Ik NEDERGEDAALD om hen uit de macht van de Egyptenaren te redden."
Als God in aansluiting hierop goed vindt, dat Israël Hem voortaan mag noemen: Iahwè, "Hij Is", dan betekent dat: Hij is zó voor Israël als Hij zopas gezegd heeft: met ogen, die onze smarten zien; met oren, die ons gekerm horen; met een hart, dat ons in onze ellende kent; en met een machtige arm, die nu in beweging komt ons ons te verlossen.
ZÓ "IS HIJ", voor Israël.
En dat zéér zeker. God heeft deze beloften van Zijn naam zelfs met een krachtterm aan Israël bezworen, namelijk in de uitdrukking "Ik ben, die Ik ben", 14a.
Dat is een Oosterse manier van spreken, om door herhaling te onderstrepen wat men belooft of beweert. Zoals Pilatus zei "Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven", Johannes 19: 22 (d.w.z.: dat staat er nu, en dat verander ik niet), zó heeft God de beloften, die met Zijn naam gegeven zijn, echt op z'n Oosters aan Israél bezworen: "Zo bèn Ik voor u, ja, zo bèn Ik voor u!"
En dat is Israël toen ook uit de feiten gewaar geworden. Want vanaf dit moment is Jahwè begonnen, Israëls egyptische gevangenis door grote gerichten open te beuken.
lsraël is dus Egypte uitgegaan, en als natie de geschiedenis ingegaan met een God, die niet ver-en-vreemd voor hen was (zoals de afgoden van de heidenen), maar die zich bij name bekend had gemaakt. Die onder die naam machtige verlossingsdaden voor Israël deed, en goed vond.
ja, graag wilde, dat heel Israël en iedere Israëliet altijd zó op Hem rekenen zou. Jahwè heeft er immers met het oog op de verre toekomst bij gezegd: "Dit is mijn naam voor eeuwig, en zo wil Ik aangeroepen worden van geslacht op geslacht", Ex. 3 : 15.
In Israëls Wijsheidsboeken, zoals Psalmen, Spreuken enz., vinden we daarvan dan ook volop de weerklank.
"De naam van Jahwè is een sterke toren; de rechtvaardige vlucht daarheen en is onaantastbaar", Spreuken 18: 10.
"Wij loven U, 0 God, wij loven U, want nabij is Uw naam, men vertelt uw wonderen", Ps. 75: 2.
Heel veel van Israëls Psalmen zijn niet anders dan lofliederen op Gods naam "Jahwè". Zoals het verband, waarin die naam voor het eerst werd bekendgemaakt, a.h.w. zijn betekenis moest invullen (HIJ IS ... , wat Hij zopas gezegd had), zo heeft Israël in zijn Psalmen dat "IS" van Gods naam steeds verder ingevuld, vanuit steeds nieuwe verlossingservaringen .
Dat begon al meteen bij de doortocht door de Rode Zee. Toen heeft Mozes Israël een lied geleerd, waarin hij invulde: "Jahwè is ... een Krijgsheld!" Exodus 15 : 3.
En David heeft het - typische vanuit zijn levensomstandigheden (hij was eerst herder van gewone schapen, en later van de schapen van Israël) - zo gezegd: "Jahwè is... mijn Herder", Psalm 23.
Zo zijn er vele "Jahwè-liederen", in een rijke ontvouwing van die naam. Deze Psalmen belijden àllemaal Gods nabijheid bij Zijn volk, en ze spreken ook dikwijls van "de ogen" van Jahwè, die destijds Israëls verdrukkingen in Egypte zagen, en van "de oren" van Jahwe, die hun gekerm hoorden.
In Psalm 34: 16-19 b.v. vinden we héél de omgeving van Jahwè's naamsopenbaring in Exodus 3 in ander verband terug.
En Psalm 139 is een heel teer, hartelijk lied over Jahwè's nabijheid, met Zijn ogen, oren en hart bij ons, in het héél gewone, dagelijks leven van opstaan en nederliggen, van zorgen en gedachten. Ook die Psalm begint met de naam Jahwè: "Jahwè, Gij doorgrondt en kent mij ... "
Vrijmoedig gebruik van Gods naam
Israël heeft ook in het publieke leven Jahwè vrijmoedig en veelvuldig bij Zijn naam durven en mogen noemen. Zo stelde God er b.v. een eer in, dat Israël zijn eden zou zweren bij Zijn naam, Deuteronomium 6 : 13, 10 : 20.
Ook heeft Israël niet de minste schroom gekend, om de naam van God te verwerken in de namen, die men aan zijn kinderen gaf. Iedere bijbellezer kent rissen namen, die beginnen met “Jeho-" of "Jo-", of die eindigen met ,,-ja". Zo trok de naam Jahwè samen, wanneer men die in een persoonsnaam verwerkte.
Een naam als ,,]o-ahaz" oftewel “Ahaz-ïc" betekent: Jahwè greep mij vast, ondersteunde mij. En Jo-chanan oftewel Chanan-ia betekent: Jahwè is genadig. In het N.T. komt die naam voor in de vorm van "Johannes", en ze is in vele europese talen overgenomen: als John, Giovanni, Jean, Juan, enz.
Zo was de goede naam van Israëls God iedere dag, en de hele dag door, op de lippen van Zijn volk. Zelfs wanneer zij elkaars namen riepen, prezen zij daarin de naam van Jahwè nog. En God had dat blijkbaar graag zo. De eerste die de vrijmoedigheid heeft gehad om een mens te vernoemen naar Jahwè is niemand minder geweest dan ... Mozes.
We lezen in Numeri 13 : 8 immers, dat hij zijn dienaar naar Jahwè vernoemde. Die dienaar heette oorspronkelijk Hoséa.
Daaruit blijkt, dat zijn ouders midden in de egyptische verdrukking gelovig hebben verwacht, dat God Zijn volk uit zou redden.
Want Hoséa betekent: "Hij (nml, God) redt". Maar Mozes is zo vrijmoedig geweest om dat on-persoonlijke "Hij" te vervangen door de kostelijke naam, die God inmiddels van Zichzelf had bekend gemaakt. Zo werd het "toen: Jo-zua, Jahwè redt. Dezelfde naam, die onze Here Jezus Christus hier op aarde heeft mogen dragen, en die Hij Zich zo volkomen waardig heeft getoond!
"Jezus" is een aramese vervorming van "Jozua".
Vertrouwelijke omgang met God
Wij begonnen dit artikel met de opmerking, dat wij lang niet met iedereen omgaan in even intieme relatie. Dat onze omgang binnen de gezins-, familie- en kennissenkring veel intiemer, vertrouwelijker, is dan die binnen onze zakelijke en ambtelijke relaties.
Wij hebben nu gezien, dat de omgang van Israël met Jahwè er één heeft mogen zijn van een zo grote vertrouwelijkheid als in de gezins-, familie- en kennissenkring.
Hóe grote eerbied de Israëlieten als mensen, als schepselen, ook schuldig waren aan hun Schepper en Verlosser, toch deed dat niets af van deze vertrouwelijkheid in de omgang met God.
Het Hebreeuws heeft voor "vertrouwelijke omgang" één kort woord: sood. Het wordt in de Bijbel gebruikt voor: vriendenkring, Jeremia 6: 11, 15: 17; voor: gezelschap van Godvrezenden, Psalm 111 : 1; ook voor de heimelijke beraadslaging van bozen, Genesis 49 : 6; voor heel intieme omgang tussen boezemvrienden, Psalm 55 : 15; en voor het overleg dat God houdt met Zijn profeten, Amos 3 : 7 (verg. Genesis 18 : 17 v.v.).
Dat woord, dat wij in onze talen omschrijven moeten met twee woorden (vertrouwelijke omgang), is nu hèt bijbelse woord voor de omgang van de rechtvaardigen met God.
Als Job terugziet op de bloeitijd van zijn leven (voordat die vreselijke rampen hem troffen), omschrijft hij die tijd zo: "Toen Gods vertrouwelijke omgang (sood) in mijn tent toefde; Toen de Almachtige nog met mij was.
En mijn kinderen rondom mij waren."
Zo mogen kleine, nietige mensen verkeren met de grote, almachtige God. Niet in godsdienstige plechtigheden, "volgens protocol", zoals op een audiëntie bij een hoogwaardigheidsbekleder, maar gewoon vertrouwelijk, zoals met je ouders.
En niet in een aparte, gewijde sfeer (een van "de wereld" afgezonderde "geestelijke sfeer") maar gewoon, midden in het dagelijkse leven, terwijl je kinderen rondom je zijn, en die doen niet godsdienstig ...
Psalm 25: 14 zegt: ,,Jahwè's vertrouwelijke omgang (sood) is met wie Hem vrezen, en zijn verbond maakt hen daarmee bekend".
D.w.z.: door met [ahwè te leven in Zijn verbond (bij het bloed der verzoening, bij de onderwijzing van Gods Woord, enz.) leren we dat intieme verkeer.
Wij moeten het inderdaad "leren"!
1) Dit artikel is een onderdeel van een manuscript van wijlen ds K. C. Smouter, dat onvoltooid is gebleven.
De bedoeling was om er een boekje over het Onze Vader van te maken.
Het artikel werd niet eerder gepubliceerd.