Opbouw(en)

1984-07-13
  • Jaargang 28
  • nummer 27
Het spreekt vanzelf, dat ik de verwante woorden als opbouwen en opbouwing ook zal bespreken. Ze herinneren ons aan het bouwen van een huis. In de taal van veel gelovigen is in plaats van opbouwen het woord stichten veelal gebruikt. En daaraan is een betekenis gehecht, die in het woord opbouwen niet zit. Men dacht daarbij aan een ontroering-wekkende preek of aan een gemoedelijk woord. Stichtelijk kreeg zo een wat zoetelijke, gemoedelijke klank. Terwijl het bouwen van een huis bijvoorbeeld daaraan helemaal niet doet denken. De stenen worden pasklaar gemaakt) als het nodig is behouwen.
Dat is bij de opbouw van de gemeente of de afzonderlijke leden wel eens nodig. Maar laten we nagaan welke betekenis dit woord in het Nieuwe Testament heeft.

Om met een uitspraak van de Here Jezus te beginnen: Volgens Matth. 16 heeft Petrus beleden: "Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God".
Daarop zei de Heiland: "Gij zijt Petrus en op deze pertra zal Ik mijn gemeente bouwen".
Christus is dus de bouwmeester.
Hij vergadert door zijn Woord en Geest zijn volk. Dat door apostelen, profeten en Evangelisten is verkondigd en nog door allerlei dienaren wordt gepre dikt. En wel op deze "petra".
Dat is op de belijdenis van Petrus.
Paulus noemt Christus ook het fundament. Niemand kan een andere grondslag leggen dan gelegd is. Hij is volgens de Schrift ook de hoeksteen, waardoor het hele gebouw, heel de gemeente wordt bijeengehouden. En omdat Hij de gemeente bouwt en bewaart en onderhoudt zullen de poorten der hel haar niet overweldigen.
Tal van gemeenten kunnen verdwijnen, hele streken, die eens christelijk waren kunnen weer vervallen tot heidendom of mohammedanisme.
Maar dan bouwt Christus in Oost of West, Zuid of Noord verder aan het gebouw, dat naar Gods bestek in eeuwigheid zal rijzen.

Vooral in de brieven van Paulus wordt dan gesproken van opbouwen en verwante woorden.
Bijvoorbeeld in Rom. 14. Er was in Rome een kwestie gerezen tussen Joden- en heiden-christenen.
Over het eten van vlees.
Dat vrijwel altijd vlees was uit het slachthuis, dat aan de afgoden was geofferd. Daartoe, tot het eten van dit vlees, konden Joden-christenen moeilijk komen.
Dát deden ze als Joden nooit en mocht dat nu wel? Ze bezwaarden hun geweten als ze dit wél deden. Als heiden-christenen hen er nu toe brachten het wél te eten, dan verleidden ze hen eigenlijk tot zonde. Het is immers niet geraden iets tegen z'n geweten te doen. Op zichzelf heeft Paulus tegen het eten geen bezwaar. Maar om de Jodenchristenen niet te ergeren, d.w.z. hen tot zonde te verleiden, daarom vermaant hij de heiden-christenen geen vlees te eten. Anders breekt men de gemeente af, verstoort de vrede. Dat doet de liefde niet. Die bouwt op. Als het nodig is voor opbouw van de gemeente, laat men dan helemaal geen vlees eten of wijn drinken.
Het Koninkrijk der hemelen bestaat toch niet uit eten of drinken, maar in rechtvaardigheid en vrede en blijdschap door de H. Geest. Dat geldt nog voor ons.
We mogen niemand "ergeren", d.w.z. tot zonde verleiden. Wat vanzelf niet wil zeggen, dat er in liturgie bijvoorbeeld nooit iets nieuws mag ingevoerd worden.
Ons gebruikelijk woord ergeren heeft een andere betekenis dan het woord van het N.T.

In 1 Kor. 10 komt dezelfde kwestie aan de orde. Daar schrijft Paulus dat alles wel geoorloofd is (alle vlees eten), maar alles is niet nuttig. Want het bouwt niet op. Wie als heidenchristen maar eet, wat het vleeshuis biedt, denkt alleen aan zichzelf, niet aan de Joden-christen.
Diens geweten wordt in gevaar gebracht. Dat is niet broederlijk, zo doet de liefde niet. Nu is dat vanzelf geen kwestie meer voor ons. Maar er zijn wel andere.
Als die niet het Evangelie betreffen, maar kleinigheden, dan zullen we ver meegaan met hen die in een of andere zaak bezwaren hebben. Bijvoorbeeld geen alcohol meer drinken z'n leven lang.
Als we een broeder of zuster in gevaar zouden brengen, enz.

Dat alles wil niet zeggen, dat voorgangers of gemeenteleden elkaar onderling niet streng mogen vermanen als dat nodig mocht zijn. Paulus heeft de Korinthiërs scherp moeten aanpakken.
Die bevoegdheid heeft hij van de Here gekregen. Om op te bouwen en niet af te breken.
Maar als hij afbreekt doet hij dat omdat er toestanden zijn, die niet deugen. Bij het bouwen van een huis moet ei ook wel gehakt en gebikt worden. Om het geheel goed in mekaar te laten sluiten.
Zo moet het verkeerde uit de gemeente worden verwijderd.
Dat mogen gemeenteleden ook bedenken. Ik denk aan een tekst uit het O.T.: "Gij zult uw naaste niet haten in uw hart, gij zult hem naarstig berispen en de zonde in hem (of haar) niet verdragen".
Dat is ook naar Matth. 18!
Het is te vrezen dat dit weinig gebeurt. Dat moeten voorgangers maar doen!" Maar dat is niet naar het Evangelie. Vanzelf moet niet op elke slak zout gelegd worden. En de vermaning moet met wijsheid en liefde gegeven worden. Om te behouden.
Doch het moet wel gebeuren.
We zullen toch op elkaar acht geven?

In Efeze 4 komt het woord enkele malen voor. In v. 12 zegt Paulus, dat Christus o.a. gegeven heeft herders en leraars om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon. Aan elkander. Om de gemeente op te bouwen, tot het bereiken van de eenheid des geloofs en tot de volle kennis van de Zoon van God. Opdat de gemeente niet onmondig blijft (wat ze veelal is), en niet meewaait met allerlei wind van leer.
Door dwaalleraars met meest slechte bedoelingen. Die van de waarheid van het Evangelie aftrekken.
De gemeente moet een eenheid vormen die ze alleen kan vinden in Christus. Aan die eenheid moeten alle leden der gemeente meewerken. Zoals alle organen en geledingen van een lichaam werken aan de gezondheid van het geheel. Als één lid lijdt lijdt het geheel mee. En dan moeten allen meewerken om het lichaam weer gezond te maken.
Of we kleine of grote gaven hebben, dat doet er niet toe. Als we er maar mee doen wat we moeten doen. Wie niet tot jaren van onderscheid kwam is vrij van dienst. Maar anders niemand.
Als we het eens zover brachten!
Samen als één man tégen de wereld en onderling door liefde verbonden. "We zijn leden van elkaar", zegt Paulus. Het deugt niet als we als los zand aan elkaar hangen. Wat vooral in een massale gemeente zo is. Dan vormen we geen gemeente meer.
Al heten we dan wel een kerk.
En nog wel een "grote". Maar waar is dan de "gemeenschap der heiligen", waaraan we met de 12 artikelen zeggen te geloven?

Telkens blijkt in de Schrift, dat alle leden der gemeente, mannen en vrouwen, broeders en zusters met kleine of grote gaven mee zullen werken aan de opbouw van het geheel. Dat moet per se niet aan voorgangers en aan een ijverige en meelevende kern worden overgelaten. We moeten elkander niet alleen opwekken tot geloof, maar evenzeer tot de liefde; niet alleen om zuiver te zijn in de leer, maar ook in het leven; niet alleen in woorden maar ook in daden. In Ef. 4: 29 lezen we: "Geen liederlijk woord kome uit uw mond, maar als gij een goed woord hebt tot opbouw, waar dit nuttig is, opdat zij die het horen genade ontvangen".
Er staat ergens, dat door de vermaningen genade wordt uitgedeeld. Wat stellig evenzeer gezegd kan worden van vertroostingen. Over het algemeen zijn in de loop der eeuwen de kerken meer gespitst geweest op zuivere leer dan op zuiver leven, naar aanwijzingen van het Evangelie. Waarom worden voorgangers geschorst? Bijna altijd en alleen om de leer. Vaak ook nog om een leer, die geen echte leer is. Vaak om een formule van één van de zgn. grote mannen van de Kerk. Zij hebben de gemeente in haar eenheid meer afgebroken dan opgebouwd.
Als men in Korinthe begon te roemen in Petrus, Paulus of Apollos dan is dat afbraak en geen opbouw. Paulus gaat er dan ook scherp tegen in en noemt het vleselijk gedoe. Vanzelf kan men van "grote" mannen wel goeds leren. Maar het is niet best als volgelingen bij het gesproken of geschreven woord van een voorganger zwéren. Niemand heeft de waarheid in pacht. Christus is de Waarheid en Hij alleen.
En Hij is ook het Leven. We hebben Hem niet alleen te volgen in zijn leer, maar ons ook te houden aan wat Hij bevolen heeft.
In dat verband staat ook Ef. 4 : 29. Van 17-32 gaat het daar over de nieuwe levenswandel geheel in overeenstemming trouwens met de woorden van Jezus aan het slot van de Bergrede, één van de meest vergeten gedeelten van het N.T. Maar nog altijd geldend: "Een ieder nu, die deze mijn woorden hoort en ze doet zal gelijken op een verstandig man, die zijn huis bouwde op de rots.
En de regen viel neer en de stromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis en het viel niet in, want het was op de rots gegrondvest. En ieder, die deze mijn woorden hoort en ze niet doet, zal gelijken op een dwaas man. Die zijn huis bouwde op het zand. En de regen viel neer en de stromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis en het viel in en zijn val was groot". Hier komt ook het woord bouwen voor. Het past m.i. wel in dit geheel.

Tenslotte haal ik nog aan 1 Thess. 5 : 11: "Vermaant elkander en bouwt elkander op, gelijk gij ook doet". Het staat in een gedeelte over de wederkomst van Christus. Paulus heeft daarin z'n lezers getroost en vermaand, Dát moeten leden van de gemeente elkaar ook doen. En zo elkaar opbouwen. Ik schreef voor 20 jaar al in een kommentaar: "Dit wordt meestal overgelaten aan Ambtsdragers. En men vergeet, dat elke gelovige die taak heeft. 'k Heb in m'n pastorale praktijk zelden gemerkt, dat er van vertroosten en vermanen veel terecht kwam. We hoeven de eerste gemeenten niet idealiseren. Er ontbrak genoeg.
Maar we krijgen toch de indruk, dat daar meer "gemeenschap der heiligen was dan bij ons.”

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief