Over doop en over-doop (2)
1985-01-11
De doop is niet een zinnebeeld van wat een mens met God doet, maar van wat God met een mens doet, zo luidde de konklusie van het artikel van vorige week. Dat een mens wordt overgeplaatst uit de macht van de duisternis in het rijk van Gods Zoon, dat is Góds werk. En de doop markeert die overplaatsing, zoals de 'doop' in de Schelfzee de overplaatsing van de Israëlieten uit het slavenhuis in Gods vrijheid markeerde (I Cor. 10: 2). Maar dan wordt het van het grootste belang-om een helder zicht te krijgen op het hoe en wat van die geweldige overgang in het leven van een mens. Wanneer vindt die plaats? En welk aandeel heeft een mens zelf daarin? Want we zijn toch geen vóórwerpen, die door God worden ontfutseld aan de boze? We moeten toch zelf willen, weg uit diens invloedssfeer om voortaan onder de zegenende naam van de drieënige God te verkeren? Ziedaar het onderwerp dat ons deze week bezig houdt: - Jaargang 29
- nummer 2
De verhouding tussen Gods handelen met ons en ons handelen met God
In het bijbelgedeelte dat beschrijft hoe drieduizend mensen op de Pinksterdag aan de gemeente werden toegevoegd en dus werden gedoopt, Hand. 2 : 37-41, wordt allereerst - zoals vorige week werd aangewezennadruk gelegd op Góds verlossend handelen: die drieduizend voegden zichzelf niet toe, maar wèrden toegevoegd. Maar tegelijk laten deze verzen zien dat zij niet passief bleven. Op hun vraag: wat moeten wij doen", antwoordde Petrus: bekeert u!, waarna vermeld wordt dat dat inderdaad gebeurde: zij aanvaardden zijn woord (resp. vs. 37, 38 en 41). De konklusie ligt voor de hand: hoewel God het is die mensen verlost, vindt die verlossing plaats doordat zij zelf zich bekeren en het evangelie aannemen. Nee, er is geen samenwerking tussen God en mensen, zoals Ef. 2 : 8, 9 heel duidelijk zegt: "Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit u zelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme."
Deze uitspraak is niet voor misverstand vatbaar: een mens werkt niet met God mee bij de verlossing; God neemt de verlossing geheel alleen voor Zijn rekening, in Zijn grote genade. Maar tegelijk geldt: die genade werkt niet automatisch; je moet je wel gelovig toevertrouwen aan die reddende hand van God, Nu heeft men dit in elkaar grijpen van Gods verlossend handelen en ons gelovig daarop ingaan wel verduidelijkt met een beeld, het beeld van de drenkeling die gered wordt doordat hem een reddingsboei wordt toegeworpen. Die drenkeling redt nietzichzelf - dat doet die ander, die hem de reddingsboei toewerpt, Maar hij moet die boei wel grijpen, wil hij echt gered worden! Soortgelijk gaat het nu ook tussen God en mens toe. God werpt Ons een reddingsboei toe: het kruis van de Here Jezus.
Zonder die goddelijke reddingsaktie zijn wij, hoe we ons ook inspannen, reddeloos verloren.
Maar we moeten wel wat doen!
We moeten die boei grijpen, bij het kruis neerknielen. Want anders redden we het nog niet!
En daartoe roept God Ons dan ook op. Hij wordt niet moe, ons alsmaar Op het kruis van Jezus te wijzen: daar ligt Ons behoud, Wanneer wij gelovig aanvaarden, dat Christus voor onze zonden gestorven is, heeft Zijn reddingsaktie succes gehad. Maar zo niet - tja ... dan kan God het ook niet meer helpen. Hij heeft Zijn best gedaan; aan ons de keuze of we van Zijn genade gebruik zullen maken of niet.
Aldus een overbekende gedachtengang, die theologisch tot in de fijnste details is uitgewerkt.
Want vergis u niet: het beeld van de reddingsboei mag kinderlijk eenvoudig zijn, het zijn knappe theologen geweest die dit 'verlossings-model' op formule hebben gebracht. Een van hen is de Nederlander Jacobus Arminius, die leefde van 1560 tot 1609. De man was, professor in Leiden en heeft grote invloed gehad, juist doordat hij de weg van de verlossing zo overzichtelijk en begrijpelijk, ja, zo logisch weergaf. Een van zijn belangrijkste stellingen was, dat de Here Jezus het voor ons mogelijk gemaakt heeft om behouden te worden, Daarmee bedoelde hij, dat met het 'Offer op Golgotha op zichzelf nog geen mens gered was. Ailes hangt er van af, of mensen in Christus geloven.
God laat het, volgens Arminius, uiteindelijk aan 'Ons Over, Of we gered zullen worden of niet. Hij beslist dat niet voor ons.
Geloven we - ja, dan is Christus' Offer voldoende om ons uit de heerschappij van zonde, dood en duivel te bevrijden. Maar geloven we niet, dan 'werkt' Christus' Offer ook niet. En dus verschuift het accent heel duidelijk van Golgotha naar 'Ons hart, van God naar de mens. De eindbeslissing Over het eeuwig wel en wee ligt naar de gedachte van Arminius in ónze handen. De mógelijkheid om behouden te worden is in Christus gegeven.
Of het wérkelijkheid zal worden - dat hangt van ons af.
Nog heden ten dage is er een kerkgenootschap in Nederland dat uit instemming met deze leerstellingen geboren is: de Remonstrantse Broederschap. Maar in veel bredere kring is Arminius' gedachtengang aangeslagen.
De vader van het methodisme, de Engelsman John Wesley (1703-1791), heeft er veel van overgenomen en via hem is een groot deel van de Opwekkingsbeweging, het Leger des Heils en de Pinksterbeweging in arminiaans spoor geraakt. En zo kijkt Arminius mee over de schouder van de voorstanders van de overdoop, wanneer zij zo aandringen op het nemen van een beslissing voor Jezus. Daar zit een theologie achter, de theologie van de reddingsboei! God heeft Zijn werk gedaan en Zijn rijkdom aangeboden. Nu zijn wij aan zet, en hangt het van onze keuze af of wij ook metterdaad rijk zullen wórden.
Een lezer zal misschien inmiddels verzucht hebben: waarom toch dat hele verhaal over Arminius?
Het is toch puur bijbels, die nadruk op het geloof, zonder hetwelk Christus' offer óns geen nut doet? Dat beeld van de reddingsboei geeft toch voortreffelijk weer waar het bij de verlossing van een mens om gaat? Het is waar: dat beeld helpt ons het samengaan van Gods verlossingen ons geloof te begrijpen. Maar op één punt is het geen getrouwe weergave van de verkondiging van Gods genade: het maakt niet duidelijk, dat ook het geloof, dat grijpen van de reddingsboei, een werk van God is. In dat aangehaalde vers Ef. 2 : 8 wordt het geloof nadrukkelijk ‘een gave van God' genoemd. En in Ef. 6 : 23 bidt Paulus zijn lezers dan ook liefde met geloof toe. Daarmee wordt te kennen gegeven, dat wij Ó&.
om te kunnen geloven, genade moeten ontvangen .. Zó sterk is het evangelie ervan doordrongen, dat als Gód het werk niet doet wij reddeloos verloren zijn, dat het zelfs dat allerlaatste en allerkleinste, het grijpen van de boei, niet aan ons toevertrouwt.
De zwakke plek in het betoog van Arminius is, dat hij aan deze alomvattende zorg van God voor onze redding geen recht doet.
Volgens hem rust de eindverantwoordelijkheid voor de redding wél bij de mens. Hij vertrouwt het ons wél toe, het grijpen van de reddingsboei. Daarmee staat hij in de traditie van Erasmus die niet kon geloven dat een mens werkelijk niets aan zijn redding zou kunnen bijdragen ..
Zo wordt ook in de arminiaanse theologie aan de mens enige speelruimte toegekend. God doet wel veel, maar niet alles. God maakt het heil in Christus wél mogelijk, maar of het ook wèrkelijk zal worden - dat hangt van de mens af. En zo is de uiterste konsekwentie van de leer van Arminius, dat de verlossing toch een samenspel is van God en mens. Zonder de aktieve medewerking van een mens in het geloof, staat God in wezen machteloos.
Een machteloze God: dat klinkt modem. En inderdaad - de moderne theologie is in de leer geweest bij denkers als Erasmusen Arminius, die tegelijk wilden geloven in God èn in de mens.
Verlossing als samenspel van God en mens, zodat mensen niet alleen van God afhankelijk zijn, maar God ook van (het geloof van) mensen afhankelijk is: dat is schering en inslag in veel moderne prediking. Maar hoe vreermd het ook klinkt: niet minder in die ons zo veel sympathiekere 'bijbelgetrouwe' hoek, waar naar ons gevoelen alleen over een detail-punt als de doop anders wordt gedacht. Heus, dat anders denken over de doop heeft diepe, arminiaanse wortels.
o zeker, ook hier roemt men in de genade van God, en denkt men niet optimistisch over de mogelijkheden van de mens om verlossing te bewerkstelligen. Maar dat het tot de mogelijkheden van de mens behoort, om de beslissende stap uit het oude leven naar het nieuwe te doen daarvan is men in deze kring overtuigd. En zo menen zij, dat God uiteindelijk toch aan ons de beslissing laat of wij verlost zullen worden of niet. Hij heeft Zijn heilsbeslissing genomen, door Zijn Zoon naar de aarde te zenden. Nu moeten wij beslissen, of wij Christus welkom heten of niet. Alleen het samenspel van die twee beslissingen zet zoden aan de dijk. Om die reden is de kinderdoop voorbarig: zij loopt vooruit op een beslissing die nog genomen moet worden en zonder welke Gods beslissing in de lucht komt te hangen. Zolang een mens nog niet gekozen heeft voor Christus, draait de motor van de verlossing stationair.
Pas als een mens zijn hart aan de Heer heeft gegeven, grijpen de tandraderen in elkaar en gaat de wagen rijden. En dus is het geloof voorwaarde voor de doop, ja, behoort het geloof tot de inhoud van de doop. Daartegenover staat de gereformeerde overtuiging, dat op deze wijze onze redding niet radikaal genoeg aan God wordt toegeschreven.
Zoals Luther met beslistheid tegenover Erasmus de onmacht van de mens, om ook maar iets tot zijn verlossing bij te dragen, heeft beklemtoond, zo hebben de gereformeerden in de Vijf Artikelen tegen de Remonstranten (ofwel: de Dordtse Leerregels) op bijbelse gronden Arminius' gevoelen van de hand gewezen, dat het van onze vrije wil afhangt of wij het eeuwige leven deelachtig worden of niet (DL hoofdstuk 2, Verwerping der dwalingen 6). Daarmee is recht gedaan aan het feit, dat de bijbel ook de menselijke beslissing om Christus te aanvaarden, ziet voortvloeien uit Gods beslissing om een mens te behouden.
Zelfs dáártoe zijn wij niet in staat uit onszelf: te kiezen voor Jezus. Zo vast zitten wij aan ons oude leven. Als een mens die keuze maakt, is dat ook al weer een getrokken worden (Joh ..6 : 44). Nee, God laat het niet bij de mogelijkheid voor ons mensen om behouden te worden. Hij weet dat wij zelfs daarmee niet gebaat zouden zijn.
God doet ook dat allerlaatste, waardoor wij het heil ook metterdaad bereiken: Hij Zelf legt door de werking van de Geest onze hand in Zijn hand. Uiteindelijk hangt dus alles af van Hem, en hangt onze redding God zij dank! - in niets meer af van onszelf. "Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God, die Zich ontfermt." (Rom.9 : 16). Vandaar, dat in het NT zulke duizelingwekkende uitspraken gedaan worden over onze verkiezing. Vgl. Ef. 1 : 4, 5, "God heeft ons in Christus uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Zijn aangezicht. In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van Zijn wil. " Hier wordt onze redding van a tot z teruggebracht tot het werk van God, dat zó radikaal aan en niet door ons voltrokken wordt, dat onze redding al vast stond (en niet slechts mogelijk was!) nog voor wij eraan te pas kwamen.
Het meningsverschil tussen arminianen en gereformeerden, overdopers en voorstanders van de kinderdoop, blijkt zo ten diepste vast te zitten op het punt van Gods verkiezing. Let maar op: daar kunnen zij, die de kinderdoop afwijzen, bijna nooit mee uit de voeten. Voor hen hangt het er wèl van af, of iemand wil dan wel of iemand loopt, en is Gods verkiezing nooit meer dan Zijn reaktie op iemands geloof. Toegegeven: de doordenking 'Van dat steile evangelie, dat Gods heilshandelen aan ons nog vooraf ziet gaan aan ons geloof, stelt voor niet geringe problemen. De leer van de verkiezing heeft dan ook aan de meest schrikwekkende vervormingen bloot gestaan.
Maar in de kern van de zaak is de notie van de verkiezing van eeuwigheid onmisbaar, om in bijbelse radikaliteit te leven bij de genade. Want het bijbelse spreken over Gods verkiezing wil niets anders zeggen, dan dat wij voor onze redding absoluut en totaal afhankelijk zijn van God, en dat God ons zo weinig nodig heeft. om ons te redden, dat Hij ons met Zijn redding in alle opzichten vóór was! Zo is het komen van een mens tot verlossing, hoe aktief hij daarin ook wordt geacht te zijn ("Blijft uw behoudenis bewerken met vreze en beven", Fil. 2 : 12), ten diepste toch te herleiden tot het welbehagen van God, die genadig toevoegt aan de kring van hen die behouden worden.
En dus is ook de doop, die markering van de overgang uit de duisternis in het licht, niet afhankelijk van wat een mens met God doet, maar van wat God met een mens doet. Altijd spreekt de doop van maar één ding: dat God een mens genadig binnenhaalt in het krachtenveld van Zijn genade. Zeker, de opmerking dat Gods werken aan een mens diens eigen aktiviteit niet uitsluit, behoudt ook ten aanzien van de doop haar kracht. De doop is onlosmakelijk verbonden aan geloof; hoe - dat hopen wij volgende week te zien. Maar omdat het geloof niet het fundament is waarop onze redding rust, daarom steunt ook de doop niet op ons geloof, maar steunt omgekeerd ons geloof op God, die in onze doop machtig getuigt van Zijn heilswil over ons leven.