Tekenen en wonderen

1984-08-03
  • Jaargang 28
  • nummer 28
Het optreden van onze Here Jezus werd gekenmerkt door een groot aantal tekenen en wonderen, die Hij deed.
Ze begeleidden zijn verkondiging.
Ze vormden zijn legitimatie: Hij kwam van God.
Zo was het vroeger ook al geweest met de profeten Elia en Elisa. Evenzo is Jezus "van Godswege u aangewezen door krachten, wonderen en tekenen, die God door Hem in uw midden verricht heeft" - aldus Petrus op de Pinksterdag tot zijn gehoor.

Maar datzelfde geldt niet minder zijn apostelen.
Wie de Handelingen der apostelen leest komt dat herhaaldelijk tegen. Al in hoofdstuk 2: "en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen", vs. 43.
Van die vele wordt er ons één in extenso en met verve beschreven in hoofdstuk 3: de genezing van de verlamde aan de Schone Paard. Door Petrus, met Johannes.
Het was ook bij hen een bevestiging van Godswege van de boodschap die zij brachten. Zo werd ruimte gemaakt voor hun prediking.
Waarmee zij die van hun Meester voortzetten.

In de brief aan de Hebreeën wordt aan dit alles nog eens herinnerd.
Die brief wordt in beschouwingen over de vermoedelijke tijd van ontstaan nogal eens ver weg geschoven naar een late tijd.
Ik denk ten onrechte. Veel erin doet denken aan de eerste hoofdstukken van Handelingen. Toen het evangelie nog gepredikt werd aan mensen die thuis waren in de Schrift, van huis uit vertrouwd met de eredienst van de tempel en hoog opziende tegen de hogepriester.
De tijd van de gemeente in Jeruzalem.
Waar ze elkaar dienden (zie Hebr. 6 : 10) en verdrukking leden (10: 32 vv en 13: 1 vv), de kruisiging van de Here Jezus hadden meegemaakt (vergelijk 5 : 7 en 6 : 6!), en waar ze ook de prediking van de apostelen hebben gehoord, vergezeld van zoveel tekenen en wonderen.

Aan dat laatste worden ze in hoofdstuk 2 speciaal herinnerd (vergelijk ook 6 : 5).
En dat in het kader van een vermaning om aandacht te houden voor "wat wij gehoord hebben".
Dat wordt dan nader getypeerd als "heil".
"Zulk een heil" - nog heel wat meer dan het woord dat het oude Israël ontving bij de Sinaï door bemiddeling van engelen.
Een heil, waarvan dan drie dingen worden gezegd.
In de eerste plaats, dat het is begonnen verkondigd te worden door de Here.
Vervolgens dat het door hen die Hem gehoord hebben aan ons is bevestigd.
Ten derde, dat God daarbij ook zijn getuigenis gevoegd heeft.
En wel door tekenen en wonderen en velerlei krachten.
En door de Heilige Geest toe te delen naar zijn wil (Hebr. 2 : 1-4).

Het is leerzaam voor ons het zo nog eens op een rijtje te zien staan. Zo hebben wij het óók gehoord!
Eerst, uit het evangelie - in viervoud - "wat Jezus begonnen is te doen en te Ieren" (Hand. 1: 1).
Vervolgens, uit de Handelingen der apostelen, hoe zij datzelfde heil verkondigd hebben, bevestigend datgene waar Jezus over begonnen was.
De N.B.G.-vertaling spreekt hier van "op betrouwbare wijze overgeleverd".
Dat klinkt wel fraai, maar is niet ter zake, er staat kort en goed dat het is bevestigd.
Dat heil dat door de Here begonnen is verkondigd te worden is door zijn apostelen na zijn hemelvaart opnieuw tot het Joodse volk gekomen. Daarin heeft God bevestigd hoezeer het Hem ernst was met zijn genade, met die redding.
Wat Hij begon in het spreken van zijn Zoon tot Israël, dat brak niet af door hun verwerping van Hem. Neen, op de Pinksterdag staat Petrus op en doet opnieuw een appèl op die mensen om zich te laten behouden door het geloof in Jezus.
En daarbij heeft God toen ook nog weer duidelijk Zijn getuigenis gevoegd door tekenen en wonderen te laten geschieden door die apostelen. De 'bevestiging' van het heil opnieuw bekrachtigd door de vinger Gods.
Ook in de uitstorting en de gaven van de Geest juist over diegenen die dat hernieuwde appèl lieten horen.

Als mensen, die dat Woord toen hebben aanvaard, dreigen in te zinken in het geloof, worden ze dááraan nog eens herinnerd.
Aan wat God eraan gedaan heeft bij hen, om hen te overtuigen van zijn heil. Van het welgemeende van zijn genade.
Ook door die tekenen en wonderen.

Ze zijn later ook in de heidenwereld geschied. Ook dat weten we uit de Handelingen der apostelen.
Zo staat er ook van de apostel Paulus een wonderlijke genezing in extenso beschreven, in het heidense Lystra (Handel. 14), nadat in vs. 3 ook al was gewezen op die wonderen, waarmee de Here "getuigenis gaf aan het woord van zijn genade".
Bovendien was er ook een toedelen van de Heilige Geest keer op keer - naar Zijn wil! - buiten de Joodse kring: in Samaria, in Caesarea, in Efeze.
En dat is ook voor ons, gelovigen uit de heidenen, van verstrekkende betekenis. Daarmee toonde God ook naar óns toe hoezeer het Hem ernst is met zijn genade, met de boodschap van vergeving en eeuwig leven, van verzoening met God door het geloof in Jezus Christus.
Wat moet er van ons terecht komen als wij geen ernst maken met zulk een heil, als God zó getoond heeft hoezeer het Hèm ernst is.
Die vermaning kwam tot de Hebreeën.
En komt ook tot ons.
En daarin hebben die wonderen en tekenen een bijzondere betekenis.
Als we ervan lezen, moet het ons maar bewegen tot een toch vooral serieus nemen van de boodschap van het evangelie.
Van het woord van de Here en zijn apostelen.

Och, in deze tijd zullen velen het (eigen)wijze hoofd schudden over die primitieve wonderverhalen.
En theologen zijn er als de kippen bij om ze te 'ontmythologiseren' .
Anderen, van de weeromstuit, verlangen ernaar dat ze toch wéér 's zouden mogen gebeuren.
Of drijven, dat ze moéten gebeuren.
Anders is de kerk geen kerk van Jezus Christus meer.
Maar vergeten we niet: het Woord waarvan de kerk leeft, heeft al lang v66r onze tijd zijn beslag gekregen.
En ruimschoots. Begonnen door de Here Jezus, bevestigd door zijn apostelen, terwijl God daarbij nog zijn getuigenis deed door tekenen en wonderen.
Niet iets om aan voorbij te gaan.
Alsof dat niets was.
Alsof het pas geloofwaardig is als wij wonderen en tekenen verrichten!
Die hang naar tekenen-en-wonderen-nu! is niet zonder gevaar.
Er komt een tijd, waarschuwt de Schrift, dat Gods tégenstander, de satan, aan de beurt komt om met "allerlei krachten, tekenen en wonderen" aan te komen zetten, 2 Thessal. 2 : 9.
Tekenen en wonderen "der leugen", als instrumenten van verleiding.
Om mee te slepen naar het verderf hen, die Gods liefde hebben versmaad. Door de hun gepredikte waarheid, in het evangelie, niet aan te nemen.
Waardoor ze hadden kunnen behouden worden.

We worden niet behouden door wonderen en tekenen.
We worden gered door het aannemen van het woord van God.
Gesproken door de Here en zijn apostelen.
Zoals wij het ook nog op schrift hebben.
En, als we dan lezen hoe dat toen door wonderen en tekenen is bekrachtigd geworden van Godswege, dan ligt daarin een aansporing temeer dat woord aan te nemen.
Van genade en verzoening door het bloed van Gods zoon.
Van vergeving voor zondaars die zich bekeren en in Hem geloven.
Laten wij dat dan vasthouden, wat ook wij gehoord hebben.
Opdat we niet 'afdrijven'.
Voorbij drijven aan de haven van behoud, op de stroom die naar het verderf voert.
Laten wij ons ook niet laten opdrijven door zucht naar ervaring, wondergebeurtenissen, in ons leven nu.
Het kan ons makkelijk doen voorbijdrijven. in groot religieus enthousiasme, aan de waarheid, die behoudt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief