Onze Vader in de hemelen
1984-08-03
Het valt op, dat de Here Jezus in de Bergrede bij Zijn onderwijs over het gebed over God sprak als "uw Vader".- Jaargang 28
- nummer 28
Daar moet u goed op letten, als u zich verdiept in de Bergrede Dat steeds terugkerende "Vader", "uw Vader" voor God. Wat zal dat de discipelen en de schare (Mattheüs 5:1) als muziek in de oren geklonken hebben!
Zo sprak Gods Zoon die mensen in Israël aan, wat betreft hun verhouding tot God: als kinderen van hun hemelse VADER! Zo wàs het toch ook echt? Het wàs toch: Israël, dat Hij daar voor Zich zag? Gods verkoren volk.
Het volk, waarmee Zijn Vader destijds vanaf de berg Sinaï, in het Horebgebergte, dit verbond had gesloten: "Ik zal u tot een God zijn, en gij zult Mij tot Mijn volk zijn". "Mijn eigendomsvolk" staat daar herhaaldelijk voor in Deuteronomium. En dat is een bizonder hartelijk woord.
Dat in het gewone leven niet alleen gebruikt werd voor een bezitting, waaraan men bizon der gehecht was, 'n kostelijk sieraad b.v., maar ook voor een persoon, aan wie men heel intieme banden had, b.v. je verloofde of je vrouw.
Zo'n hartelijke kleur heeft het hebreeuwse woord segullah, dat in onze vertalingen is weergegeven met "eigendom". Nu, zo'n kostbaar bezit was Israël voor God. Naar Diens eigen Woord. We kunnen ook nog zeggen: die mensen, die daar naar de Here Jezus zaten te luisteren waren de schaapjes van de Herder Israëls, Ps. 23, 95, 80, enz.
Maar wàt waren die schapen uitgehongerd en vermagerd. Gods eigendomsvolk had van zijn kerkelijke leiders zoveel slaag gekregen en zo weinig eten. Gebod op gebod en regel op regel. Lasten te zwaar om te dragen.
Over de meest pietlutterige puntjes van de Wet hielden de Rabbijnen onder elkaar toen urenlange debatten. Voor een eenvoudig mens niet te volgen. En daar werden ze dan om uitgescholden als "de schare die de Wet niet kent", "leken op het gebied van de Godskennis". Intussen zag het arme, verachte kerkvolk nog hoog tegen die geleerde voorgangers op ook! Ondanks hun droge kost, hun stenen voor brood.
Maar dáár kwam toen opeens die man uit Nazareth, van Wie wij nu achteraf weten, dat Hij de Zoon van God was. Die sprak heel anders. Die schoof heel die nare, droge, spitsvondige geleerdheid, waar geen mens van kon leven, opzij en sprak de Israëlieten weer aan over hun Vader!
"VADER". Want zij waren kinderen van Jahwe.
Geen heidenen, maar kinderen.
Geen vreemdelingen, maar bondelingen.
Dat is héél opvallend in heel de Bergrede. Dat hartelijke spreken van de Here Jezus over "uw Vader".
Ook in een ànder stukje gebedsonderricht, Mattheüs 7: 7-12.
Het begint zo: "Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden. Want een ieder die zoekt, vindt; en wie bidt, ontvangt; en wie klopt, dien zal opengedaan worden."
Hoe kon de Here Jezus dat zeggen?
Waarom mochten die mensen, die naar Hem stonden te luisteren er zo vast op rekenen, dat God hun gebeden verhoren zou?
Wel, omdat God Israëls Vader was. Hoor maar, welk argument de Here erbij gegeven heeft, om zo stellig op verhoring te rekenen.
"Of welk mens onder u zal, als zijn zoon hem om brood vraagt, hem een steen geven? Of als hij om een vis vraagt, zal hij hem toch geen slang geven? Indien gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader in de hemelen het goede geven aan hen, die Hem daarom bidden."
Wéér herinnert de Here Zijn Israëlitische luisteraars dus, in verband met hun bidden, aan het feit, dat God hun Vader was.
Aan dat historische feit (sinds Horeb). Dat van de grootste betekenis is voor het bidden.
De Heer Jahwe hàd Israël aangenomen tot Zijn volk. Tot Zijn eigen kinderen. Tot schapen, die Zijn hand wil weiden.
Nu, dan mochten die kinderen daar nu ook op rekenen. Dat legt een graniet-vaste vloer onder onze gebeden. Dat we weten, niet tot een verre Vreemde te spreken, maar tot onze eigen Vader!
De sleutel: de kennis des Heren
Het is geen wonder, dat er in Israël zo'n gebeds-armoede ontstaan was. Dat kwam doordat men het kinderlijk vertrouwend luisteren naar de Bijbel verleerd was. Jezus wees de Schriftgeleerden als de schuldigen aan. Hij heeft hun dan ook moeten verwijten: "Gij hebt de sleutel der kennis weggenomen', Lukas 11 :
52.
Dat is dikwijls voorgekomen bij Schriftgeleerden. Dat ze wel een razend knap gebouw van theologische geleerdheid optrokken, maar zó, dat die geleerdheid niet dienstig was voor het kennen van God, zoals Hij Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft.
"Kennis van Jahwe" is in de Bijbel nooit abstrakte, theoretische geleerdheid over God, maar "omgangs-kennis" .
Dus niet zoals een gynaecoloog "specialist" is in de medischwetenschappelijke kennis van "de vrouw", maar zoals alleen de man, die met die vrouw getrouwd is, haar kent.
Het woord "theologie" betekent letterlijk: god-geleerdheid. Maar dat is niet hetzelfde als "kennis des Heren", zoals de Bijbel daarover spreekt! Die kennis bestaat niet uit een wetenschappelijk systeem, maar is een praktisch weten, Wie God voor ons is.
In Jesaja 1 opent een hele rij profetische boeken, waarin Jahwè Zijn twist met Israël aan de orde stelt, met dit verwijt: "Een rund kent zijn eigenaar en een ezel de krib van zijn meester, maar Israël heeft geen begrip, Mijn volk geen inzicht." Jes. 1:3.
Het is duidelijk, dat Jesaja daar met de woorden "kennen", "begrip"
en "inzicht" niet zoiets bedoelt als "wetenschappelijke theologie". Bij runderen en ezels is zulke "kennis" niet te zoeken.
Maar waar die stomme dieren Gods volk wèl in ten voorbeeld kunnen zijn, is, dat ze een buitengewoon scherpe ervaringskennis ten aanzien van hun eigenaars hebben.
Als voor een israëlitische ploeg een juk met twee runderen moest trekken, dan kon zo'n boer met zijn beesten precies doen wat hij wou. Ze voelden de hand van hun meester achter zich bij iedere stap. En mochten ze hem een ogenblik vergeten, dan was één prik met de osse-stok genoeg, om hen tot de orde te roepen.
En een ezel rekende zó vast op verzorging van de kant van de baas, dat hij in de buurt van "huis" geen aanvuring meer nodig had. Hij rook dan de stal: dáár staat de krib van mijn heer.
Dáár zal hij me straks eten geven.
Nu, op die praktische kennis (niet als de wetenschap der geleerden, maar als de intuïtie van de beesten) komt het aan voor onze omgang met God. Die kennis is "de sleutel" tot het leven met God in Zijn Verbond. En die sleutel hadden de Schriftgeleerden in de tijd van de Here Jezus weggenomen. Met àl hun geleerdheid.
Voor hen was de Bijbel namelijk niet meer het boek van Gods historische omgang met Zijn volk, maar een handboek voor hun wettische godsdienstigheid geworden. Zodoende maakten ze wel veel werk van het overschrijven en van buiten leren van allerlei teksten uit Gods Woord: zoveel géboden en zóveel vèrboden, dat wisten ze allemaal precies. Maar als men uit de Bijbel Gods genade èn bestraffingen, Gods trouw als goede, beschermende en zorgzame Vader wegdoet, als men die "kennis des Heren" niet meer heeft, dan wordt de Bijbel een schatkist zonder sleutel, een lichaam zonder hart. Ofwel, dan wordt zèlfs de Bijbel een naslagwerk voor in feite heidense godgeleerdheid, of een text-boek voor in feite heidense godsdienstigheid.
Dan heeft men al gauw ook geen lust meer aan Gods Woord. Dan wordt óók de Bijbel zo dor als stro. Een dode, ja zelfs een dodende letter, in plaats van het levendmakende Woord van God.
Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt
Christus' optreden in Israël is dus zoiets geweest als dat van 'n groot Reformator onder Gods kerkvolk. Het heeft (hoe kon het anders?) ernstige botsingen gebracht met de leidende theologische richtingen van Zijn tijd.
Zowel met de Sadduceën, (de modernisten en progressieven van toen) als met de Farizeën, (de rechtzinnigen en conservatieven).
En de kerkelijke hiërarchie heeft er de machine van haar kerkrecht voor tegen Hem in stelling gebracht.
Dat verzet was onvermijdelijk, om de verloren geraakte schapen van het huis Israëls weer bijeen te kunnen verzamelen. Om hen weer te leiden naar grazige weiden en stille wateren, Psalm 23. Om hun weer goede spijze en drank te geven, in plaats van het dorre voer van de gedachtenspinseis der Schritgeleerden.
De Here Jezus heeft dan ook Gods kinderen tenslotte welbewust, aktief, onder hun kerkelijke leiders en hun kerkorganisatie vandaan geroepen, toen Hij sprak: "Komt allen tot Mij (in plaats van tot uw officiële voorgangers), die vermoeid en belast zijt (onder de wetticistische inzettingen van de Schriftgeleerden), en Ik zal u rust geven; neemt Mijn juk op u (zo sprak men over Rabbijnenscholen: "het juk van Rabbi X") en wordt leerlingen van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart (de Here Jezus dankte Zijn Vader juist, dat de eenvoudigen de dingen van het Koninkrijk Gods zo goed verstonden, vs. 25, terwijl de kerkelijken hen uitmaakten voor "de schare, die de Wet niet kent"), en gij zult rust vinden voor uw zielen; want Mijn
juk is zacht en Mijn last is licht", Matth. 11 : 28-30.
De Wet en de Profeten over "Vader"
Meermalen blijkt in de evangeliën, dat de mensen, die de Here Jezus hoorden, zich verwonderden, verbaasden over Zijn leer.
We lezen dat ook aan het eind van de Bergrede, Matth. 7 : 28.
Dat zal voornamelijk wel geweest zijn vanwege dat gewone, helemaal niet schools-geleerde, maar zo hartelijk-vertrouwelijke spreken van de Here Jezus over God.
Namelijk als "uw Vader".
Dat was men helemaal niet meer gewend in Israël. In gebeden, die gebruikt worden in joodse synagogen wordt God aangesproken met zware, geduchte namen.
Zoals "de Heilige". En zovaak er zo'n geduchte aanspraak is gevallen, volgt daar onmiddellijk op "Baruch hasjeem", d.w.z. geprezen "de Naam". De eigenlijke naam van God, die liefdelijke naam Jahwe, noemden de Joden van Jezus' tijd nooit. Die noemen ze ook nu nooit meer.
En nu leerde de Here Jezus Zijn dicipelen zómaar "Vader" zeggen tegen God.
Daar verwonderden de mensen zich over. Dat vertrouwelijke omgaan met God was volkomen nieuw voor hen.
Maar het was daarmee als met zoveel dingen in tijden, dat God wederkeer geeft. Dan is men het oude zo grondig vergeten, dat men het aanziet voor een nieuwigheid.
Johannes Huss is op de brandstapel gekomen, omdat hij o.a. bij de eucharistie-viering aan alle gelovigen niet alleen het brood, maar ook de beker wilde doen uitreiken. Dat was toen omstreeks 1400, in geen eeuwen meer gebeurd. Een ongehoorde "nieuwigheid", een ketterij tegenover "het heilige". En toch was Huss' verlangen alleen maar oud. Zo oud als Christus' instellingswoord bij de Maaltijd "Drinkt allen daaruit", Matth. 26 : 27. En nog ouder dan Paulus' vermaanwoord aan àlle heiligen in Corinthe: "Gij kunt niet de beker des Heren drinken èn de beker der boze geesten ... ", 1 Corinthe 2 : 2, 10 : 2l.
Zo is het ook gegaan met de prediking van onze Here Jezus Christus. Dat vertrouwelijke spreken over God als "uw Vader"
was in feite niets nieuws, maar juist oud!
Zo heeft b.v. David al God aan mogen spreken. David en zijn zoon en diens zoon, heel zijn koninklijk huis, tot in verre geslachten kreeg via Nathan van God de belofte: "Hij zal tot Mij zeggen: Gij zijt mijn Vader", Ps. 89 : 27, vergelijk 2 Samuël 7. Nu is dàt eigenlijk nog weer een voorrecht apart geweest, behorend tot het .Davidsverbond", waarover 2 Samuël 7 gaat. Maar goed, omdat Jahwè dat beloofd had, mocht Davids huis zó op Jahwè rekenen, als "mijn Vader".
Dàt is nu eenmaal "het Verbond ": afspraak is afspraak!
Maar in Deuteronomium 14 heeft Mozes ook tot héél Israël mogen zeggen: "Kinderen zijt gij van Jahwè, uw God ... " En dat zei Mozes in zo'n vertroostend verband. Namelijk met het oog op het grote verdriet dat telkens weer zulke wonden slaat, als de dood iemand uit ons midden wegslaat. Daarover zegt Jahwe in Deut. 14: Als jullie dat overkomt, Israëlieten, Verbondsvolk van Mij, dan hoef je niet zo van je stuk te zijn als de heidenen, hoor! ,,Jullie bent kinderen van Jahwe". (verg. 1 Thess. 4 : 13).
Wéér, omdat God dat Zelf zo gezegd had, omdat Zijn Verbond dat inhield, dáárom mocht iedere Israëliet in zijn leed tot God gaan en "Vader" zeggen.
Trouwens, volgens Exodus 4: 22, 23 hebben Mozes en Aäron met déze woorden vrijlating van Israël bij de egyptische farao mogen eisen: "Zo zegt Jahwe: Israël is Mijn eerstgeboren zoon; daarom zeg ik u: laat Mijn zoon gaan, opdat hij Mij diene; zoudt gij echter weigeren, hem te laten gaan, dan zal Ik uw eerstgeboren zoon doden."
Om nog zo'n plaats uit het Oude Testament te noemen: in Psalm 80 wordt Israël ook Gods "zoon"
genoemd. Niet alleen "de wijnstok die Gij U hebt geplant", maar ook "de zoon, dien Gij U hebt grootgebracht", vs. 16.
In Hoséa 11 spreekt Jahwè zelfs déze ontroerende woorden over Zijn Vaderliefde tot Israël: "Toen Israël een kind was, heb lk hem liefgehad. En uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen ... En Ik leerde Efraïm lopen. Ik nam hem op Mijn armen .. ."
Daarom rekende Jahwe van Zijn kant ook zo op de wederliefde en kindertrouw van Israël. "Zij zijn toch Mijn volk, Mijn kinderen die niet liegen zullen", Jes.
63 : 8 (zoals een "liegende vijgeboom" geen vruchten geeft op de tijd waarop men dat verwachten mag, zo "liegen" Gods kinderen weleens, d.w.z. dat ze zich dan helemaal geen kinderen betonen). Aan het eind van datzelfde Jes. 63 bidt Israël: "Gij immers zijt onze Vader ... "
Om nog één zo'n oud woord over God als "Vader" te noemen: Op de laatste bladzijde van de boeken der Profeten klaagt Jahwè: "Ben Ik een Vader (en dat is toch zo!), waar is dan Mijn eer?" Maleachi 1 : 6.
Zo'n vloed van Schriftplaatsen bewijst overtuigend, dat Gods Vaderschap over Israël in de tijd van de Here Jezus genoeg bekend had kunnen zijn uit de Thora, de Profeten en de Geschriften.
En toch klonk het de mensen nieuw in de oren, als de Here Jezus over God zo vertrouwelijk sprak.
Dat komt er nu van, als "de sleutel", de kennis aan God als onze Vader, is weggeraakt. En de Bijbel een raar, heidens handboek wordt. En God een koude Rekenmeester. En de omgang met God een godsdienst wordt van zware lasten om "rechtvaardig" te mogen worden, en van plechtigheden en riten om verhoord te kunnen worden.
Dan raakt men zó vreemd van God, dat het goede, oude Woord Gods wordt aangezien voor "nieuwigheid" .
De apostelen over "Vader"
Ook voor Jezus' direkte discipelenkring is Zijn spreken over God als "Vader" blijkbaar nieuw geweest. Heerlijk nieuw.
Daar hebben ze het immers nogal eens over in hun evangelieboeken en in hun brieven.
De apostel Johannes stelt in de Inleiding van zijn evangelie voorop: "Allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden ... " 1 : 12. Vergelijk ook 1 Joh. 3 : 2 enz. "Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods ... "
Ook de apostel Paulus horen wij daarover geregeld dankbaar spreken, dat God onze Vader is, en wij Zijn kinderen mogen zijn.
B.v. in Romeinen 8.
De Here Jezus Zelf is dan al niet meer op aarde. Hij is dan al 20, 25 jaar geleden gestorven en begraven, opgestaan en ten hemel gevaren. Maar Hij heeft daarna Zijn Geest uitgestort. En wat zegt Paulus dan van die Geest van Christus? Wel, precies hetzelfde wat de apostel Johannes zei over de vrucht van de prediking van de Here Jezus Zèlf, namelijk: "Allen die door de Geest Gods geleid worden, zijn kinderen van God. Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen (bang te zijn, zoals de heidenen voor hun goden-en-geesten, en zoals de Schriftgeleerden Israël bang maakten voor God), maar gij hebt ontvangen de Geest van het kindschap, door welken wij roepen: Abba, Vader! Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn."
Dat is nu de rijkdom van de prediking van de Here Jezus en van Zijn Geest, Die Hij later heeft uitgestort: daar weten wij ons weer kinderen door. Geen vreemden voor God, maar kinderen.
Geen godsdienst-slaven, die door godsdienstige werken in de gunst moeten proberen te kómen, maar kinderen, die op Gods gunst kunnen rekenen, als op een hun toekomend recht!
In Romeinen 8 is dit nog zo'n aardige bizonderheid. Paulus heeft die brief helemaal in het Grieks geschreven, de wereldtaal van die tijd, ongeveer zoals nu het Engels. Maar als hij dat woord "Vader" voor God neerschrijft, gebruikt hij één keer een niet-grieks woord: "Abba".
Dat is Aramees. En het Aramees (zoiets als een dialekt van het Hebreeuws) was de taal, die de Here Jezus bij Zijn onderwijs aan Israël gesproken heeft.
Of dat ook indruk gemaakt heeft.
Dat spreken over God als "uw Vader". Dat heeft Jezus' discipelen als zó'n rijkdom in de oren geklonken! Dat hoorden ze Hem jaren na Zijn dood en Hemelvaart nog zeggen, met Zijn eigen stem, in Zijn eigen taal. Dat bleven ze Hem nog jaren nazeggen in het Aramees.
Zó is de nieuwtestamentische kerk haar geschiedenis in gegaan (zoals de oudtestamentische kerk met de hartelijk-vertrouwelijke naam Jahwè voor God). Met deze bevrijdende prediking van de Here Jezus en met deze kinderlijk-vertrouwelijke Geest van Christus: God is onze Vader!
Wij mogen Hem aanroepen met "Abba", "Vader"!