Hij doorziet ons

1984-08-10
  • Jaargang 28
  • nummer 29
"en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen"

(Hebr. 4: 13)

Met bovenstaande woorden wordt dàt gedeelte van de brief aan de Hebreeën besloten, waarin psalm 95 te berde is gebracht.
't Is een complete preek op zich geworden. De tekst is geheel voorgelezen (3 : 7-11), vervolgens uitgelegd en toegepast met het oog op de situatie van de hoorders, die Hebreeën (3 : 12-11: 10), en dat wordt dan afgerond met een peroratie over hoe ontdekkend het Woord van God is (4 : 11-13).

De tekst
De schrijver van deze brief grijpt naar psalm 95. En wel het tweede gedeelte. Waarin de HERE aan het woord komt. De psalm begint met mooie woorden van Gods volk. Een prachtige belijdenis: de HERE is een groot God, een groot Koning! Laten we knielen voor Hem, die onze Maker is en wij zijn het volk dat Hij weidt.
Maar wat is dan de reaktie van Hem, over wie ze zulke mooie dingen zeggen? Het komt als een koude douche. Een uitgesproken koele, ja barse reaktie: och, of gij dan heden naar Zijn stem hóórdet!
En dan herinnert de HERE aan de vaderen in de woestijn, die toen het erop aan kwam, Hem niet hoog hadden. En Hem zó getergd hebben met hun ongeloof dat Hij gezworen heeft: Nooit komen ze in mijn rust!
En het klinkt in die psalm alsof de HERE wéér zijn beklag doet en wéér dreigt: sprekend over de vaderen, doelen op degenen die daar nu voor Zijn aangezicht komen. Met mooie woorden, maar ondertussen ...
Hij kent hun hart.

Toepassing
Deze onthutsende reaktie op een zijn Naam belijdend volk haalt de schrijver nu aan met het oog op zijn lezers.
Nadat hij hen ook herinnerd heeft aan een mooie belijdenis: dat Jezus Christus onze hogepriester is (3 : 1).
Goed, maar als wij dan belijden zo'n grote hogepriester te hebben (denk aan de psalm: de HERRE is een groot Koning!) laten we dan die belijdenis vasthouden.
Er ook uit leven. En niet versagen, nu het in Zijn dienst moeizamer blijkt te gaan dan ons lief is.
Dat is steeds het punt in deze brief. Wijzend op wat we in Christus hebbend beurt de schrijver zijn lezers op. Dat was blijkbaar nodig.
Maar dan komt er ook een ernstige waarschuwing.
Daartoe dient psalm 95.
Hoor, hoe de Here daar tegen aankijkt. Als zijn volk, wétend wie Hij is - hóór ze 's zingen!in de praktijk van het leven als het erop aankomt het niet ziet zitten.
Dat is levensgevaarlijk. De hoop verliezend, het hopen, riskeer je het verlies van wat je mag hopen.
Want de belofte is vast en de rust ligt voor ons klaar, als wij dan maar geloven. Niet maar belijden met de mond, de liturgie vieren, maar Hem ook echt vertrouwen.

Slotwoord
Het is of de schrijver zelf schrikt van de toepasselijkheid in alle scherpte van zijn tekst. Komt dat niet meer voor?
Dat je Gods Woord het laat zeggen.
En al uitleggend voor de gemeente dan merkt hoe scherp dat woord zèlf insnijdt. Je zou het zelf zo nooit durven zeggen.
Zover niet durven gaan. Maar de Here zelf zet het mes erin en legt de hele zaak haarscherp bloot.
Dat is wat de schrijver na zijn 'preek' over psalm 95 dan ook komt op te merken. Wat is het Woord Gods toch levend en krachtig!
't Snijdt scherper in dan een tweesnijdend zwaard.
Een bekende passage is dit geworden.
Gebruikt voor preken of op huisbezoek.
Maar vergeet niet naar aanleiding waarvan dit wordt opgemerkt.
Het hangt niet in de lucht. Het slaat op psalm 95.
Deze exclamatie over het Woord Gods is uitgelokt door die zeer ontdekkende woorden Gods in die psalm.
Mensen, kerkmensen, zijn volk, naderen Hem met mooie woorden.
En Hij, Hij prikt er dwars doorheen en legt bloot hoe het eigenlijk met hen staat. Mooi praten en zingen en belijden is nog niet echt luisteren naar de Here, het ook hóren wat Hij zegt.
Belijden en toch het niet echt vertrouwen met Hem. Hij haalt het er feilloos uit.
Zo legt zijn woord de innerlijke roerselen en verborgen gedachten van de mens bloot.

Open en ontbloot
In de laatste zin van het slotwoord bij de preek over psalm 95 wordt de waarschuwing die ervan uitgaat tenslotte onder deze noemer gebracht: voor Hèm ligt alles open, wat er leeft in een mens.
Zongen de mensen in de psalm zelf niet: Hij is onze Maker? Nu, de Schepper doorziet en kent zijn schepsel. En dat zijn wij, werk van Zijn handen. Niets kun je dan aan zijn oog onttrokken houden. Want alles ligt open en ontbloot voor zijn ogen.
Ontbloot - een typische term wordt gebruikt.
Een offerterm. 'Onthalsd' eigenlijk.
Priesters snijden het offerdier bij de hals open en leggen dan zo het binnenste bloot.
Om allereerst te inspecteren of het van binnen wel deugt!
De Here welbehagelijk kan zijn.
Voelt u? Daar gaat het hier nu precies over.
Mensen komen met het offer van hun lippen die Zijn Naam belijden.
De goede christelijke belijdenis.
Zingen de artikelen van het ongetwijfeld geloof.
En Hij - voor Hem zijn ze een open boek.
Peilt precies wat in hen leeft.
Reken maar. Het blijkt uit Zijn Woord. Neem nou die psalm.
Alles open en ontbloot voor de ogen van Hem, tot wie wij het woord richten!
Onze NBG-vertaling heeft dat laatste anders. Denkt aan rekenschap moeten geven. De uitdrukking is in het oorspronkelijk erg lapidair.
De Statenvertaling geeft (tekst èn kantt.) maar liefst vier mogelijkheden van vertaling. Eén daarvan: "van wien wij het woord hebben".
Dat wijst m.i. in de goede richting.
Daar ging het over. Mensen zeggen mooie dingen over en tot God.
Geijkte, geliefde woorden van belijdenis en liturgie.
Maar bedenk dat alles open en bloot ligt, als bij een opengesneden offerdier, voor de ogen van Hem, over wie wij ons zegje doen.
Moeten we dan maar zwijgen?
Natuurlijk niet. Maar de goede belijdenis gelóven!
Eruit léven. In de moeiten van alle dag.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief