Geef ons heden ons dagelijks brood (1)
1984-08-10
Het Onze Vader bestaat uit twee gedeelten, waarbij in de eerste helft allemaal "Uw gebeden" staan: - Jaargang 28
- nummer 29
Uw naam worde geheiligd.
Uw koninkrijk kome.
Uw wil geschiede.
Wanneer je je er in verdiept, wat deze beden betekenen, dan valt het op dat ook wij bij deze beden voor Gods zaak zo nauw betrokken zijn. Namelijk omdat de Here Jezus ons, als kinderen, zo nauw betrekt bij al die grote zaken van onze grote hemelse Vader. Hij leerde ons bidden) dat Gods naam geheiligd mocht worden door ons. Dat Gods koninkrijk openbaar mocht worden in ons leven. En dat Gods wil geschieden mocht door ons) net zo getrouw als door de engelen in de hemel.
En nu komt dan de tweede helft van het Onze Vader. Met drie 'ons-gebeden' :
Geef ons heden ONS dagelijks brood.
Vergeef ons ONZE schulden.
Leid ONS niet in verzoeking.
Nu zullen we gaan zien, hoe nauw de Here Jezus God, als onze Vader, betrok bij al die kleine dingen van ons alledaagse mensenleventje.
Wat leerde onze goede Zaligmaker ons er kinderlijk vertrouwend op rekenen, dat van dat kleine dagelijkse leven van ons niets, letterlijk niets, onbelangrijk is in de ogen van onze hemelse Vader.
Dat leerde Hij ons allereerst, door bij het uitstallen van onze dagelijkse nooddruft zo door en door aards, zo "laag bij de gronds" te beginnen. Immers: niet eens bij onze zonden, en ook niet bij de verzoekingen van de boze, maar ... bij ons brood.
"Gewoon" brood!
Dat brood, waar de Here ons om leerde bidden, moeten we vooral niet vergeestelijken. Hij sprak van "ons dagelijks brood".
En die uitdrukking had toen al wel - net als tegenwoordig naast de letterlijke betekenis ook een bredere zin: voedsel, in de meest ruime zin. Maar daarmee blijft het toch "gewoon" voedsel: wat een mens in de loop van een dag zoal eet en drinkt.
Dáár leerde de Here Jezus ons vóór al het andere om vragen.
Daar spreekt ook een stuk reële mensen-kennis van onze Middelaar in mee. Hij was niet voor niets mèns geworden! "Zijn broeders in alles gelijk", Hebr. 2: 17. Zo had Hij óók een maag gekregen. En die vroeg, net als bij ons, om voedsel! Lees daar Johannes 4 maar eens op na, vooral de verzen 4-8. Hij heeft dus uit eigen ervaring geweten: een mens moet eten om te leven.
Ook om met God te kunnen leven, om te kunnen bidden en weerstand te bieden aan verzoekingen van de boze.
Laten wij ons vooral niet verbeelden, dat wij verheven zouden zijn boven de aarde, met haar brood, en thee, en aardappelen.
"De hemel is van de HERE,
maar de aarde heeft Hij
den mensenkinderen gegeven",
Ps. 115. 16.
God weet, hoe Hij ons gemaakt heeft. "Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig, dat wij stof zijn". God de HERE formeerde ons: stof uit de aardbodem, Genesis 2 : 7, en schaamt Zich helemaal niet, dat Hij ons zó schiep. Integendeel. Ook van die zó geschapen mens geldt wat in Genesis 1 : 31 staat "En God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed." De mens héét zelfs naar die aardse afkomst. "Mens" is in het hebreeuws: 'adam. En dat is van dezelfde stam als het hebreeuwse woord 'adamah, dat aarde, of grond betekent. Daar moeten we niet bovenuit willen komen, ook niet in onze hoogmoedige verbeelding.
"W at hij ook is (hoever de mens het ook brengt in het leven), voorlang (bij de schepping) is zijn naam ('adam) genoemd en het is bekend, dat hij ook "mens" ís." Pred. 6 : 10.
Dat heeft God nooit te min voor ons gevonden. Dan moeten wij ook niet vergeten, dat wij zulke mensen zijn: met aardse behoeften.
Met een maag.
De tegenstellingen van de Gnostiek
D Bijbel waarschuwt ons dan ook ernstig voor de hoogmoed van “overgeestelijke" mensen.
Toen de apostelen nog leefden, drongen er al vroompraters binnen de kerk, die meenden dat "geestelijke mensen" ("de 'geestelijkheid") boven zulke aardse zaken als trouwen, en van goed eten en drinken genieten, verheven dienen te zijn.
De apostel Paulus heeft voor deze dwaalgeesten zijn mede-helper, de evangelist Timotheüs, ernstig gewaarschuwd. Dat verbieden van het huwelijk en het genot van spijzen noemt hij: leringen van boze geesten. Oftewel: een daemonische leer, 1 Tim. 4 : 1-3, en ook: onheilige ouwevrouwenpraat, vs. 7.
Helemaal aan het eind van zijn brief wijst Paulus ook aan, waar die onbijbelse afwijzing van het gewoon-menselijke vandaan komt. Hij heeft het daar over "de tegenstellingen van de ten onrechte zo genoemd Kennis", 5 : 20.
Nu is het Griekse woord voor kennis, dat Paulus hier gebruikte, Gnosis. En de Gnosis was toen de naam voor een wijdverbreide levens- en wereldbeschouwing, die in de kerkgeschiedenisboeken ook onder de naam Gnostiek, of Gnostiscisme behandeld wordt.
Met haar tegenstellingen trachtte de Gnostiek heel het christelijk geloof onderstboven te keren, wat maar al te dikwijls bij gemeenteleden gelukte, 2 Tim. 2 : 18. Hun leer sloot aan bij de toenmalige "geest der eeuw", zodat hun dwaling om zich heen greep als de kanker, 2 : 17.
De gnostische tegenstellingen waren o.a. die van een goede God, aan wie wij de betere (geestelijke) dingen te danken hebben in tegenstelling tot een boze god, die het ontstaan van alles wat stoffelijk en vergankelijk en slecht is op z'n geweten zou hebben.
In de wereld zet deze tegenstelling zich vanuit zo'n gespleten "godheid" voort: alles wat aardsstoffelijk is, is van die boze god afkomstig.
En de mens is in 't bizon der zo'n "eenheid van tegenstellingen".
In zijn stoffelijk-vergankelijk aards lichaam huist immers volgens de Gnostiek een redelijk ziele-deel, dat - in de lijn van de klassieke Griekse wijsbegeertebeschouwd werd als van de goede godheid afkomstig, en daarom: goddelijk-onsterfelijk.
De Gnostiek heeft met dit tegenstellingenrecept vrijwel àlle
godsdiensten van die tijd aangepakt, onderstboven gekeerd en omgesmolten tot een nieuwe, moderne godsdienstfilosofie. "Christelijke Gnostiek" was maar één uitlopertje van dit veelkoppige monster.
Maar Paulus en de andere apostelen hebben de "christelijke (hogere) Kennis" goed doorzien, en aan de kaak gesteld als: antichristelijk, 1 Joh. 2 : 18-23, en: afval van het geloof, 1 Tim. 4 : 1.
Paulus herinnert Timotheüs er aan, dat er maar één God is (geen twee tegengestelde goddelijke machten, zoals de Gnostiek beweerde), 1 Tim. 2 : 5, en dat alles wat die éne God geschapen heeft (niet alleen een "betere, geestelijke kant", maar alles), goed is, en niets daarvan (b.v. het lichaam, of eten en drinken) verwerpelijk, 4: 4. En wat die "godelijk-onsterfelijke ziel" in een "stoffelijk-minderwaardig lichaam" betreft, wijst hij Timotheüs erop, dat God alléén onsterfelijkheid heeft, 6 : 16, en dat "oefening van het lichaam"
(oefening om door ascese "het vlees te doden" en "de ziel te bevrijden") nutteloos is. Maar dat de èchte godsvrucht het léven belooft, voor de héle mens, in heden en toekomst (de opstandingl), 4 : 8.
Gezegend worden inbaktrog en fruitmand
Paulus moest er dus niets van hebben, als er in zijn tijd mensen waren, die om redenen van hun godsdienst, van hun "hogere, geestelijke, Kennis" ongehuwd bleven, en zich allerlei lekkere spijzen en dranken ontzegden.
Hij had helemaal geen respekt voor zulke "vroomheid".
Integendeel. Hij durfde dat "onheilige ouwevrouwenpraat" te noemen, 1 Tim. 4 : 7.
Geen wonder. Paulus was opgevoed bij de gezonde leer van het leven met God in het Verbond, naar de Schriften. Die wijs kunnen maken tot zaligheid, tot behoud van de héle mens, 2 Tim. 3 : 15.
Hoe prijzen de Schriften van het Oude Verbond al het huwelijk en goed eten en drinken! Als "het goede deel", dat God Zijn kinderen geeft gedurende hun dagen onder de zon, het boek Prediker.
Als Mozes aan het eind van zijn leven nog eens met Israël gesproken heeft over alle woorden van het Horebverbond, dat Jahwe toen juist met Israël gesloten had, dringt hij dat alles aan met een hoofdstuk over "zegen en vloek", Deuteronomium 28.
Wat voor zegeningen stelt hij Israël dan in het vooruitzicht, als het volk aandachtig naar Jahwè luistert, en Zijn geboden onderhoudt?
Hij belooft: "Dan zal Jahwè, uw God u verheffen boven alle volkeren der aarde. De volgende zegeningen zullen dan uw deel zijn: Gezegend zult gij zijn in de stad en op het veld.
Gezegend zal zijn de vrucht van uw schoot, de vrucht van uw bodem en de vrucht van uw vee.
Gezegend zullen zijn uw (fruit)mand en uw baktrog.
Gezegend zult gij zijn bij uw ingang (in huis) en bij uw uitgang (in uw werk) ... " enz.
Zó belooft God zegen aan degenen, die Hem liefhebben, en in Zijn wegen wandelen. En het zou niet bepaald eerbiedig en dankbaar zijn, helemaal niet "vroom", om dan in "over-geestelijke" hoogmoed zulke goede gaven te verachten.
"Hij gaf spijze aan wie Hem vrezen, en gedenkt voor eeuwig Zijn verbond", Ps. 111: 5.
Als God nu zó Zijn verbond gedenkt, door spijze te geven, zou het dan "vroom" kunnen zijn, spijze minderwaardig te achten?
Willen wij "geestelijker" zijn dan God?
Aan zulke bijbelse achtergronden gemeten komen allerlei vormen van "christelijke ascese" zoals het caelibaat, ascetische kloosterregels, kerkelijke vastentijden enz. wel heel scherp in het zonnetje te staan als "eigenwillige godsdienstigheid", Col. 2: 23. Daar is onze goede, milde Vader niet mee gediend. Daarmee dienen we als godsdienstige mensen alleen onszelf. Zo maakt men van zijn buik een god, Filippenzen 3 : 19.
De tegenstellingen van Marcion
Wij hebben zoëven gewezen op de tegenstellingen van de Gnostiek.
Dat is een gevaarlijke ver leiding voor de Christenheid geweest.
De Gnostiek trachtte haar vijandschap tegen Gods Woord te verbergen, door alles wat haar in de Bijbel niet aan stond, weg te exegetiseren. Dat deden zij, door te beweren, dat achter de gewone letterlijke tekst" van de Bijbel een "diepere zin" schuil ging, die alleen zij, met hun "hogere Kennis" verstonden.
In de generatie na de apostelen trad er onder de gemeenten in Klein Azië, en vandaaruit in Rome, nog zo'n "leraar van tegenstellingen" op. Hij heette Marcion. Zijn vader was één van de opzieners van de gemeente van Sinope, bij Pontus (verg. 1 Petr. 1: 1). Hij dacht in dezelfde tegenstellingen, als die van de Gnostiek, namelijk van een "hogere, geestelijke wereld" tegenover een "minderwaardige, stoffelijke wereld".
Maar hij was "eerlijk" in zijn houding tegenover de Bijbeltekst.
Hij las zijn gedachten niet in de Bijbel in, door "allegoriserende exegese" vanuit zijn "hogere Kennis", maar verwierp eenvoudig het grootste deel van de Bijben als "vleselijk", terwijl hij daar andere Bijbelgedeelten, vooral uit de brieven van Paulus, als "geestelijk" tegenover stelde.
Marcion heeft eerst geprobeerd, zijn opvattingen ingang te doen vinden in Klein Azië. Maar hij kreeg daar geen voet aan de grond. Zijn eigen vader heeft hem mee geëxcommuniceerd, verg. Matth. 10 : 37.
Hij besloot het in Rome te proberen, kwam daar in 139 na Chr. aan, schonk een vermogen aan de gemeente (Marcion was van een rijke redersfamilie), en hield zich daar voorlopig heel rustig, zodat hij door de gemeente werd aanvaard. Vijf jaar heeft hij daar in alle eer en deugd onder de christenen verkeerd, toen achtte hij zijn tijd gekomen. Hij bood de kerkeraad een boek aan, getiteld "Anti-thesen", "Tegen-stellingen". Daarin stond ordelijk op schrift gesteld, wat hij ook in Klein Azië geleerd had: ziet u niet, broeders, dat het Oude Testament door en door stoffelijk aards is, in tegenstelling tot het Nieuwe Testament? Dàt predikt pas de Geestelijke God, die zich in Christus aan de wereld geopenbaard heeft.
Marcion moest niets hebben van die "mens-vormelijke" God van het O.T., die zulke aards-stoffelijke zegeningen beloofde als gevulde baktroggen en fruitmanden, lang leven op aarde, talrijk nakroost enz. (Deut. 28). Neen, dàn de God en Vader van Jezus Christus. Dàt is een "gans andere God"; van "geestelijke natuur".
Maar ook met het Nieuwe Testament was Marcion niet geheel voldaan. De discipelen waren Joden. Zij hadden Jezus niet altijd helemaal begrepen. Daarom kleefden aan hun geschriften nog Joods-stoffelijke smetten.
Daarom bezorgde Marcion mèt zijn boek "Anti-thesen" de kerkeraad van Rome meteen een her-uitgave van het Nieuwe Testament.
Een "gezuiverd" Nieuwe Testament. Vrij van Joodse smetten.
't Is heel leerzaam, te zien wàt Marcion alzo "verbeterde". In Lukas 10: 21 spreekt Christus Zijn Vader aan als "Here des hemels en der aarde". Dat laatste schrapte Marcion. Want de Vader van Jezus is "Here des hemels", maar de God van het Oude Testament is "de God van de aarde". Uit Lukas 12 schrapte hij de vss. 6, 7 en 28. Want daar staat, dat God voor musjes en bloemen zorgt. Dat wilde er bij Marcion niet in. Daar was de God van het Nieuwe Testament hem te geestelijk voor!
Zo heeft toen ook de 4e bede van het Onze Vader, de bede om ons brood, het moeten ontgelden.
Volgens Marcion kon de Here Jezus ons er nooit in voor zijn gegaan, om te bidden voor "gewoon brood", dat uit de aarde gegroeid is, en door moeder de vrouw gebakken. Hij veranderde daarom in Lukas 11: 3 het woordje "ons" in: "Uw". Toen stond er: "Geef ons elke dag Uw brood".
Zo "vergeestelijkte" Marcion dit gebed om gewoon, aards, stoffelijk brood in een bede om "het brood Gods, dat uit de hemel is neergedaald", Johannes 6. Hij maakte ervan: Jezus Christus, als onze "geestelijke spijze", ten eeuwigen leven.
Gelukkig heeft de kerkeraad van Rome Marcions boek "Tegenstellingen"
doorzien als op één lijn met de "tegenstellingen van de ten onrechte zo genoemde Kennis (Gnostiek)", waar Paulus zo tegen gewaarschuwd heeft in 1 Tim. 6 : 20, en hem geëxcommuniceerd en hem zijn grote geldgift van vijf jaar geleden teruggegeven.
Toen stichtte Marcion een wijd verbreid geworden tegenkerk, waar "lichamelijke oefening van groot nut" heette, en het huwelijk en het genot van spijzen ten strengste werden afgeraden, ten einde "de ontsterfelijke ziel" te doen opstijgen bóven de aarde, tot haar "goddelijke Oorsprong".
In Marcions kerken werden daarom alleen ongehuwden gedoopt!
Marcion heeft ná zijn uitwijzing in Rome nog pogingen gedaan om ingang te vinden in Christus' gemeenten. Hij heeft het o.a. geprobeerd in Smyrna, maar daar ontving Polycarpus hem met "J a, ik ken u, - als de eerstgeborene van de satan!" Hij is dus wel "radikaal" afgewezen door de Christenheid.
Maar met ketterijen gaat het dikwijls zó: wijst men ze door de voordeur uit, dan glippen ze door de achterdeur weer binnen.
Dat het zo gegaan is met de "tegenstellingen-
leer" van Marcion en de Gnostiek, dat bewijst duidelijk de geschiedenis, die de exegese van de vierde bede van het Onze Vader heeft doorgemaakt.
"Kerkvaders" van naam, zoals zelfs Augustinus, die Marcion en de Gnostieken als aartsketters en Schriftvervalsers verwierpen, vielen niettemin terug in hun "vergeestelijking" van deze bede om brood. We zien dan, dat deze bede gedurig wordt uitgelegd als een bede om "het brood Gods in de H. Eucharistie".
Trouwens, in allerlei opzichten werkt die tegenstellingenleer door. De tegenstelling van een stoffelijke wereld tegenover een hogere, geestelijke wereld, van wereldse mensen (leken) tegenover geestelijke mensen, die niet trouwen, enz. Van natuur tegenover genade. De tegenstelling van een minderwaardig deel in de mens, dat "lichaam" heet, en van een hoger, onsterfelijk deel, dat dan "ziel" wordt genoemd.
Op zulke tegenstellingen werd ondanks 1 Timotheüs heel de Middeleeuwse Kerk gebouwd, met haar onthoudingen en vastentijden.
En met haar pogingen om langs mystieke weg te "onthechten"
van het aardse, zodat de "geestelijke ziel" kan opstijgen tot de godheid.