Als het nog mag!
1984-08-17
"en dat zullen wij doen, indien God het vergunt."- Jaargang 28
- nummer 30
Hebr. 6:3
Christus - door God aangesproken als hogepriester naar de ordening van Melchizedek. Daarover heeft de schrijver van de brief aan de Hebreeën veel te zeggen (5 : 10 v.). Maar hij begint er niet aanstonds aan. 't Komt pas in hoofdstuk 7 ervan.
Wat houdt hem tegen?
De gesteldheid van zijn gehoor. Een goed prediker let op zijn hoorders. Kunnen ze nog meekomen?
Traag geworden
De prediker ziet er tegenop om aan zijn onderwerp te beginnen.
Niet vanwege dat onderwerp zelf. Christus onze hogepriester.
Wat is er heerlijker dan daarover te spreken?
Maar het kon wel eens moeilijk uit te leggen zijn. Moeilijk over te brengen. Gezien de traagheid van zijn hoorders.
Daarop worden ze eerst aangesproken.
Gij zijt traag geworden in het horen. Kunnen we zó wel verder? Eigenlijk zouden we weer terug moeten naar het begin.
Naar het basis-onderwijs.
Weer terug naar de melk, en de vaste spijs die op het menu staat maar achterwege laten.
Zorgen, die predikers heden ten dage ook kunnen hebben.
Gaat de prediking de mensen niet boven de pet? Kunnen ze het nog hebben, als er eens wat langer wordt stilgestaan en dieper ingegaan op het werk van de Here?
Je krijgt ze maar moeilijk mee.
En kondigt zijn voornemen aan evengoed tóch voort te gaan, met dat voortgezet onderwijs. "Voort te varen tot de volmaaktheid" (6: 1, Statenver.). Want, moesten zijn hoorders niet, wat de tijd betreft, hun leertijd, al zo onderhand zelf leraar kunnen zijn?
En, al hadden ze eigenlijk weer melk nodig zoals de kleine kinderen - het zijn toch geen kleine kinderen meer?
Ze zijn de kinderschoenen alláng ontwassen.
Al lang en breed volwassen mensen. En daarom: laten we vóórtgaan.
Voorbijgaande aan het christelijk basisonderwijs. Dàt stadium is voorbij. Dat fundament is reeds gelegd. Wie legt er nu helemaal opnieuw weer een fundament?
We gaan niet helemaal van voren af aan weer beginnen, met op te roepen tot bekering van dode werken om zich in geloof te richten op God. Zo was het begonnen. En toen kregen ze dooponderricht en zijn hun de handen opgelegd.
Toen is er gesproken van de opstanding der doden en dat er een eeuwig oordeel is. (Zeg niet: moesten 'Hebreeën' dàt nog leren, denk aan de Sadduceeën die daar niet aan geloofden!).
Dat alles hoeft toch niet weer.
Neen, we gaan nu voort.
Met verdergaande onderwijzing.
Afbouw.
Mooi is dat. Nuchter. Predikers moeten zich ook maar niet zo laten inpakken door de traagheid van hun hoorders. Die hoorders moeten zich schamen! Grote mensen. Al zó lang onderwezen.
Toch een voorbehoud
Maar zie: als dan zo ferm het voornemen om voort te varen wordt kenbaar gemaakt, dan blijkt er toch nog aarzeling. Dan wordt toch nog een voorbehoud gemaakt. Met de woorden, die boven dit stuk staan. "En dat zullen wij doen ... " - dat is dus het voornemen.
Niet teruggaan naar een stadium dat al voorbij is, maar voortgaan.
Alleen, er is nog een 'maar': als God het tenminste toestaat.
Daar moeten we niet .overheen lezen. Het staat hier namelijk bepaald niet pro memorie. 't Houdt méér in dan christelijke bescheidenheid, die bij alle plannen rekening houdt met God (vgl. Hand. 18: 21, Jac, 4: 5).
Er is hier meer aan de hand.
Dat blijkt uit het directe vervolg.
Inplaats van dat de prediker nu tot zijn chapiter komt, houdt hij zich nog weer bezig met de toestand van zijn hoorders. En nu in een onverholen waarschuwing.
Want het is onmogelijk ... (6 : 4 vv.).
't Ging bij de herinnering aan de reeds gelegde fundamenten over hun bekering, over doop en handoplegging, over de toekomende eeuw.
Welnu, als mensen die zóveel achter de rug hebben ais déze mensen, zoveel goeds en bijzonders van God hebben ontvangen, nu het tóch af laten weten, dan kàn een prediker ook niets meer beginnen Zelfs al zou hij helemaal opnieuw weer willen beginnen om hen te "vernieuwen tot bekering".
Het zal niet lukken!
Met mensen, die de Zoon van God opnieuw kruisigen en tot een bespotting maken.
Dan is het uit!
Waarom is dat onmogelijk? Onbegonnen werk met zulken verder te komen of zelfs opnieuw te beginnen? Omdat God met zulken dan tot een einde komt. En hen treft met zijn vloek.
Als een akker, die ondanks alle regen en zegen en werk eraan besteed geen vrucht draagt. Alleen dorens en distels. Dan gaat de brànd erin!
Als u dit leest, in de brief aan de Hebreeën, bedenk dan hoe duidelijk hïin situatie hier wordt aangegeven en dat het dáárop slaat.
Christus opnieuw kruisigen dat kan alleen bij mensen die dat al eens hebben gedaan!
En die akker, waar dan tenslotte de brand ingaat - dat slaat duidelijk op het oordeel, Gods verbondswraak, over het Jeruzalem dat de Zoon van God doodde èn daarbij volhardde.
Als tot Christus bekeerde Hebreeën toch weer gemene zaa maken met die afvalligen en hardnekkigen, en dat nadat hun nog gratie is verleend en ze zoveel ontvangen hebben aan gaven Gods als die gemeente in Jeruzalem inderdaad ontvangen heeft, bóven vele anderen - wel, dan is het einde gekomen.
Sein op rood
Zover was het met de hier aangesprokenen nog niet.
Maar de waarschuwing en situatietekening is niet mis te verstaan.
Laat ze bedenken hoe laat het is.
En oppassen met traagheid, met hang naar de andere kant.
Naar vroeger.
Ik wil voortgaan met mijn onderwijs over Christus.
Ik laat me niet ophouden door jullie toestand van nu.
Maar het is wel een gevaarlijke toestand.
Kunnen we nog wel verder. Màg het nog wel?
't Kan ook te ver gekomen zijn met afkerigheid.
Ezau kon ook niet meer terug (12:17).
"Als God het tenminste nog toestaat"
. .. begrijpt u? Dan staat het sein op rood!
Het is actueel. Als God de kracht der dwaling zendt om mee te slepen, die het evangelie verworpen hebben (2 Thess. 2), haalt het allemaal niets meer uit.
Dan mag het niet meer. Van Hem!